Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0605

Datum uitspraak2006-08-22
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200600253
Statusgepubliceerd


Indicatie

.


Uitspraak

rekestnr. R06/00253 BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, achtste kamer, van 22 augustus 2006, gegeven in de zaak van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant, verder te noemen: [X.], procureur: mr. J.E. Lenglet, tegen: HANDELSONDERNEMING [Y.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, verder te noemen: [Y.], procureur: mr. H.P.M. Stevelmans, op het hoger beroep tegen de door de recht-bank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gegeven beschikking van 7 december 2005 tussen [X.] als verweerder en [Y.] als verzoekster. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 199200EJ VERZ 05-3179) Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van voormelde beschikking. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ter griffie van het hof binnenge-komen op 6 maart 2006, heeft [X.], kort gezegd, het hof verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van [Y.] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [Y.] in de kosten van beide instanties. 2.2. Bij verweerschrift, ter griffie van het hof binnen–gekomen op 3 juli 2006, heeft [Y.] verzocht [X.] niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans dit beroep af te wijzen met veroordeling van [X.] in de kosten van deze procedure. 2.3. De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsge-von-den op 5 juli 2006. Verschenen zijn mr. W.E. Schoufs, de advocaat van [X.] en de heer [A.] (directeur) voor [Y.], bijgestaan door haar advocate mr. H.P.M. Stevelmans. 2.4. De voorzitter heeft partijen voorgehouden over welke processtukken het hof in deze zaak beschikt. Beide raadslieden hebben de standpunten van partijen ver-volgens nader toegelicht. Mr. W.E. Schoufs aan de hand van de door haar in het geding gebrachte pleitnotitie. 2.5. Het hof heeft de uitspraak bepaald op heden. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de gronden en de toelichting daarop ver-wijst het hof naar het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. In deze zaak gaat het, kort samengevat, om het vol-gende. 4.1.1. Bij inleidend verzoekschrift heeft [Y.] verzocht de arbeidsovereenkomst met [X.] te ontbinden op grond van een gewichtige reden. 4.1.2. [X.] heeft daartegen verweer gevoerd. 4.1.3. Bij beschikking van 7 december 2005 heeft de kan-tonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereen-komst met ingang van 7 december 2005 wegens gewichtige re-denen ontbonden. Tegen deze beschikking komt [X.] thans op. De ontvankelijkheid 4.2. Ingevolge artikel 7:685 lid 11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat tegen de bestreden beschikking geen hoger beroep open. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt een uitzondering op dit appelverbod gemaakt en staat appel wel open, indien wordt aangevoerd dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd. Het stellen van (één van) genoemde uitzonderingsgronden is voldoende voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep. 4.2.1. Aangezien [X.] in het beroepschrift heeft gesteld dat de kantonrechter bij de behandeling van de zaak (a) essentiële vormen heeft verzuimd en/of (b) art. 7:685 BW ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten en/of (c) buiten het toepassingsgebied van dit artikel is ge-treden, is hij ontvankelijk in zijn hoger beroep. De beoordeling van de beroepsgronden schending van fundamentele rechtsbeginselen 4.3. In de eerste plaats heeft [X.], kort gezegd, het volgende aangevoerd. De kantonrechter heeft na de mondelinge behandeling van 14 september 2005 aan [X.] niet dezelfde processuele ge-legenheid geboden als de wederpartij om de kantonrechter nader te informeren, nu hij: (i) de tweede mondelinge behandeling van de zaak d.d. 23 november 2005 niet conform het verzoek van de gemachtigde van [X.] heeft aangehouden, waardoor deze mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van de gemachtigde van [X.] en de door hem voor-gedragen informanten heeft plaatsgevonden, zodat [X.] aldus niet in staat is gesteld om zijn standpunt nader toe te lichten; (ii) de wederpartij van [X.] wel in de gelegenheid heeft gesteld om haar standpunt, onder andere door het doen horen van de door haar meegebrachte informanten, bij gelegenheid van de tweede monde-linge behandeling nader toe te lichten; (iii) het uitdrukkelijke verzoek van gemachtigde van [X.] om de door hem voorgestelde informanten te doen horen heeft gepasseerd, terwijl hij wel de door [Y.] voorgedragen informanten heeft gehoord. Hierdoor heeft de kantonrechter de beginselen van hoor en wederhoor, “fair trial” en “equality of arms” geschonden. 