
Jurisprudentie
AZ0616
Datum uitspraak2006-10-05
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/458 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/458 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
NIet erkend als burgeroorlogsslachtoffer. Verzoek om herziening afgewezen. Terughoudende toetsing. Geen nieuwe feiten.
Uitspraak
06/458 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is door mr. R.E. Zalm, jurist bij FNV Bondgenoten, beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 22 december 2005, kenmerk JZ/R60/2005, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.E. Zalm voornoemd. Tevens is verschenen als door appellant meegebrachte getuige, [getuige], wonende te Amsterdam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in oktober 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. Appellant heeft daarbij gewezen op een zevental ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalig Nederlands-Indiƫ en de daarop volgende Bersiap periode, waaronder zijn vlucht naar de broederschool Randoesari te Semarang tijdens de Bersiap periode. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 17 mei 2002, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 november 2002, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Meer in het bijzonder heeft verweerster overwogen dat niet is gebleken dat de door appellant genoemde vlucht naar de broederschool heeft plaatsgevonden onder levensbedreigende omstandigheden. Bij uitspraak van deze Raad van 20 november 2003, kenmerk 03/101 WUBO, is het door appellant tegen laatst genoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In februari 2005 heeft appellant zich andermaal tot verweerster gewend met een aanvraag op grond van de Wet. Hij heeft daarbij benadrukt dat er tijdens de vlucht van zijn familie naar de broederschool op hen is geschoten en heeft als getuigen van deze omstandigheden gewezen op zijn zuster [zuster 1] en zijn zuster [zuster 2]. Verweerster heeft in de door deze getuigen afgelegde verklaringen bezien tegen de in de eerdere procedure beschikbaar gekomen gegevens geen aanleiding gevonden thans aan te nemen dat deze vlucht dient te worden aangemerkt als calamiteit in de zin van de Wet, omdat sprake zou zijn geweest van levensbedreigende omstandigheden. Dit standpunt heeft verweerster na door appellant gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.
De Raad heeft, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hij overweegt daartoe als volgt.
Naar verweerster terecht heeft overwogen dient het inleidende verzoek van februari 2005 van appellant te worden aangemerkt als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 61, derde lid, van de Wet. Ingevolge deze bepaling is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een eerder door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.
Appellant heeft aangevoerd dat verweerster bij haar thans bestreden besluit de eerder door zijn zuster N.E. van Drongelen gegeven verklaring buiten beschouwing had moeten laten, aangezien die verklaring niet door zijn zuster was ondertekend. De Raad stelt vast dat appellant in de eerdere procedure bij deze Raad vergelijkbare bezwaren tegen het gebruik van die verklaring naar voren heeft gebracht, welke bezwaren de Raad bij zijn uitspraak van 20 november 2003 heeft gepasseerd. De Raad ziet geen aanleiding thans tot een ander oordeel te komen.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster terecht de door appellants zusters en de getuige [getuige] in de onderhavige herzieningsprocedure afgelegde verklaringen bezien in relatie tot hetgeen in de eerdere procedure aan feitelijke informatie ter beschikking is gekomen. Verweerster heeft in de omstandigheid dat thans door de getuigen wordt verklaard dat er tijdens de vlucht naar de broederschool beschietingen hebben plaatsgevonden onvoldoende aanleiding gevonden haar eerder ingenomen standpunt, inhoudende dat tijdens deze vlucht geen sprake is geweest van een voor appellant direct levensbedreigende situatie, te herzien. De Raad kan verweerster in deze opvatting volgen, waarbij de Raad van belang acht dat appellant zelf ten behoeve van zijn eerste aanvraag tegenover de sociaal rapporteur geen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat zij tijdens deze vlucht door extremisten zijn beschoten en dat ook zijn zuster [zuster 1] zulks niet heeft verklaard.
Dit betekent dat het bestreden besluit de door de Raad toe te passen terughoudende toetsing kan doorstaan.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
28.08