
Jurisprudentie
AZ0597
Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/642394-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/642394-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
art. 73 Wet Personenvervoer biedt géén wettelijke basis voor een gebiedsontzegging voor de duur van een maand. Handelen in strijd met een dergelijk bevel levert dan ook niet het misdrijf van art. 184 Sr op.
Uitspraak
Parketnummer van de berechte zaak: 10/642394-06
Datum uitspraak: 18 oktober 2006
Verstek
VONNIS
van de RECHTBANK ROTTERDAM, enkelvoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres] [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 04 oktober 2006.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de dagvaarding. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijde genummerd A1).
DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. Van der Heem heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven -
- de bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;
- de veroordeling van de verdachte, voor alle feiten gezamenlijk, tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) weken.
MOTIVERING
Blijkens de stukken is verdachte op 23 februari 2006 door Scheefhals, surveillant van politie, Mouthaan, surveillant van politie en Wolters, aspirant van politie, beiden werkzaam bij het Korps Landelijke Politie Diensten, Dienst Spoorwegpolitie, unit Rotterdam, bevolen om met ingang van 23 februari 2006 te 21:21 uur tot 23 maart 2006 te 21.20 uur geen gebruik te maken van het station Rotterdam-Centraal dan wel van een aantal nader omschreven tot het openbaar vervoer behorende voorzieningen. In het bevel wordt vermeld dat verdachte zich reeds eerder schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een overtreding genoemd in de Wet- of het Besluit Personenvervoer 2000. Concrete aanleiding voor dit bevel is kennelijk de overtreding van verdachte van het rookverbod zoals dat geldt op het station Rotterdam Centraal.
Op 25 juli 2006, te 22:45 uur, is aan verdachte een inhoudelijk gelijk bevel overhandigd ten aanzien van de periode van 25 juli 2006 te 22.45 uur tot 25 augustus 2006 te 22.45 uur, ditmaal gegeven door De Leeuw, hoofdinspecteur van politie, en Groeneveld, hoofdagent van politie, beiden werkzaam bij het Korps Landelijke Politie Diensten, Dienst Spoorwegpolitie te Rotterdam. Concrete aanleiding voor dit bevel was kennelijk de omstandigheid dat verdachte zich in kennelijke staat van dronkenschap in de passagierstunnel bevond.
Het bevel is telkens gebaseerd op de artikelen 73 en 87 van de Wet Personenvervoer 2000 (hierna: WPv 2000).
Aan de verdachte wordt verweten dat hij bij vijf gelegenheden geen gevolg heeft gegeven aan een krachtens wettelijk voorschrift (artikel 73 WPv 2000) gedaan bevel, gedaan door surveillanten en/of aspirant-agenten, allen van politie te Rotterdam, welke bevelen inhielden dat verdachte gedurende een in het desbetreffende bevel omschreven periode geen gebruik mocht maken van het station Rotterdam-Centraal, dan wel van de in dat bevel omschreven tot het openbaar vervoer behorende voorzieningen.
Juridische grondslag van het bevel
De eerste vraag die - gelet op HR 24 september 2002, NJ 2003, 80 - beantwoord dient te worden is of de bevelen telkens krachtens de in de tenlastelegging genoemde wetsbepaling is gegeven en daarmee of van rechtmatige bevelen in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht sprake is. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
Het opzettelijk niet voldoen aan een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel tot verwijdering is in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht als misdrijf met straf bedreigd. De Hoge Raad heeft in het hierboven genoemde arrest overwogen dat van een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel slechts sprake kan zijn indien dit bevel is gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift en in overeenstemming met een op dat voorschrift berustende bevoegdheid. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 184 Wetboek van Strafrecht dient de rechter dan ook te onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijk voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig gegeven. De strafrechter dient om tot een bewezenverklaring te kunnen komen zelf na te gaan of het betreffende bevel zowel wat de wijze van totstandkomen als wat zijn inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften en de algemene rechtsbeginselen.
De eerdergenoemde verbalisanten en de officier van justitie baseren de gestelde bevoegdheid op artikel 73 WPv 2000. Dit artikel luidt:
'Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op de volgen die door of vanwege de vervoerder duidelijk kenbaar zijn gemaakt.'
In artikel 74, eerste lid, aanhef en onder b WPv 2000 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over de wijze waarop de in dat artikel bedoelde aanwijzingen onder meer kunnen worden gegeven. Daarnaast bepaalt artikel 87, derde lid WPv 2000 dat met het toezicht ex artikel 73 WPv 2000 mede personen die daartoe door de vervoerder zijn aangewezen kunnen worden belast.
In dit verband wordt opgemerkt dat in de desbetreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit Personenvervoer 2000 (Stb 2000, 563) niet wordt uitgewerkt door wie en op welke wijze de gedragsnormen kunnen worden gehandhaafd.
In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 73 WPv 2000 wordt volstaan met een verwijzing naar de artikelen van de inmiddels vervallen Wet personenvervoer (de voorloper van de Wet Personenvervoer 2000, inwerkingtreding 01-01-1988, Stb. 1987, 175, hierna te noemen WPv oud). Artikel 33 van deze inmiddels vervallen wet bepaalde dat de reiziger verplicht is de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen, die door of vanwege de vervoerder, die openbaar vervoer verricht, duidelijk kenbaar zijn gemaakt. Noch in de wettekst, noch in de parlementaire geschiedenis omtrent dit wetsartikel zijn aanwijzingen te vinden voor het besteden van parlementaire aandacht inzake handhaving van deze bepaling door de sterke arm. Dit artikel 33 WPv oud is slechts door de Eerste Kamer (summier) behandeld. Uit de relevante kamerstukken (Kamerstukken I, 18 985, nr. 39b), blijkt dat artikel 33 WPv oud ertoe dient om 'baldadige reizigers tot rust te manen, voetbalsupporters van concurrerende clubs naar verschillende rijtuigen of treinen te dirigeren of supporters die als zodanig kenbaar zijn naar speciale voetbaltreinen onder geleide van politie en getraind personeel te verwijzen'.
Hieruit wordt geconcludeerd dat de wetgever met het opstellen van dit artikel niet heeft voorzien of bedoeld een bevel als in de onderhavige zaak is gegeven, mogelijk te maken. Veeleer ziet het op een aanwijzing om (kortstondige) verwijdering mogelijk te maken. De langdurige inbreuk op de persoonlijke bewegingsvrijheid welke een bevel als in de onderhavige zaak is gegeven met zich meebrengt, verhoudt zich immers niet met de voorbeelden die in de parlementaire behandeling zijn genoemd.
Gelet op het bovenstaande, biedt artikel 73 WPv géén wettelijke basis voor de bevelen zoals die zijn gegeven, zodat geen sprake is van een rechtmatig bevel. Verdachte dient van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
BESLISSING
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Zwaneveld, politierechter,
in tegenwoordigheid van Balk, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 oktober 2006.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.