Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0645

Datum uitspraak2006-10-06
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3066 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beroep van werkgever tegen WAO-besluit werknemer. Is eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld?


Uitspraak

04/3066 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] te [vestigingsplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 april 2004, reg. nr. 04/445 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 6 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Duijsens. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork. II. OVERWEGINGEN Bij de aangevallen uitspraak is ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 19 december 2003. Bij dit besluit zijn – voor zover hier van belang – ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van het Uwv van 3 september 2003 waarbij aan mevrouw [naam ex-werkneemster], ex-werkneemster van appellante (hierna: ex-werkneemster), per 31 januari 2000 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, is toegekend. Appellante bestrijdt in hoger beroep niet de arbeidsongeschiktheid van haar ex-werkneemster. Appellante is echter van opvatting dat de zogenoemde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van ex-werkneemster niet ligt op 1 februari 1999, maar op een datum gelegen voor de datum per welke ex-werkneemster bij haar in dienst trad, te weten 18 januari 1999. In hoger beroep heeft appellante haar bij de rechtbank ingenomen standpunt nader toegelicht, maar in essentie is sprake van een herhaling van de gronden. Appellante is van opvatting dat op basis van de in beroep aangevoerde gronden de rechtbank ten onrechte niet tot vernietiging van het besluit van 19 december 2003 is gekomen. Appellante heeft erop gewezen dat haar ex-werkneemster sedert lange tijd lijdt aan de ziekte van Crohn en zij zich kort na indiensttreding bij haar heeft ziekgemeld. Aan deze ziekmelding ligt naar de mening van appellante naar alle waarschijnlijkheid ten grondslag het opspelen van de ziekte van Crohn als gevolg van de spanningen die het ontslag bij de vorige werkgever, Hypotheekbeheer Zeist, veroorzaakte. De arbeidsongeschiktheid was naar de mening van appellante dan ook reeds voor de indiensttreding bij haar vennootschap ontstaan. Het Uwv had naar de mening van appellante de omstandigheden waaronder dit ontslag heeft plaatsgevonden moeten onderzoeken. Appellante heeft haar in het beroepschrift opgenomen vorderingen van financiële aard beperkt tot een verzoek het Uwv te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. De Raad overweegt als volgt. De rechtbank heeft het standpunt van appellante in de overwegingen 4.4 tot en met 4.8 van de aangevallen uitspraak besproken en beoordeeld. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de gronden van appellante afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen appellante naar voren heeft gebracht met betrekking tot het ontslag van ex-werkneemster bij Hypotheekbeheer Zeist geen concrete aanwijzingen bevat dat een zodanige relatie tussen het ontslag en de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster bestaat dat het Uwv naar dit ontslag nader onderzoek had dienen te verrichten. De Raad wijst erop dat niet de omstandigheden waaronder dit ontslag heeft plaatsgevonden van belang zijn, maar dat het er om gaat per welke datum ex-werkneemster als gevolg van ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van haar arbeid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet voldoende aanknopingpunten zijn te vinden om te twijfelen aan de juistheid van de opvatting van het Uwv dat 1 februari 1999 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt. Het hoger beroep van appellante slaagt mitsdien niet. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. De uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006. (get.) J. Janssen. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. CVG