Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0708

Datum uitspraak2005-02-22
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers03/2607
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij de diagnose dementie is paragraaf 8.6 en bij de ziekte van Alzheimer is paragraaf 7.4 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 van toepassing. Indien de ziekte van Alzheimer gelijk is aan dementie bestaat er wrijving tussen genoemde paragrafen. Immers, bij een vastgestelde diagnose dementie is er ingevolge paragraaf 8.6 altijd sprake van ongeschiktheid voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer; bij de ziekte van Alzheimer is op grond van paragraaf 7.4 (een beperkte) geschiktheid voor rijbewijzen van groep 1 mogelijk. Ofschoon in paragraaf 8.6 een verwijzing is opgenomen naar paragraaf 7.4 en omgekeerd is de rechtbank van oordeel dat de bepalingen in deze paragrafen niet met elkaar te rijmen zijn.


Uitspraak

03/ 2607 BESLU RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht Enkelvoudige kamer UITSPRAAK in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde [gemachtigde], en de algemeen directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder. 1. Het procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 oktober 2003 (bestreden besluit), inzake de weigering een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B/BE/C/CE/D/DE af te geven. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 6 januari 2005, waarbij eiser en zijn gemachtigde, na voorafgaande kennisgeving daarvan, niet aanwezig waren. Namens verweerder was aanwezig mr. [gemachtigde]. 2. De beoordeling 2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft in oktober 2001 met de auto een fietser aangereden, nadat hij door rood licht was gereden. Hierop heeft verweerder eiser een onderzoek naar zijn geschiktheid opgelegd. In verband hiermee is eiser in juni 2002 gekeurd door zenuwarts W. Eland en in november 2002 door psychiater C.J.J.L. van Dyck. Op 25 november 2002 is eiser medegedeeld dat, omdat eisers rijbewijs op 17 november 2002 zijn geldigheidsduur heeft verloren, er in het kader van de vorderingsprocedure geen uitslag meer kan worden vastgesteld op basis van beide onderzoeksrapporten; de vorderingsprocedure geldt alleen voor de houder van een geldig rijbewijs. Indien eiser in het bezit wenst te komen van een nieuw rijbewijs dient hij een Eigen-verklaringsprocedure te starten. Gezien de bijzondere omstandigheden is verweerder bereid om de reeds ondergane onderzoeken te accepteren als onderzoeken in het kader van de Eigen-verklaringsprocedure. Eiser is er op gewezen dat hij wel de leeftijdsgebonden keuring door een huisarts moet ondergaan. Vervolgens heeft eiser heeft op 28 november 2002 een aanvraagformulier ter verkrijging van een Verklaring van geschiktheid (Eigen Verklaring) bij verweerder ingediend. Hierbij is een geneeskundig verslag van huisarts B.J. Molleman gevoegd. Bij besluit van 18 december 2002 is eiser een Verklaring van geschiktheid geweigerd. Hierbij is overwogen dat uit de bekende gegevens blijkt dat bij eiser sprake is van geestelijke achteruitgang. Eiser heeft hierop verzocht om een herkeuring. Vervolgens heeft er een onderzoek plaatsgevonden door neuroloog B. Feenstra. Deze heeft hiervan op 17 maart 2003 en 25 april 2003 verslag uitgebracht, waarbij informatie is ingewonnen bij geriater G. Wijma en een nieuw neuropsychologisch onderzoek is verricht. Bij besluit van 13 mei 2003 heeft verweerder zijn besluitvorming in de primaire fase afgerond door aan eiser een Verklaring van geschiktheid te weigeren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Hieraan is met name het bepaalde in paragraaf 8.6 “Cognitieve stoornissen” van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Regeling) ten grondslag gelegd. 2.2 Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat er aan de kant van verweerder sprake is van onwil, tegenwerking, het niet juist informeren van betrokkenen en achterhouden van informatie. Eiser heeft aangegeven dat hij zich zelfs tot de ombudsman heeft moeten wenden. Hij heeft er op gewezen dat de procedure al vanaf december 2001 loopt. Voorts heeft hij gesteld dat de eerste twee keuringen zijn gebaseerd op onjuiste informatie, enerzijds door eisers dochter verstrekt aan Eland en anderzijds door het verkeerd medicijngebruik van eiser destijds. Er is volgens eiser dan ook twijfel en de wet schrijft voor dat er bij twijfel een rijtest moeten worden afgelegd. Ook Van Dyck was hier positief over. Daarbij heeft Feenstra, overigens nog voordat hem de uitslag van het onderzoek op 7 mei 2003 is aangereikt, geschreven dat er een rijtest moest komen. Eiser heeft betoogd dat geen enkele arts, op Eland na, eiser ongeschikt heeft geacht. Volgens eiser staat nog steeds niet vast dat hij dementie vertoont, wat vast staat is dat zijn korte geheugen hem af en toe in de steek laat. Eiser heeft de rechtbank verzocht alsnog een rijtest te mogen afleggen en zonodig een geheel onafhankelijk onderzoek te gelasten. Verder heeft eiser de rechtbank verzocht om teruggave van de door hem betaalde en ondergane onderzoeken en het bedrag aan griffierecht. 