Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0720

Datum uitspraak2006-09-26
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01584/06 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening.


Uitspraak

26 september 2006 Strafkamer nr. 01584/06 H MR Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 april 2006, nummer 21/004432-05, ingediend door mr. Th.F. Holtus, advocaat te Haaksbergen, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 30 augustus 2005 - de aanvrager ter zake van "poging tot: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg" en "medeplegen van: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. 2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de aanvrage 3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Bedoelde omstandigheden moeten van feitelijke aard zijn. 3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek van de zaak destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid, dan wel tot de toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling, indien het Hof bekend zou zijn geweest met de bij de aanvrage gevoegde - niet gedateerde - verklaring van [betrokkene 1]. Die verklaring is aan dit arrest gehecht. 3.3. Vooropgesteld moet worden dat een aanvrager bij een aanvrage tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom getuigen op een hem belastende verklaring terugkomen (vgl. HR 29 april 1997, NJ 1997, 688). 3.4. De door [betrokkene 1] opgegeven reden voor het terugkomen op zijn verklaring, zoals die voor het bewijs van het tenlastegelegde is gebezigd, levert echter onvoldoende grond op om aan te nemen dat deze verklaring onjuist is geweest. 3.5. Voor zover in de aanvrage wordt gesteld dat het aangevoerde zou hebben geleid tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling, wordt daarmede kennelijk gedoeld op de oplegging van een minder zware straf. Onder een minder zware strafbepaling in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet echter worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een minder zware sanctie. 3.6. Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat aan de inhoud van de bij de aanvrage overgelegde brief geen ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv kan worden ontleend. De aanvrage is derhalve kennelijk ongegrond, zodat als volgt moet worden beslist. 4. Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 september 2006.