
Jurisprudentie
AZ0588
Datum uitspraak2006-08-30
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers48890 KG 05-153
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers48890 KG 05-153
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
gewraakt uitlatingen van gedaagden over eiser op een website.
eiser vordert materiele schadevergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht, voorzieningenrechter
Vonnis van 30 augustus 2005 in de zaak van:
Kort gedingnr.: 153/2005
1. [eis[eiser],
wonende te Vlissingen,
2. Adviesburo [eiser] v.o.f.,
gevestigd te Vlissingen,
eisers,
procureur: mr. J.M. van Koeveringe-Dekker,
advocaat: mr. J. Mikes te Rotterdam,
tegen:
1. [gedaagde sub 1],
2. [gedaagde sub 2],
beiden wonende te Vlissingen,
gedaagden,
procureur: mr. C.J. IJdema,
advocaat: mr. A.W.M. Roozeboom te Schiedam.
1. Het verloop van het geding
Partijen worden verder aangeduid als [eiser][gedaagde sub 1]gden]
Ter terechtzitting van 23 augustus 2005 heeft [eiser], kort samengevat, een gebod gevorderd tot het verwijderen en verwijderd houden van uitlatingen op een website zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede een bedrag aan schadevergoeding, met veroordeling [gedaagde sub 1]gden] in de kosten van dit gedin[gedaagde sub 1]gden] hebben verweer gevoerd.
Na verder debat is vonnis gevraagd.
De inhoud van de overgelegde processtukken, waaronder pleitnota’s en producties zijdens beide partijen, geldt als hier ingelast.
2. De feiten
In het geding wordt van de navolgende feiten uitgegaan:
2.1. [eiser] handelt onder de naam Adviesburo [eiser] v.o.f. te Vlissingen en werkt veel voor plaatselijke overheden. Gelet op de aard van de werkzaamheden is het adviesburo in belangrijke mate afhankelijk van de goede naam van [eiser], mede gelet op de integriteit van zijn persoon.
2.2. Tussen [eiser] en mevrouw [gedaagde sub 1] is bij deze rechtbank een procedure aanhangig geweest ten aanzien van aantasting van de integriteit, de eer en goede naam van [eiser] door uitlatingen van mevrouw [gedaagde sub 1] onder pseudoniem Midrasj op een ontmoetingsplaats op het internet.
Bij vonnis van deze rechtbank van 21 januari 2004 zijn de uitlatingen van mevrouw [gedaagde sub 1] “Jim [eiser] is een vrijmetselaar van dubieuze faam. Hij staat niet goed bekend. In maçonnieke kring wordt dit met de mantel der broederliefde bedekt om eventuele schade te beperken. Hij is lang geleden therapeutisch behandeld in de psychiatrische inrichting in Goes.” onrechtmatig jegens [eiser] geoordeeld en is mevrouw [gedaagde sub 1] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,00 wegens immateriële schadevergoeding.
2.3. Ten aanzien van voornoemde uitlating heeft mevrouw [gedaagde sub 1] voorts strafvervolging wegens smaad c.q. belediging voorkomen door betaling van een bedrag van € 350,00 aan het Arrondissementsparket te Middelburg ter voldoening van het transactieaanbod van de officier van justitie. In haar brief aan de officier van justitie schrijft zij, voorzover van belang, het navolgende:
“(…)
Ik zal mij in de toekomst onthouden van het rechtstreeks openbaar maken van stukken inzake deze kwestie, dan wel personen bij naam noemen die hierin een rol spelen c.q. hebben gespeeld.
(…).”
2.4. Op de website http://www.members.lycos.nl/laperlanegra/newpage.html werd tot 15 augustus 2005 bovengenoemde procedure onder publicatie van alle daarop betrekking hebbende stukken zeer uitvoerig beschreven inclusief de achtergrond van die procedure, waarbij de naam van [eiser], ook in het kader van bovengenoemde uitlatingen, meerdere malen wordt genoemd. Deze website begon met de navolgende tekst:
“(…)
Zaterdag 27 maart 2004
Met ingang van deze datum is deze website overgedragen en zal verder worden aangepast.
Vlissingen: Piet de Nooijer.
Mijn vrouw heeft deze website speciaal gemaakt om opening van zaken te geven over de langlopende hetze van Jim [eiser] jegens ons.
(…).””
Na 15 augustus 2005 bestaat op “Google” nog slechts een dode link naar “[eiser]s daden” indien op de naam [eiser] wordt gezocht.
2[gedaagde sub 1]gden] zijn op 20 juli 2005 door [eiser] gesommeerd om de uitlatingen op de onder 2.4. vermelde website te verwijderen en verwijderd te houden.
