Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0599

Datum uitspraak2006-05-23
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200500843
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beschikking 8 december 2005: 1) verzoek in hoger beroep tot benoeming bijzonder curator over (onder curatele gestelde) zoon afgewezen. Het hof heeft hiertoe overwogen dat blijkens art. 1:385 lid 1 BW art. 1:250 BW van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard bij een ondercuratelestelling. Uit deze artikelen volgt dat wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding dan wel het vermogen van de curandus, de belangen van de curator in strijd zijn met die van de curandus, de rechter, indien hij dit in het belang van de curandus noodzakelijk acht, een bijzonder curator kan benoemen. Naar het oordeel van het hof is in dezen onvoldoende gesteld danwel gebleken dat er sprake van een belangentegenstelling tussen de huidige curator en de zoon. Het gaat immers om het afleggen van rekening en verantwoording van de man als gewezen curator aan de huidige curator. 2) Uit artikel 1:374 lid 2 BW, dat op grond van artikel 1:385 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is, volgt dat bij geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording tussen de gewezen en de nieuwe curator rijzen, de rechter beslist. Uit de processen-verbaal van 7 juli 2004 en 29 november 2004, de beschikkingen van de rechtbank waarvan beroep en de verklaringen ter zitting blijkt dat er over de jaren 2001, 2002 en 2003 geen geschillen (meer) zijn tussen de man en de huidige curator. Weliswaar bestaan er thans over deze jaren nog geschillen tussen de vrouw enerzijds en de man en de huidige curator anderzijds, echter de uitleg van artikel 1: 374 lid 2 BW brengt mee dat de rechter - slechts - geschillen tussen de oude en nieuwe curator beslist. 3) Uit de overgelegde stukken met betrekking tot de rekening en verantwoording van de man over de jaren 1999 en 2000 is het hof niet voldoende gebleken dat over deze jaren rekening en verantwoording aan de kantonrechter is afgelegd. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen alsnog rekening en verantwoording af te leggen over de jaren 1999 en 2000. Beschikking 23 mei 2006 Het hof verklaart de rekening en verantwoording over 1999 en 2000 alsnog deugdelijk nu daar geen geschillen over bestaan tussen de man als gewezen curator en de huidige curator.