4.3.1. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Binnen het Nederlands rechtsstelsel is het beginsel van hoor en wederhoor gecodificeerd in art. 19 van het Wet-boek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ingevolge dit artikel dient de rechter partijen over en weer in de ge-legenheid te stellen hun standpunt naar voren te brengen en toe te lichten. 4.3.2. Vast staat dat [Y.] een verzoekschrift ex art. 7:685 BW heeft ingediend bij de kantonrechter. Voorts staat vast dat de gemachtigde van [X.] bij gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling van de zaak d.d. 14 september 2005, waarbij ook [Y.] aanwezig was, daarop zowel schriftelijk als mondeling heeft gereageerd. 4.3.3. Bij gelegenheid van de eerste mondelinge behande-ling (d.d. 14 september 2005) is de zaak aangehouden, teneinde te bezien of partijen een schikking konden treffen. Nadat partijen de griffier van het kantongerecht had be-richt dat zij geen schikking hadden bereikt, heeft de griffier partijen op 9 oktober 2005 telefonisch verzocht om zowel hun verhinderdata als die van de door hen voor-gebrachte informanten aan hem op te geven, zodat een da-tum voor de voort te zetten mondelinge behandeling kon worden bepaald. [X.] gaat er ten onrechte aan voorbij dat zijn gemachtig-de in de (fax-)brief van 10 oktober 2005 aan de kanton-rechter geen verhinderdata heeft opgegeven. Vast staat dat de griffier partijen bij brief van 14 ok-tober 2005 heeft laten weten dat de mondelinge behande-ling van de zaak op 23 november 2005 om 14.00 uur wordt voortgezet, waarbij partijen in de gelegenheid werden ge-steld om de kantonrechter door het doen horen van infor-manten nader te informeren. Anders dan [X.] betoogt, kunnen de daarop volgende fax-brieven van zijn gemachtigde van respectievelijk 18 okto-ber 2005 en 22 november 2005 hem niet baten. Immers, in de brief van 18 oktober 2005 heeft de gemachtigde van [X.] weliswaar aangegeven dat hij verhinderd was om bij de mondelinge behandeling van de zaak aanwezig te zijn, maar een (uitdrukkelijk) verzoek om aanhouding van de zaak is in deze brief niet neergelegd. Integendeel zelfs, nu deze brief (onder punt 10) de volgende passage bevat: “Ook ondergetekende is niet in staat om de belangen op 23 november a.s. waar te nemen. Dat is nog te overzien en op te vangen, nu ons kantoor in beginsel over voldoende ad-vocaten beschikt om de belangenbehartiging van mij te dier zake over te nemen.” Aan de enkele omstandigheid dat de griffier op deze brief niet had gereageerd, kon de ge-machtigde van [X.], anders dan hij in de brief van 22 november 2005 deed voorkomen, naar het oordeel van het hof niet afleiden dat de mondelinge behandeling van de zaak zou worden aangehouden. De griffier heeft de gemach-tigde van [X.] daarop terstond gewezen en hem meegedeeld dat hij zijn eventuele standpunten ter zitting naar voren kon brengen. Van een tijdig en deugdelijk verzoek om aanhouding van de zaak door (de gemachtigde van) [X.] is derhalve geen sprake, zodat de kantonrechter geen fundamenteel rechts-beginsel heeft geschonden door de mondelinge behandeling van de zaak op 23 november 2005 niet aan te houden, maar - buiten aanwezigheid van [X.] en zijn gemachtigde - voort te zetten. 4.3.4. Bovendien is er in de gegeven omstandigheden geen sprake van een getuigenverhoor aan de zijde van [Y.], maar zijn de door haar voorgebrachte heren [A.], [B.] en [C.] door de kantonrechter slechts – zoals door de grif-fier ook vooraf was aangekondigd - als informanten ge-hoord. In het voorgaande ligt besloten dat [X.] geen recht heeft op een contra-enquête. Voor zover [X.] heeft betoogd dat de kantonrechter ten on-rechte zijn specifieke bewijsaanbod heeft gepasseerd, overweegt het hof het volgende. Een ontbindingsverzoek is naar zijn aard spoedeisend. De rechter beslist zonder aan de wettelijke bewijsregels te zijn gebonden. Dit betekent dat de rechter niet gehouden is om ondanks een uitdrukke-lijk bewijsaanbod een bewijsopdracht aan een van partijen te verstrekken. Door [X.] niet toe te laten tot bewijsle-vering heeft de kantonrechter derhalve geen rechtsregel of fundamenteel rechtsbeginsel geschonden. 4.3.5. Aan de kantonrechter komt een zekere mate van be-leidsruimte toe bij het bepalen van het aantal informanten dat hij voorafgaand aan het nemen van een beslissing wenst te horen. Aangezien de kantonrechter zich, gelet op de ter zitting gegeven informatie van de door [Y.] voorgebrachte informanten, kennelijk genoegzaam voorgelicht achtte, stond het hem vrij de door [X.] voorgestelde informanten niet alsnog te horen. Daardoor heeft de kantonrechter geen rechtsregel of fundamenteel rechtsbeginsel geschonden. 