Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0589

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 06/2249
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 27a van de WW en artikel 3 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenplicht. Naar het oordeel vande rechtbank is een boete van € 715,- in dit geval niet in overeenstemming met de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 06/2249 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2006 inzake [appellant] wonende te [woonplaats], eiser, en de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder. Inleiding 1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van 24 mei 2006, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 februari 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan eiser op grond van artikel 25 en 27a van de werkloosheidswet (WW) een boete opgelegd van € 715,-, omdat hij zijn verplichting tot informatieverstrekking niet is nagekomen. 1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 15 september 2006, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.P.H. Zwijnenberg, advocaat te Den Haag. Namens verweerder is verschenen M. Florijn, werkzaam bij het Uwv. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan verweerder op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. 2.2 Ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de WW legt verweerder de werknemer, die de verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen, een boete op van ten hoogste € 2.269,-. Het tweede lid van artikel 27a van de WW bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel 27a, zevende lid, van de WW bepaalt voorts dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid van artikel 27a van de WW. 2.3 Artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Besluit van 14 oktober 2000, Stb. 462 (hierna: het Boetebesluit), dat onder meer is gebaseerd op het zevende lid van artikel 27a van de WW, bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag. Ingevolge het tweede lid van artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de boete naar boven afgerond op een veelvoud van € 11,-. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingbedrag en niet wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wordt de boete op grond van het derde lid van artikel 2 vastgesteld op € 45,-. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit wordt de boete die is berekend met toepassing van artikel 2, indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, verhoogd of verlaagd. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In artikel 27e van de WW is bepaald dat een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het Uwv de werknemer overeenkomstig het bepaalde in artikel 27b, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, indien terzake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het Uwv heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld. 2.4 Verweerder heeft aan de boeteoplegging ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 25 niet is nagekomen, omdat hij op zijn werkbriefjes over de periode van 27 maart 2003 tot 20 februari 2005 ten onrechte heeft aangegeven dat zijn registratie als werkzoekende bij het CWI is verlengd, terwijl achteraf is gebleken dat hij gedurende de genoemde periode niet als werkzoekende bij het CWI ingeschreven heeft gestaan. Verweerder heeft de hoogte van de boete gebaseerd op het bruto bedrag van € 7.110,45 dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht ten onrechte over de periode 6 april 2004 tot en met 20 februari 2005 aan eiser is uitbetaald. 2.5 Voor de voorafgaande feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 14 maart 2006 SBR 05/2734. In die uitspraak was aan de orde het beroep van eiser tegen het besluit van 17 augustus 2005, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 april 2005 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan eiser een maatregel opgelegd wegens het niet voldoen aan de verplichting zijn registratie als werkzoekende bij het CWI tijdig te doen verlengen. 2.6 Nu eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 14 maart 2006 staat in rechte vast dat eiser in de periode 28 november 2003 tot en met 5 april 2005 niet als werkzoekende stond ingeschreven bij het CWI en dat ten aanzien van dit niet ingeschreven staan geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Nu eiser desondanks op zijn werkbriefjes die betrekking hebben op deze periode heeft aangegeven dat hij is geregistreerd als werkzoekende bij het CWI, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. 2.7 De rechtbank volgt niet het standpunt van eiser dat hij tweemaal wordt gestraft voor hetzelfde feit. Het besluit van 15 april 2005 is immers gebaseerd op de in artikel 26 van de WW neergelegde verplichting om zich als werkzoekende bij het CWI te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen. Het thans bestreden besluit heeft daarentegen betrekking op het niet voldoen aan de inlichtingenplicht op grond van artikel 25 van de WW. Op grond van het artikel 27a van de WW is verweerder dan ook verplicht een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 25 van de WW. 2.8 Met betrekking tot het argument van eiser dat hij gelet op de uitlatingen van verweerder ter zitting van 31 januari 2006 in het beroep SBR 05/2734 erop mocht vertrouwen dat geen boete zou worden opgelegd, overweegt de rechtbank het volgende. In de aantekeningen van het verhandelde ter zitting heeft de griffier vermeld dat verweerder, naar aanleiding van de stelling van eiser dat er aangifte is gedaan bij de Officier van Justitie, heeft verklaard dat de parketsecretaris heeft meegedeeld dat er geen proces-verbaal wordt opgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze mededeling - nog daargelaten de omstandigheid dat het opleggen van de boete in artikel 25 dwingend is voorgeschreven - niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat verweerder geen boete zou opleggen. Voorts overweegt de rechtbank dat aan eiser bij brief van 12 mei 2005 is meegedeeld dat aangifte is gedaan bij de Officier van Justitie en dat aan hem bij brief 8 februari 2006 is meegedeeld dat de Officier van Justitie heeft besloten zijn zaak niet te vervolgen. Bij laatstgenoemde brief is daarnaast aan eiser meegedeeld dat verweerder het voornemen heeft een boete op te leggen wegens schending van de inlichtingenplicht en is hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen omtrent dit voornemen kenbaar te maken. Vervolgens is de boete opgelegd bij het besluit van 22 februari 2006. