Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0629

Datum uitspraak2006-10-12
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/302 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontslag wegens verstoorde arbeidsrelatie. Is verstoring volledig aan bestuur te wijten? Is verhoogde ontslaguitkering voldoende?


Uitspraak

05/302 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 november 2004, 04/1014 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en het Bestuur van de Stichting Dr. Nassau College te Assen (hierna: bestuur) Datum uitspraak: 12 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Namens het bestuur is een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2006. Appellante is in persoon verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. G.J. Heussen, werkzaam bij VOS/ABB te Woerden. II. OVERWEGINGEN 1.1. Met betrekking tot de stelling van het bestuur aangaande de ontvankelijkheid van het hoger beroep stelt de Raad vast dat mr. S. van Loenhout, werkzaam bij het juridisch advieskantoor Hoendermis & van Loenhout te ’s-Gravenhage, namens appellante binnen de beroepstermijn tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep heeft ingesteld. In de brief van appellante van 19 december 2004, gericht aan de rechtbank Assen, heeft zij aangegeven dat zij tot 8 december 2004 werd vertegenwoordigd door mr. P.H. Rappa, advocaat te Assen. Mede op grond van die mededeling gaat de Raad ervan uit dat appellante mr. S. van Loenhout mondeling had gemachtigd om namens haar hoger beroep in te stellen en dat appellante deze machtiging bij de indiening van de gronden van het beroep op 24 februari 2005 schriftelijk heeft bevestigd. De Raad acht het hoger beroep dus ontvankelijk. 1.2. Met betrekking tot de grief van appellante dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op haar stellingen stelt de Raad vast, zoals hij reeds eerder heeft overwogen (onder andere CRvB 7 april 1998, LJN ZB7563, AB 1999,32) dat uit artikel 8:69 en uit artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voortvloeit dat de rechtbank in zijn uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De Raad is overigens van oordeel dat de rechtbank de argumenten van appellante adequaat heeft samengevat en besproken. Ook de Raad zal zich in het hiernavolgende beperken tot de kern van de door appellante naar voren gebrachte grieven en volstaat met het navolgende. 2.1. Appellante was sedert augustus 1985 werkzaam binnen het openbaar voortgezet onderwijs in Assen. In januari 2001 is zij wegens ziekte uitgevallen en na de zomervakantie van dat jaar weer gedeeltelijk aan het werk gegaan. Met ingang van december 2001 heeft appellante haar medewerking verleend aan een loopbaanoriëntatietraject. Op 29 mei 2002 heeft de bedrijfsarts appellante volledig arbeidsgeschikt verklaard. Van 30 september 2002 tot 1 februari 2003 is appellante tijdelijk gedetacheerd in Amsterdam. 2.2. Blijkens een gespreksverslag van 28 augustus 2002 zijn partijen overeengekomen dat appellante eind november 2002 haar leidinggevende zal laten weten of zij na afloop van de detacheringsperiode voor de resterende vier maanden van het schooljaar bij het Dr. Nassau College terugkeert. Indien ze op dat moment aangeeft na afloop van de vier maanden in Amsterdam niet terug te keren, dan zal dat in ieder geval tot het einde van het schooljaar gelden. Op 10 december 2002 laat appellante in een telefoongesprek weten per 1 februari 2003 niet terug te keren. Vervolgens laat zij bij schrijven van 6 januari 2003 haar leidinggevende weten dat zij per 3 februari weer beschikbaar is. Tevens verzoekt appellante in die brief om haar een takenpakket te geven dat, gelet op haar geschiedenis, bij haar past. Bij brief van 17 januari 2003 laat de directeur van de sector bovenbouw appellante weten dat vanwege het eenzijdig terugkomen op de hierboven genoemde afspraak appellantes positie als werkneemster van het Dr. Nassau College nader beraad behoeft. 2.3. Naar aanleiding van de daarop tussen partijen gevoerde gesprekken is appellante opgedragen een geneeskundig onderzoek te ondergaan zoals bedoeld in artikel 18 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA). Bij brief van 14 maart 2003 heeft de bedrijfsarts desgevraagd enkele vragen van de directeur van de sector onderbouw beantwoord en haar laten weten dat appellante op niet-medische gronden voor haar eigen functie arbeidsongeschikt is, dat deze ongeschiktheid werk- gerelateerd is en dat er sprake is van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 28 augustus 2002. 