Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0625

Datum uitspraak2006-10-05
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7088 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hernieuwde aanvraag WUV-uitkering afgewezen. Onderzoek psychiater. Besluit deugdelijk gemotiveerd.


Uitspraak

05/7088 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 5 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 oktober 2005, kenmerk JZ/R70/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Daar is appellante in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1930 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, in december 1993 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet. Bij besluit van 9 juni 1994 heeft verweerster erkend dat appellante vervolging heeft ondergaan, te weten burger-internering, doch haar een periodieke uitkering geweigerd op de grond dat de bij appellante aanwezige klachten, te weten bloedarmoede niet in verband kunnen worden gebracht met de ondergane vervolging. De zienswijze van verweerster is in overeenstemming het advies van haar geneeskundig adviseur L. Tromp, arts, die overigens op basis van eigen onderzoek bij appellante geen manifeste psychische ziekten of gebreken heeft geconstateerd. Tegen het besluit van 9 juni 1994 heeft appellante geen bezwaar ingediend. Vervolgens heeft verweerster bij besluit van 27 juli 2000 een door appellante in februari 2000 ingediende aanvraag afgewezen op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid, van de Wet. Ook tegen dat besluit heeft appellante geen bezwaar ingediend. In april 2005 heeft appellante zich tot verweerster gewend met een hernieuwde aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 26 juli 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat bij appellante geen ziekten of gebreken zijn geconstateerd waarvan een verband met de ondergane vervolging kan worden aangenomen. In het bijzonder is overwogen dat de bij appellante aanwezige psychische klachten niet het niveau van een ziekte of gebrek bereiken. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet heeft recht op een uitkering de vervolgde die wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, buiten staat is een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de ingevolgde artikel 8 van de Wet vastgestelde grondslag. De Raad stelt vast dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster in overeenstemming is met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op een rapport van 1 juli 2005 van een bij appellante verricht onderzoek door de psychiater H.S.R. Witte alsmede het reeds aanwezige rapport van een in mei 1994 verricht medisch onderzoek door de geneeskundig adviseur L. Tromp, arts. Uit die adviezen komt naar voren dat er bij appellante nerveuze tendensen zijn maar dat deze klachten dankzij haar compensatiemechanismen niet het niveau van een ziekte of gebrek bereiken. Voorts is geoordeeld dat de bij appellante aanwezige bloedarmoede (nog immer) niet in een oorzakelijk verband met de vervolging kan worden gebracht. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Uit de ter beschikking staande medische gegevens is de Raad niet gebleken van enig aanknopingspunt te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt. Voor zover appellante in beroep heeft aangegeven dat het onderzoek van de psychiater Witte te kort heeft geduurd om een juist beeld te verkrijgen van de bij haar bestaande psychische problematiek, overweegt de Raad dat appellante geen medische gegevens heeft ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de volledigheid van het betreffende onderzoek dan wel aan de bevindingen en conclusie daarvan. Het voorgaande brengt met zich dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) J.P. Schieveen. HD 06.09