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij het opleggen van de boete de in artikel 27e van de WW gestelde termijnen in acht genomen. Het bezwaar van eiser dat verweerder vanwege toezeggingen en tijdsverloop niet meer gerechtigd zou zijn een boete op te leggen, treft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel. 2.9 Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde boete overweegt de rechtbank dat verweerder deze in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit heeft gerelateerd aan de hoogte van de als gevolg van de opgelegde maatregel onverschuldigd betaalde uitkering. 2.10 De rechtbank staat thans voor de beantwoording van de vraag of er in dit geval voor verweerder aanleiding bestond om gebruik te maken van zijn in artikel 3 van het Boetebesluit neergelegde bevoegdheid om de boete lager vast te stellen vanwege de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Verweerder heeft in dit kader ter zitting aangegeven dat het Besluit afstemming boete werknemers (Stcrt 2001, 2), waarin het beleid ter zake is neergelegd, er niet in voorziet een lagere boete op te leggen vanwege de ernst van de gedraging. 2.11 De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat niet gezegd kan worden dat het beleid van verweerder om slechts onder zeer bijzondere omstandigheden af te wijken van het in het Boetebesluit neergelegde uitgangspunt dat de hoogte van de boete wordt gerelateerd aan de hoogte van het benadelingsbedrag, op zichzelf in strijd komt met een redelijke beleidsuitoefening. De hoogte van de boete van € 715,-, waar dit uitgangspunt in dit geval toe leidt, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden echter niet in overeenstemming met de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat het in feite gaat om een eenmaal gemaakte fout, gebaseerd op de onjuiste veronderstelling van eiser dat hij door het updaten van zijn curriculum vitae (cv) via internet, zijn inschrijving bij het CWI had verlengd. Eiser heeft deze fout bij het invullen van het werkbriefje telkens herhaald. De rechtbank acht dit een andere situatie dan de werknemer die bij het invullen van zijn briefje telkens ten onrechte aangeeft dat hij in de betreffende periode bijvoorbeeld geen werkzaamheden heeft verricht of in strijd met de waarheid opgeeft dat hij sollicitaties heeft verricht. In dat geval wordt elke keer bij het invullen van het werkbriefje bewust onjuiste informatie verstrekt. Voorts overweegt de rechtbank dat de onverschuldigde betaling in het geval van eiser niet heeft plaatsgevonden als gevolg van het feit dat hij vanwege verrichte werkzaamheden geen of minder recht op WW had, maar als gevolg van de hem opgelegde maatregel vanwege het feit dat hij niet meer stond ingeschreven als werkzoekende bij het CWI. Onder deze omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank aanleiding moeten zien om ten gunste van eiser van dit beleid af te wijken. Aan dit oordeel doet niet af dat de rechtbank bij de uitspraak van 14 maart 2006 heeft geoordeeld dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij het verzuim van eiser zijn inschrijving te verlengen en dat eisers beroep in die zaak ongegrond is verklaard. Daartoe wordt overwogen dat het voorschrift om ingeschreven te staan bij het CWI betrekking heeft op de inschakeling in arbeid. Doordat eiser gedurende de in geding zijnde periode niet ingeschreven stond heeft hij wellicht kansen tot bemiddeling misgelopen, in welk geval er daadwerkelijk sprake zou zijn van een benadelingshandeling. Het verstrekken van informatie aan verweerder over het al of niet ingeschreven staan bij het CWI strekt er daarentegen toe verweerder in de gelegenheid te stellen controle uit te oefenen en zonodig corrigerend op te treden. De boeteoplegging vanwege overtreding van dit voorschrift, zijnde een criminal charge, heeft dan ook een ander karakter dan de opgelegde maatregel. 2.14 Op grond van het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen toepassing gegeven aan de in artikel 3 van het Boetebesluit neergelegde bevoegdheid tot matiging van de boete wegens de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Dit besluit is om die reden evenmin in overeenstemming met het bepaalde in artikel 27a, tweede lid, van de WW op grond waarvan de hoogte van de boete wordt afgestemd op - onder meer - de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden zou een boete van € 45,- wel in overeenstemming met voornoemde bepaling kunnen worden geacht. 2.15 Al hetgeen hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van 24 mei 2006 wegens strijd met artikel 27a, tweede lid, van de WW en artikel 3 van het Boetebesluit voor vernietiging in aanmerking komt. 2.16 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt €322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Beslissing De rechtbank 3.1 verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2006 gegrond; 3.2 vernietigt het besluit van 24 mei 2006; 3.3 draagt verweerder op om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen; 3.1 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van €644,-; 3.5 bepaalt dat het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,- aan hem wordt vergoed; 3.6 wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te betalen; Aldus vastgesteld door mr.S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2006. De griffier: De rechter: Mr. S. Meurs mr. S. Wijna Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Zaaknummer: SBR 06/2249 blad 5 uitspraak