2.4. Vervolgens is door partijen gezocht naar mogelijkheden om tot een beëindigings-regeling te komen voor appellantes dienstverband. Wegens het uitblijven van een gewenst resultaat heeft tussen partijen op 4 september 2003 een gesprek plaatsgevonden met het doel om verschillende mogelijkheden voor de nabije toekomst te verkennen. In dat gesprek zijn appellante drie opties aangeboden, welke - inclusief de bij iedere optie behorende voorwaarden - in een brief van 9 oktober 2003 nader zijn uitgewerkt. De opties behelzen: (1) detachering, (2) outplacement en (3) hervatting in eigen werkzaamheden bij het Dr. Nassau College. Aan deze laatste optie waren - onder andere - de voorwaarden verbonden dat appellante door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt moest worden bevonden, dat appellante gedurende een periode van 6 maanden medisch begeleid zou worden en dat voor haar - eveneens voor 6 maanden - een begeleidingstraject zou gelden met de schoolopleider van het Dr. Nassau College als haar begeleider/coach. 2.5. Bij schrijven van 23 oktober 2003 heeft appellante het bestuur laten weten dat geen enkele optie haar volledige instemming heeft maar dat haar voorkeur uitgaat naar optie 3. Nadat appellante een intakegesprek heeft gehad met de schoolopleider heeft zij bij brief van 12 december 2003 het bestuur laten weten dat voor haar het begeleidingstraject geen enkele toegevoegde waarde heeft, en dat zij de schoolopleider vanwege haar onervarenheid om mensen zoals appellante te begeleiden, niet als begeleider wil. 2.6. Naar aanleiding van een door appellante in de lerarenkamer gedane uitlating, het gebrek aan voortgang in het begeleidingstraject en een vacature elders, heeft op 8 januari 2004 tussen partijen een gesprek plaatsgevonden. Bij schrijven van 21 januari 2004 is appellante vanwege haar uitlating gewaarschuwd dat zoiets binnen het Dr. Nassau College niet wordt geaccepteerd. Appellante heeft tegen die brief bezwaar gemaakt hetwelk er toe heeft geleid dat tussen (de gemachtigden van) partijen een briefwisseling is ontstaan, welke uiteindelijk heeft geresulteerd in het voornemen van het bestuur om appellante met ingang van 1 oktober 2004 op grond van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding eervol ontslag te verlenen. In de daartegen door appellante ingediende bedenkingen heeft het bestuur geen aanleiding gevonden om van dat voornemen af te zien. 2.7. Bij besluit van 25 augustus 2004 is appellante op grond van artikel 4b.3, aanhef en onder l, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs (CAO VO) 2003-2005, wegens redenen van gewichtige aard, gelegen in ernstig verstoorde verhoudingen, ingaande 1 oktober 2004 ontslag verleend. Bij het bestreden besluit van 27 oktober 2004 is dat ontslag gehandhaafd met dien verstande dat de ontslagdatum nader is gesteld op 1 december 2004. Voorts is appellante een bedrag van € 5.000,- bruto toegekend als schadevergoeding voor het onzorgvuldig totstandkomen van het advies van de bedrijfsarts van 14 maart 2003. De door appellante verzochte overige schadevergoeding is afgewezen, onder meer omdat het bestuur zich bij primair besluit al garant heeft gesteld dat appellante tot aan haar pensioendatum een ontslaguitkering ontvangt gelijk aan een WW/BWOO-uitkering, en omdat daarin appellante nog een outplacementtraject is aangeboden voor een bedrag van € 7.000,-. 2.8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het zwaartepunt voor wat betreft de oorzaak van het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsrelatie in overwegende mate aan de zijde van het bestuur ligt. De rechtbank heeft daarbij met name gewezen op de onzorgvuldige gang van zaken betreffende het onderzoek van de bedrijfsarts van 14 maart 2003. In dat kader heeft de rechtbank bepaald dat het bestuur aan appellante, naast het haar reeds toegekende, een bedrag ineens dient uit te keren van € 20.000,-. Het bestuur heeft in die uitspraak berust. 3. Desgevraagd heeft appellante ter zitting laten weten niet meer te betwisten dat ten tijde van het ontslag sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen. Appellante heeft daarbij het standpunt ingenomen dat die verstoring volledig aan het bestuur is te wijten. De Raad constateert aldus dat het geding zich toespitst op de vraag of appellante, met hetgeen haar bij het bestreden besluit door het bestuur is toegekend, verhoogd met € 20.000,- op grond van de aangevallen uitspraak, gezien het aandeel van het bestuur in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen, tekort is gedaan. 