Uitspraak

EB 23 mei 2006 Rekestenkamer Rekestnummer R200500843 GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH Eindbeschikking In de zaak in hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats], appellante, de vrouw, procureur mr. P.A.M. Verkuijlen, t e g e n [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, de man. Belanghebbende: [Belanghebbende] hierna: [A.], wonende te [woonplaats], in zijn hoedanigheid van opvolgend curator van [B.] (hierna: [B.]). Als vervolg van de op 8 december 2005 door het hof tussen partijen gegeven beschikking. 6. De tussenbeschikking van 8 december 2005 Bij deze beschikking heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden, teneinde de man in de gelegenheid te stellen alsnog door middel van een deugdelijk, schriftelijk en door een boekhouder gemaakt rapport, vergezeld van de nodige onderliggende stukken, rekening en verantwoording af te leggen over de jaren 1999 en 2000. 7. De verdere loop van het geding in hoger beroep 7.1. Op 3 februari 2006 zijn de door het hof aan de man verzochte rapporten over de jaren 1999 en 2000, voorzien van bewijs- stukken, ter griffie van het hof gedeponeerd. Hiervan is op 21 februari 2006 een depotakte opgemaakt. Zowel de vrouw als [A.] hebben schriftelijk op deze stukken gereageerd, waarna het hof een nadere mondelinge behandeling heeft bepaald en alle betrokkenen wederom zijn gehoord. 7.2. De nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2006. Bij die gelegenheid zijn de vrouw en haar advocaat mr. Verkuijlen, de man en [A.] gehoord ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling (comparitie van partijen) bevindt zich bij de stukken. 7.3. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw en haar advocaat geen inzicht hebben gehad in de bewijsstukken overgelegd bij de rapporten over de jaren 1999 en 2000. Met de vrouw en de advocaat is nadien een afspraak gemaakt zodat zij deze stukken alsnog konden inzien. Bij brief van 4 april 2006 heeft de vrouw op deze stukken gereageerd. 7.4. Het hof heeft in vervolg op de stukken genoemd in de beschikking van 8 december 2005 nog kennis genomen van de inhoud van: - de stukken van de man, gedeponeerd ter griffie op 3 februari 2006; - een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 1 maart 2006; - een brief van [A.], d.d. 6 maart 2006; - een faxbericht met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 21 maart 2006; - een faxbericht met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 22 maart 2006; - pleitaantekeningen van de advocaat van de vrouw, overgelegd bij de mondelinge behandeling d.d. 27 maart 2006; - een brief van de vrouw, overgelegd bij de mondelinge behandeling d.d. 27 maart 2006; - stukken, overgelegd door de man bij de mondelinge behandeling d.d. 27 maart 2006; - een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 4 april 2006; - een brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 14 april 2006; Op 1 mei 2006 is ter griffie een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw binnengekomen. Het hof heeft deze brief abusievelijk retour gezonden aan de advocaat van de vrouw. Bij brief van 13 mei 2006 heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen de terugzending van voornoemde brief. Naar aanleiding hiervan heeft het hof alsnog kennis genomen van de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw van 1 mei 2006. 8. De verdere beoordeling 8.1. Naar aanleiding van schriftelijke reacties en hetgeen ter zitting van 27 maart 2006 naar voren is gekomen, overweegt het hof als volgt. [A.] heeft zowel in zijn brief van 6 maart 2006 als ter zitting –desgevraagd- naar voren gebracht dat er aan zijn zijde geen bezwaren zijn tegen de rekening en verantwoording over de jaren 1999 en 2000 zoals ingediend door de man. In rechtsoverweging 4.5.2. van voornoemde tussenbeschikking, heeft het hof overwogen dat uit artikel 1:374 lid 2 BW volgt dat –slechts- bij geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording tussen de gewezen en de nieuwe curator rijzen, de rechter beslist. Anders dan de vrouw (mr. Verkuijlen) ter comparitie (andermaal) heeft betoogd, blijven conflicten tussen de vrouw als belanghebbende en de man als gewezen curator derhalve buiten beschouwing. Nu gebleken is dat er géén geschillen bestaan tussen de gewezen curator –de man- en de huidige nieuwe curator, zal het hof de rekening en verantwoording over de jaren 1999 en 2000 deugdelijk verklaren. 8.4. Met inachtneming van hetgeen dit hof in de tussenbeschikking van 8 december 2005 heeft overwogen, zal het hof de bestreden beschikkingen van de rechtbank d.d. 27 oktober 2004 en 11 mei 2005 vernietigen voor zover daarbij is overwogen en beslist dat de jaren 1999 en 2000 niet in de rekening en verantwoording betrokken behoeven te worden en zal het hof de beide beschikkingen waarvan beroep voor het overige bekrachtigen, en de verzoeken van de vrouw met betrekking tot benoeming van een bijzonder curator en een financieel deskundige afwijzen. 8.5. In de aard van de procedure ziet het hof aanleiding de proceskosten van dit hoger beroep te compenseren. 5. De beslissing Het hof: Vernietigt de beschikkingen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2004 en 11 mei 2005 voorzover daarbij is overwogen en beslist dat de jaren 1999 en 2000 niet in de rekening en verantwoording betrokken behoeven te worden; verklaart de door [geintimeerde] aan [A.] alsnog afgelegde eindrekening en verantwoording met betrekking tot het curatelebewind over [B.] over de jaren 1999 en 2000 deugdelijk; bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 oktober 2004 en 11 mei 2005 voor het overige; wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte, met name de verzoeken van de vrouw tot benoeming van een bijzonder curator en een deskundige; compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Zinnen, Smeenk-van der Weijden en Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 mei 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.