Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0578

Datum uitspraak2006-10-20
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers03/890026-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte is veroordeeld wegens bijstandsfraude. Het bedrag dat de verdachte en haar (ex-)echtgenoot onterecht hebben ontvangen is weliswaar hoog en de pleegperiode aanzienlijk, doch gelet op de gezondheid van de verdachte, de omstandigheid dat zij samen met haar echtgenoot de zorg draagt voor hun gehandicapte zoon en het slechts zeer geringe recidivegevaar, acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke straf passend.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Strafrecht Parketnummer: 03/890026-05 Datum uitspraak: 20 oktober 2006 Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2006 op tegenspraak ex artikel 279, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats en datum verdachte], wonende te [adres verdachte] De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij in of omstreeks de periode van 1 maart 1996 tot en met 30 januari 2005 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een aan haar ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Periodieke Verklaring", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier niet heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, - zij samenwoonde en/of een gezamenlijke huishouding voerde met [W.] en (vervolgens) dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij in de periode van 1 maart 1996 tot en met 30 januari 2005 in de gemeente Maastricht meermalen een aan haar ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet of de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Periodieke Verklaring", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij valselijk op dat formulier niet heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, - zij een gezamenlijke huishouding voerde met [W.] en dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De partiële vrijspraak De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De bijzondere overweging omtrent het bewijs De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte en haar (ex-)echtgenoot weliswaar uitkeringsfraude hebben gepleegd, doch niet gedurende de gehele door de officier van justitie tenlastegelegde periode. Op grond van de verklaringen van de verdachten, afgelegd bij de sociale recherche, de verklaringen van de buurtbewoners en van de dochters van de verdachten, acht de rechtbank evenwel bewezen dat er tussen de verdachte en haar (ex-)echtgenoot gedurende de gehele tenlastegelegde periode sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding. De bewijsmiddelen De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De kwalificatie Het bewezenverklaarde levert op de strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. De redengeving van de op te leggen straf De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte terzake van het feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat zijn cliënte en haar (ex-)echtgenoot weliswaar uitkeringsfraude hebben gepleegd, doch niet gedurende de hele door de officier van justitie tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman gewezen op de bijzondere omstandigheden waarin zijn cliënte en de medeverdachte verkeerden en heeft hij gewezen op de omstandigheid dat sinds de datum dat de verdachten werden aangehouden, anderhalf jaar zijn verstreken. De raadsman heeft primair gepleit voor schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, gelet op de bijzondere omstandigheden en het tijdverloop. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf. Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende. Bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De officier van justitie heeft de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf gevorderd. Daarbij heeft zij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen en heeft zij overwogen dat een kortere pleegperiode niet zou hebben geleid tot een lagere strafeis. Het bedrag dat de verdachte en haar (ex-)echtgenoot onterecht hebben ontvangen is weliswaar hoog en de pleegperiode aanzienlijk, doch gelet op de gezondheid van de verdachte, de omstandigheid dat zij samen met haar echtgenoot de zorg draagt voor hun gehandicapte zoon en het slechts zeer geringe recidivegevaar, acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke straf, zoals bepleit door de raadsman, passender. De toepasselijke wettelijke bepalingen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. DE BESLISSINGEN: De rechtbank - verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij; - verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is; - veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf van 120 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast; - beveelt dat de opgelegde werkstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit. Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. R. Niessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. Vinken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2006, zijnde mr. R. Niessen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.