Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0621

Datum uitspraak2006-10-05
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/281 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet aangemerkt als vervolgingsslachtoffer. Herhaalde aanvraag. Nader onderzoek?


Uitspraak

06/281 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 5 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 22 december 2005, kenmerk JZ/L60/2005, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 24 augustus 2006. Aldaar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Appellant, geboren in juli 1942 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in januari 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om ingevolge de Wet in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering en voorzieningen. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 25 juli 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2003. Daarbij is overwogen dat appellant geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat zijn psychische klachten en zijn infectieziekte niet redelijkerwijs in verband zijn te brengen met het omkomen van zijn vader tijdens de vervolging, om welke reden hij niet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde kan worden gelijk gesteld. Bij uitspraak van deze Raad van 18 november 2004, reg. nr. 03/6114 WUV, is het beroep van appellant tegen laatst genoemd besluit ongegrond verklaard. De Raad heeft met betrekking tot verweersters in dat besluit besloten weigering aan artikel 3, tweede lid, van de Wet toepassing te geven onder meer overwogen dat noch in de medische gegevens, noch anderszins aanleiding kan worden gevonden te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt dat de psychische klachten van appellant veeleer zijn terug te voeren op een persoonlijkheidsproblematiek, die niet direct samenhangt met het omkomen van zijn vader, maar te relateren is aan de slechte leefomstandigheden tijdens de oorlog, het angstige gedrag van zijn moeder en het optreden van zijn stiefvader. De Raad heeft in een van de zijde van appellant in beroep ingezonden rapport van prof. dr. H.J.C. van Marle psychiater te Den Haag, geen aanleiding gevonden tot een ander oordeel te komen, aangezien deze psychiater de psychische problemen van appellant indirect toeschrijft aan het overlijden van zijn vader, terwijl bij toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet ingevolge verweersters in dat kader gevoerde en door de Raad geaccordeerde beleid sprake moet zijn van een direct verband. Bij schrijven van 29 juni 2005 heeft appellant onder verwijzing naar voornoemd rapport van prof. dr. H.J.C. van Marle aan verweerster andermaal verzocht hem met de vervolgde gelijk te stellen. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 28 oktober 2005, zoals na bezwaar bij het thans bestreden besluit gehandhaafd op de grond dat appellant bij zijn aanvraag en in bezwaar geen relevante feiten of gegevens heeft vermeld, terwijl ook overigens niet is gebleken dat het eerder ingenomen standpunt onjuist is geweest. In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep naar voren is gebracht in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat appellant de thans aan de orde zijnde aanvraag heeft ingediend betrekkelijk kort na ’s Raad uitspraak van 18 november 2004, waarbij eveneens de vraag aan de orde was of appellant met de vervolgde kon worden gelijk gesteld. Vast staat ook dat bij die uitspraak de inhoud van het als toen namens appellant in geding gebrachte rapport van prof. dr. H.J.C. van Marle is betrokken. Het voorgaande brengt, gelet ook op het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake herhaalde aanvragen, met zich dat verweerster in beginsel gerechtigd is zonder nader onderzoek de aanvraag van appellant af te wijzen. Van omstandigheden die verweerster in dit geval zouden dwingen tot het doen verrichten van nader onderzoek is de Raad niet gebleken. Het voorgaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden. De Raad acht geen termen aanwezig met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) J.P. Schieveen. HD 25.08