4.4. In de tweede plaats heeft [X.], kort gezegd, het vol-gende aangevoerd. De kantonrechter heeft de rechtens relevante feiten en om-standigheden (i) zoals die zich hebben voorgedaan na de mondelinge behandeling van 14 september 2005 en (ii) de sedertdien door [X.] gevoerde verweren (onder andere met betrekking tot het opzegverbod en de verandering van om-standigheden) onjuist weergegeven. De kantonrechter heeft zijn beslissing (die ondermeer inhoudt dat aan [X.] geen ontbindingsvergoeding wordt toegekend) gebaseerd op deze onjuiste feiten. De kantonrechter heeft daardoor het fun-damentele rechtsbeginsel geschonden van een goede pro-cesorde en het motiveringsbeginsel. 4.4.1. Het hof overweegt als volgt. De enkele omstandigheid dat de kantonrechter bij het ge-ven van zijn beslissing uitgaat van een feitelijke vast-stel-ling die afwijkt van hetgeen partijen dienaangaande hadden gesteld, levert geen schending op van een funda-menteel rechtsbeginsel, waardoor geen sprake meer is van een eerlijk en onpartijdig proces. Dat [X.] zich in deze vaststelling van de feiten niet kan vinden, kan in hoger beroep gelet op de strekking van art. 7:685 lid 11 BW niet meer aan de orde komen. Dit zou slechts anders zijn, indien de kantonrechter tot zijn onjuiste vaststelling zou zijn gekomen door zich ambtshalve, buiten partijen om, in een onderzoek aangaan-de de feiten te begeven, zonder partijen in de gelegen-heid te stellen, zich omtrent de uitkomst van zodanig on-derzoek uit te laten. Dat dit in het onderhavige geval zou zijn geschied, is ten processe evenwel gesteld noch gebleken. Voor zover [X.] heeft aangevoerd dat de kantonrechter zijn oordeel onvoldoende en onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, gaat hij er ten onrechte aan voorbij dat een motiverings-ge-brek op zichzelf genomen geen aanleiding kan geven tot doorbreking van het appelverbod, aangezien dit geen veron-acht-zaming oplevert van een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. art. 7:685 lid 1 BW ten onrechte buiten toepassing laten 4.5. [X.] heeft aangevoerd dat de kantonrechter art. 7:685 lid 1 derde volzin BW ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten door het verzoek in te willigen zonder dat hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband hield met een opzegverbod. 4.5.1. Het hof oordeelt als volgt. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter onder meer overwogen: “Daar [X.] ook zelf aangeeft dat diens arbeidsongeschiktheid geen verband houdt met diens werk-zaamheden en met het onderhavige onderzoek, staat die ar-beidsongeschiktheid de verzochte ontbinding niet in de weg.” Hieruit blijkt dat de kantonrechter (i) zich in het on-derhavige geval heeft afgevraagd of het verzoek verband houdt met het bestaan van het in art. 7:670 lid 1 BW neergelegde opzegverbod en (ii) deze vraag vervolgens ontkennend heeft beantwoord. De kantonrechter heeft art. 7:685 lid 1 derde volzin BW derhalve niet buiten toepas-sing gelaten. art. 7:685 lid 8 BW ten onrechte buiten toepassing laten en/of buiten het toepassingsgebied van dit artikel treden 4.6. [X.] heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten on-rechte art. 7:685 lid 8 BW buiten toepassing heeft gela-ten danwel buiten het toepassingsgebied van dit artikel is getreden door op grond van onjuiste feiten aan hem geen vergoeding toe te kennen. 4.6.1. Het hof overweegt als volgt. Materiële misslagen, anders dan ten aanzien van de aan- of afwezigheid van een arbeidsovereenkomst, kunnen niet via een beroep op het ten onrechte treden buiten het toe-passingsgebied van art. 7:685 BW danwel op het ten on-rechte buiten toepassing laten van voormeld artikel wor-den hersteld. 4.7. Het slotsom is dat de aangevoerde beroepsgronden geen aanleiding geven tot doorbreking van het in art. 7:685 lid 11 BW neergelegde rechtsmiddelenverbod. Het be-roep dient derhalve te worden verworpen. Dit brengt mee dat het hof niet toekomt aan de behandeling van grief VI. 4.8. [X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij wor-den veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. 5. De uitspraak Het hof: verwerpt het beroep; veroordeelt [X.] in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van [Y.] € 248,- tot op heden begroot op € 244,- we-gens verschotten en op € 1.788,- wegens salaris procureur. Deze beschikking is gegeven door mrs. Koster-Vaags, Grap-perhaus en Spoor ter openbare terecht-zitting van dit hof van 22 augustus 2006.