3. Het geschil
3.1. [eiser] stelt dat hij pas onlangs door twee opdrachtgevers van het adviesburo is gewezen op het bestaan van de website. Teneinde opnieuw en verdere schade te voorkomen heeft hij belang bij de gevraagde voorziening. Voorts is [eiser] doende een eigen website voor het adviesburo op te richten. Deze kan echter niet in werking worden gesteld zolang de link naar de website [gedaagde sub 1]gden] bestaat.
Voorts stelt hij [gedaagde sub 1]gden] beiden verantwoordelijk zijn voor de publicaties op de website, welke website twee maanden na het wijzen van het vonnis van 21 januari 2004 is opgericht. De website is inmiddels wel uit de lucht, maar “googlen” van de naam [eiser] levert nog steeds de link “[eiser]s daden” [gedaagde sub 1]gden] zijn echtelieden, zodat de heer [gedaagde sub 1] op de hoogte moet zijn geweest van de eerdere procedure en het vonnis zoals dit is gewezen tussen [eiser] en mevrouw [gedaagde sub 1]. Bovendien blijkt uit de tekst op de website [gedaagde sub 1]gden] beiden verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de website.
De uitlatingen op de website zijn dezelfde als waarover reeds in voornoemd vonnis is geoordeeld en toen is geoordeeld dat die uitlatingen onrechtmatig zi[gedaagde sub 1]gden] handelen derhalve onrechtmatig jegens [eiser]. Nu zij ondanks het vorige vonnis wederom onrechtmatig handelen en de kans bestaat dat er via een andere constructie en/of stroman weer een andere website wordt opgericht, is het opleggen van een dwangsom gerechtvaardigd.
Door de handelwijze [gedaagde sub 1]gden] heeft [eiser] opnieuw advocaat-, deurwaarderskosten en griffierecht moeten betalen. Gelet op de voorgeschiedenis die[gedaagde sub 1]gden] hierin een tegemoetkoming te betalen.
Doordat de integriteit, de eer en goede naam van [eiser] door de handelwijze [gedaagde sub 1]gden] is aangetast, heeft hij ingevolge voornoemd vonnis recht op vergoeding van de immateriële schade.[gedaagde sub 1]gden] dit opnieuw hebben gedaan en de website gedurende anderhalf jaar toegankelijk is geweest, is een schadevergoeding van
€ 1.000,00 op zijn plaats.
Ten aanzien van de link “Netkwesties” is verzocht het verslag van de vorige procedure tussen [eiser] en mevrouw [gedaagde sub 1] te anonimiseren. Bovendien wordt door de journalist een objectief verslag gedaan waarbij hoor en wederhoor is toegepast, zodat dit niet te vergelijken is met de website [gedaagde sub 1]gden]
3[gedaagde sub 1]gden] betwisten het spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen.
Zij stellen dat de gewraakte website al bijna anderhalf jaar op internet staat, dat zij deze helemaal waren vergeten en dat deze op 15 augustus 2005 is verwijderd. Er bestaat nog slechts een dode link, maar aanklikken daarvan levert geen resultaat op. Bovendien is de webmaster van Google verzocht om de tracering uit te sluiten. Hiermee is de grondslag van de vordering vervallen.
Voorts stel[gedaagde sub 1]gden] dat aan de advocaat van [eiser] is bevestigd dat zij zich in de toekomst zullen onthouden van uitlatingen op het internet met betrekking tot [eiser]. Van [eiser] wordt hetzelfde verwac[gedaagde sub 1]gden] betwisten dat mevrouw [gedaagde sub 1] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de website. Alleen de omstandigheid [gedaagde sub 1]gden] zijn gehuwd, is hiervoor onvoldoende. De website behoorde toe aan de heer [gedaagde sub 1].
Aangezien de website anderhalf jaar op internet heeft gestaan en [eiser] daarvan geen hinder heeft ondervonden, is er geen sprake van schade aan zijn zijde. Bovendien is er een website van Netkwesties actief waarop de gehele kwestie uit de doeken wordt gedaan en daar komt [eiser] er ook niet goed van[gedaagde sub 1]gden] betwisten dat de naam van [eiser] wordt geschaad.
De gevorderde materiele schadevergoeding betreft de buitengerechtelijke kosten. Daarvan is geen specificatie overgelegd en zij hebben betrekking op verrichtingen die in het kader van de proceskostenveroordeling aan de orde komen.
4. De beoordeling
4.1. Tegen de achtergrond dat [eiser] voornemens is om voor het adviesburo een website op te richten en de omstandigheid dat hij pas onlangs achter het bestaan van de gewraakte website en de uitlatingen op die website is gekomen, is voldoende aannemelijk dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen, zodat hij ontvankelijk is in zijn vorderingen.
Dat een derde op zijn website wellicht ook melding maakt van de gewraakte uitlatingen jegens [eiser] maakt niet dat de vordering te[gedaagde sub 1]gden] niet spoedeisend is.