2.3 Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen, worden Verklaringen van geschiktheid door het CBR afgegeven aan een ieder die voldoet aan de bij eerdergenoemde Regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen bepaalt dat indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie(ën) waarop de aanvraag betrekking heeft, het voor die categorie(ën) een verklaring van geschiktheid afgeeft. Artikel 2 van de Regeling bepaalt dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. Hoofdstuk 8 van de bijlage bij de Regeling handelt over psychiatrische stoornissen. Paragraaf 8.6 “Cognitieve stoornissen” luidt, voorzover hier van belang, als volgt: “Personen bij wie het psychisch functioneren gestoord is geraakt (zoals een gestoord oordeel- en kritiekvermogen, gestoorde oriëntatie, geheugenstoornissen) zijn meestal ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Eventuele tijdelijke geschiktheid - zulks ter beoordeling in een specialistisch onderzoek - hangt af van de mate van progressie van de ziekte en de ernst van de verschijnselen, maar is hooguit vijf jaar (zie ook vorig hoofdstuk: paragraaf 7.4). Bij een vastgestelde diagnose "dementie" is er altijd sprake van ongeschiktheid; bij twijfelgevallen of bij vermoeden van beginnende dementie is gericht specialistisch onderzoek aangeraden en dient in de beoordelingsprocedure een rijtest (via de desbetreffende deskundige van het CBR) te worden opgenomen.”. Hoofdstuk 7 van de bijlage bij de Regeling heeft betrekking op neurologische aandoeningen. In paragraaf 7.4 “Min of meer progressieve, al of niet intermitterend verlopende ziektebeelden” is, voorzover hier relevant, het volgende opgenomen: “Het betreft hier aandoeningen van de hersenen of het ruggenmerg, zoals (…), de ziekte van Alzheimer (zie voor dementie ook paragraaf 8.6), (…). De betrokkenen komen in de regel niet in aanmerking voor rijbewijzen van groep 2. Voor de beoordeling van de geschiktheid voor rijbewijzen van groep 1 is een specialistisch rapport nodig (opgesteld door een deskundig neuroloog en eventueel een neuropsycholoog). Voor een juiste oordeelsvorming dient ook een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR te worden geraadpleegd (uitvoering van een technisch onderzoek en/of een rijtest). De duur van de geschiktheidstermijn hangt af van de mate van progressie van de ziekte en de ernst van de verschijnselen, maar is hooguit vijf jaar.”. 2.4 Uit de hiervoor vermelde paragrafen van de bijlage bij de Regeling is naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat op personen bij wie de diagnose dementie is vastgesteld, paragraaf 8.6 en voor personen die lijden aan de ziekte van Alzheimer paragraaf 7.4 van toepassing is. Ter zitting is namens verweerder desgevraagd aangegeven dat de ziekte van Alzheimer een vorm van dementie is; wanneer er sprake is van de ziekte van Alzheimer is er altijd sprake van dementie. De rechtbank is van oordeel dat, indien de ziekte van Alzheimer gelijk is aan dementie, er wrijving bestaat tussen genoemde paragrafen 8.6 en 7.4. Immers, bij een vastgestelde diagnose dementie is er ingevolge paragraaf 8.6 altijd sprake van ongeschiktheid voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer; bij de ziekte van Alzheimer is op grond van paragraaf 7.4 (een beperkte) geschiktheid voor rijbewijzen van groep 1 mogelijk, waarvoor een specialistisch rapport van een deskundig neuroloog nodig is en ook een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR dient te worden geraadpleegd. Ofschoon in paragraaf 8.6 een verwijzing is opgenomen naar paragraaf 7.4 en omgekeerd is de rechtbank van oordeel dat, gezien het voorgaande, de bepalingen in deze paragrafen niet met elkaar te rijmen zijn. In het bestreden besluit heeft verweerder paragraaf 8.6 op eisers situatie van toepassing geacht. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom hierbij niet (tevens) is ingegaan op het bepaalde in paragraaf 7.4, mede nu in de rapportage van neuroloog Feenstra van 17 maart 2003 is vermeld dat eiser een man is met een beginnende ziekte van Alzheimer. Overigens is door verweerders gemachtigde ter zitting aangegeven dat paragraaf 8.6 op termijn wellicht zal worden gewijzigd, waarbij er onderscheid wordt aangebracht in de verschillende stadia van dementie. 2.5 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hierbij dient verweerder tevens in te gaan op eisers verzoek om vergoeding van de door hem betaalde onderzoeken. 2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven. 3. De beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak; gelast dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 116,00 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.J. Bakx, rechter, en in aanwezigheid van C.J.M. van der Veeken, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22-02-2005. Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak. Afschrift verzonden op: 22-02-2005