3.1. De Raad is - evenals de rechtbank - van oordeel dat de gang van zaken rond de door de toenmalige directeur van de sector bovenbouw opgestelde vraagstelling aan de bedrijfsarts en de daarop door die arts gegeven medische beoordeling inzake de arbeidsongeschiktheid van appellante onzorgvuldig is te noemen. Het bestuur heeft dat in het primaire besluit ook toegegeven en erkend dat zoiets nimmer had mogen gebeuren. Ook heeft het bestuur aan appellante meerdere malen kenbaar gemaakt - appellante heeft dat niet weersproken - dat het deze gang van zaken betreurt. 3.2. De Raad onderschrijft niet appellantes standpunt dat, met betrekking tot de hier bedoelde vraagstelling en het daarop door de bedrijfsarts gegeven medische oordeel, sprake zou zijn van een vooropgezet plan van het bestuur om in samenwerking met de bedrijfsarts een reden te vinden om appellante te kunnen ontslaan. De Raad heeft daarvoor allereerst in de stukken geen aanknopingspunten kunnen vinden en voorts is hij van oordeel dat een dergelijke aanname niet overeenkomt met het gegeven dat het bestuur appellante blijkens optie 3 de mogelijkheid heeft aangeboden om haar eigen werk te hervatten. 3.3. Evenmin deelt de Raad appellantes opvatting dat haar niet te verwijten valt dat zij niet is opgekomen tegen het oordeel met betrekking tot haar arbeidsongeschiktheid, omdat het bestuur had nagelaten haar op die mogelijkheid te wijzen. Appellante werd immers toentertijd bijgestaan door een jurist van de Algemene Onderwijsbond wiens advies om daartegen geen actie te ondernemen zij kennelijk heeft gevolgd. Dat appellante achteraf bezien met dat advies minder gelukkig was, dient naar het oordeel van de Raad voor haar rekening te blijven. 3.4. Ook kan de Raad appellante niet volgen in haar standpunt dat de begeleiding bij het hervatten van haar werkzaamheden haar door het bestuur zou zijn opgelegd. In de brief van 9 oktober 2003 is uitgebreid ingegaan op het begeleidingstraject behorende bij optie 3. Nu appellante uiteindelijk heeft ingestemd met optie 3 was zij gehouden haar medewerking aan de aan die optie verbonden voorwaarden te verlenen. 3.5. De in dat kader door appellante naar voren gebrachte grief dat de begeleiding door de schoolopleider diffamerend voor haar was, kan naar het oordeel van de Raad ook geen doel treffen. Blijkens meergenoemde brief van 9 oktober 2003 was het voor het bestuur immers bespreekbaar dat voor die begeleiding zonodig een externe coach benaderd zou worden. Overigens deelt de Raad de opvatting van het bestuur dat het in het algemeen van zorgvuldigheid jegens de werknemer getuigt om door middel van een begeleidings-traject te proberen om de terugkeer van een docent die langere tijd uit het arbeidsproces is geweest, succesvol te laten verlopen. 4. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad niet het standpunt van appellante deelt dat de verstoring van de arbeidsrelatie volledig aan het bestuur is te wijten. Naar het oordeel van de Raad dient het aandeel van appellante ten minste even groot te worden ingeschat als dat van het bestuur, aangezien appellante ondanks de haar door het bestuur gedane handreikingen in haar eerder ingenomen standpunten bleef volharden en aldus in belangrijke mate bijdroeg aan het voortbestaan van de verstoring. 4.1. De Raad wijst daartoe voorts op de alleszins redelijke brief van de algemeen directeur van 18 mei 2004 waarin volledige openheid van zaken werd gegeven en waarbij werd getracht appellante te bewegen om het verleden te laten rusten en de blik op de toekomst te richten teneinde haar werkhervatting succesvol te laten verlopen. Het bestuur heeft zich in die brief zelfs bereid verklaard het begeleidingstraject te beëindigen wanneer appellante bereid was haar vertrouwen uit te spreken in haar werkgever. Ook zijn in die brief appellante voor het komende schooljaar reguliere uren in de onderbouw aangeboden. 4.2. In de brief van 17 juni 2004 heeft het bestuur appellante nogmaals een handreiking gedaan, ondanks haar herhaalde weigeren haar vertrouwen in het Dr. Nassau College uit te spreken en is zij uitgenodigd voor een open gesprek. In het daarop gevolgde gesprek is appellante aan haar eisen blijven vasthouden. 5. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat appellante met de haar uiteindelijk door het bestuur en de rechtbank toegekende uitkering tekort is gedaan. 6. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. 7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2006. (get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. (get.) P.W.J. Hospel. HD 29.09