4.2. Het vonnis van 21 januari 2004 is gewezen tussen enerzijds [eiser] en anderzijds mevrouw [gedaagde sub 1]. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde. In dat vonnis zijn de uitlatingen van mevrouw [gedaagde sub 1] over [eiser] onrechtmatig geoordeeld.
Nu het in het kader van deze kort gedingprocedure om dezelfde danwel soortgelijke uitlatingen gaat tegen dezelfde achtergrond als die waarop het vonnis van 21 januari 2004 is gewezen, wordt in het kader van deze kort gedingprocedure voorshands uitgegaan van de onrechtmatigheid van de thans gewraakte uitlatingen op de website.
Vaststaat dat de heer [gedaagde sub 1] in ieder geval verantwoordelijk kan worden gehouden voor de website. Verder is aannemelijk dat hij als echtgenoot van mevrouw [gedaagde sub 1] en de publiciteit die de procedure tussen [eiser] en zijn echtgenote en de inhoud van het tussen hen gewezen vonnis heeft gekregen, daarvan op de hoogte is geweest. Gelet hierop en op de tekst van de website en dan met name zoals aangehaald onder 2.4. is voorshands voldoende aannemelijk [gedaagde sub 1]gden] beiden integraal verantwoorde-lijk kunnen worden gehouden voor het plaatsen van de tekst op de website, dat beiden ook rekening dienen te houden met voornoemd vonnis van de rechtbank en dat zij zich daaraan dienen te houden.
Hoewel de website sinds 15 augustus 2005 niet meer te raadplegen is, bestaat er thans nog wel een dode link naar de website onder de vermelding “[eiser]s daden” indien op internet wordt gezocht op naam van [eiser]. Bovendien heb[gedaagde sub 1]gden] niet aanstonds actie ondernomen om de website te verwijderen nadat zij, voorzover zij deze waren vergeten, aan het bestaan van de website zijn herinnerd door [eiser].
De omstandigheid dat een derde op zijn website eveneens melding maakt van de gewraakte uitlatingen doet aan de onrechtmatigheid van de uitlatingen d[gedaagde sub 1]gden] niet af.
Gelet op het voorgaande en op de omstandigheid dat onder de geschetste omstandig-heden twee maanden na het vonnis van 21 januari 2004 toch deze website is gelanceerd, zal de vordering van [eiser] tot het verwijderen en het verwijderd houden van de uitlatingen op de website worden toegewezen, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat [gedaagde sub 1]gden] al het mogelijke in het werk zullen stellen om te bespoedigen dat bovengenoemde dode link eveneens wordt verwijderd.
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum worden verbonden.
De stellingen [gedaagde sub 1]gden] dat zij door [eiser] in diskrediet worden gebracht en dat hij zich hiervan dient te onthouden, zullen worden gepasseerd aangezien terzake geen reconventionele vordering is ingesteld en dit naar voorlopig oordeel geenszins aannemelijk is gemaakt.
4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de omstandigheden van het geval is het inschakelen van een advocaat door [eiser] teneinde tegen de handelwijze [gedaagde sub 1]gden] op te treden naar voorlopig oordeel niet oneigenlijk en is aannemelijk dat dit hoge kosten met zich meebrengt. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Hoewel de kosten waarvan door [eiser] betaling d[gedaagde sub 1]gden] wordt gevorderd in beginsel kosten betreffen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, wordt voorshands gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding gezien[gedaagde sub 1]gden] naast de proceskostenveroordeling nog hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag aan materiële schadevergoeding van € 1.000,00.
4.4. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is naar voorlopig oordeel niet aannemelijk geworden dat [eiser] ten gevolge van onderhavige gewraakte uitlatingen meer of anders is beschadigd dan naar aanleiding van de uitlatingen die onderwerp waren van de procedure die heeft geresulteerd in het vonnis van 21 januari 2004. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om thans een hoger bedrag aan schadevergoeding toe te wijz[gedaagde sub 1]gden] zullen tegen de achtergrond van hetgeen in het vonnis van 21 januari 2004 onder r.o. 4.9 is overwogen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan immateriële schadevergoeding.
4[gedaagde sub 1]gden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- gebi[gedaagde sub 1]gden] om binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis de uitlatingen die geplaatst waren op de website http://www.members.lycos.nl/ laperlanegra/newspage.html met betrekking tot de reputatie van [eiser] en anderszins omtrent zijn persoonlijkheid en reputatie te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 10.000,00;
- veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 terzake van materiële schadevergoeding en een bedrag van € 500,00 terzake van immateriële schadevergoeding;
- veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 71,93 wegens dagvaardingskosten, € 244,00 wegens griffierechten en € 1.054,00 wegens procureurssalaris;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.M. van Dijke, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van 30 augustus 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.
cb