Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0628

Datum uitspraak2006-10-12
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3480 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontslagbesluit. Is herplaatsingsonderzoek zorgvuldig geweest? Bracht een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek met zich mee dat een functie voor betrokkene gecreeërd moest worden?


Uitspraak

05/3480 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 april 2004 (lees: 2005), 05/103 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van bestuur van de Universiteit Utrecht (hierna: college). Datum uitspraak: 12 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J.G. Nijssen en prof. dr. M. Düwell, beiden werkzaam bij de Universiteit Utrecht. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante was werkzaam als manager van het Centrum voor Bio-ethiek en Gezondheidsrecht (CBG) van de Faculteit der Godgeleerdheid. Per 1 juli 2003 zijn taken en personeel van het CBG overgenomen door het nieuw opgerichte Ethiek Instituut (EI), dat ondergebracht is bij de Faculteit Geesteswetenschappen. Bij brief van 14 januari 2004 is appellante meegedeeld dat haar functie sinds 1 juli 2003 is opgeheven, omdat binnen het EI een andere managementstructuur geldt, waarbij binnen het bestuursteam geen aparte taken meer bestaan voor een manager. Bij brief van 26 januari 2004 is appellante vervolgens meegedeeld dat per 1 februari 2004 een herplaatsingsonderzoek zal worden gestart, welk onderzoek zal duren tot eind augustus 2004. Bij besluit van 15 juni 2004 is het bezwaar tegen de brief van 14 januari 2004 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het bezwaar tegen de brief van 26 januari 2004 ongegrond verklaard. 1.2. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 26 oktober 2004 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank achtte de niet-ontvankelijkverklaring juist en kon zich ook verenigen met de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ingangsdatum en duur van het herplaatsingsonderzoek. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat die duur juist was bepaald omdat, anders dan appellante heeft betoogd, geen sprake was van een reorganisatie in de zin van hoofdstuk 13 van de toepasselijke CAO NU. Derhalve gold voor appellante niet een herplaatsingstermijn van 20 maanden, maar die van twee maanden voortvloeiend uit artikel 12.5, vijfde lid, van de CAO NU in verbinding met artikel 2, aanhef en onder b, van de op laatstgenoemd artikellid gebaseerde Regeling Herplaatsingsonderzoek bij onvrijwillig ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, wegens opheffing functie of overtolligheid, en op andere gronden. Appellante heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. 1.3. Bij besluit van 20 augustus 2004 is aan appellante per 1 december 2004 eervol ontslag verleend op grond van artikel 12.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAO NU, wegens opheffing van haar functie. Daarbij heeft het college overwogen dat het herplaatsingsonderzoek niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd in dier voege dat de ingangsdatum van het ontslag nader is bepaald op 15 december 2004. Tevens is bepaald dat de kosten van outplacement worden betaald tot een maximumbedrag van € 10.000,- na overlegging van een rekening van een erkend bureau, welke uiterlijk 1 juli 2005 moet worden ingediend. 2. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de gronden betrekking hebbend op de besluiten van 14 januari 2004 en 26 januari 2004 niet aan de orde zijn, omdat deze besluiten door het uitblijven van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 oktober 2004 rechtens onaantastbaar zijn geworden. Ook kan geen discussie meer zijn over de vraag of wel of niet sprake is van een reorganisatie, omdat de rechtbank ook daarover uitdrukkelijk een oordeel heeft gegeven. 3. In hoger beroep heeft appellante verzocht haar argumenten van het beroep in eerste aanleg onverkort in te lassen. Kern van het hoger beroep is voorts dat aan appellante een non-ontslaggarantie is afgegeven, terwijl zij desondanks wegens reorganisatie ontslagen is. Dat is in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. 4.1. De Raad stelt voorop dat de kwesties over de opheffing van de functie, de duur van het herplaatsingsonderzoek en de vraag of sprake is van een reorganisatie, door het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak van de rechtbank van 26 oktober 2004 niet meer aan de orde zijn. Daarmee staat vast dat appellantes functie per 1 juli 2003 is opgeheven en dat dit niet het gevolg is van een reorganisatie in de zin van hoofdstuk 13 van de CAO NU. Voorts staat vast dat de herplaatsingstermijn minimaal twee maanden moest bedragen. 4.2. De vraag die de Raad moet beantwoorden is of het herplaatsingsonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Het college heeft met behulp van het bureau Topselect gezocht naar een passende functie voor appellante binnen en buiten de Universiteit Utrecht. In de van belang zijnde periode zijn binnen de Universiteit Utrecht geen functies op appellantes niveau - zij werd bezoldigd volgens schaal 13 - vrijgekomen. Appellante heeft dit niet weersproken. Appellante is voorts attent gemaakt op een functie als ethicus buiten de Universiteit Utrecht, te weten bij het ministerie van Defensie, maar appellante ambieerde die functie niet vanwege functieomvang en reistijd. Binnen het EI was geen passende functie voor appellante voorhanden. Appellante werd niet geschikt geacht om lid van de directie van het EI te worden, aan welke functie hogere en zwaardere eisen werden gesteld dan aan de managementfunctie die zij voorheen bij het CBG vervulde. Aan haar is dit meegedeeld bij brief van 2 september 2003. Tegen dat besluit heeft appellante destijds geen bezwaar gemaakt. 4.3. Dan resteert de vraag of een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek met zich meebracht dat voor appellante een functie moest worden gecreëerd. In dat verband is tevens van belang het beroep van appellante op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De Raad is dienaangaande van oordeel dat de door appellante genoemde geschriften algemene bewoordingen bevatten over de overgang van de medewerkers van het CBG naar het EI waaruit de intentie spreekt een ieder onder te brengen in het nieuwe instituut. Een non-ontslaggarantie leest de Raad daarin niet. Ter zitting is gebleken dat het bestuur van het EI en appellante in gesprek zijn geweest over een te creëren functie voor appellante, maar dat dit uiteindelijk niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Daarbij heeft onder andere een rol gespeeld dat appellante haar wetenschappelijke opleiding in het buitenland heeft genoten en dat haar diploma alhier niet wordt erkend. Dat laatste bemoeilijkt het uitoefenen van een onderwijs- en onderzoektaak aldus het college. De Raad heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet de overtuiging gekregen dat het college in dit verband een verwijt valt te maken. 4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel dat het herplaatsingsonderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Het ontslagbesluit houdt dan ook stand evenals de aangevallen uitspraak. 5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2006. (get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. (get.) P.W.J. Hospel. HD 29.09