
Jurisprudentie
AZ0572
Datum uitspraak2006-08-16
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers46349 HA ZA 05-33
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers46349 HA ZA 05-33
Statusgepubliceerd
Indicatie
'' ...[eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat KSG jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door de ontbindingsverzoeken te baseren op valse gegevens – welke door de kantonrechter, daar-door misleid, zijn overgenomen –, waardoor zij bovendien ten onrechte in langdurige en voor hen slopende procedures zijn betrokken, terwijl KSG wist dat dat hen psychisch zwaar be-lastte....''
''...Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat KSG de ontbindingsverzoeken op valse of onjuiste gegevens heeft gebaseerd....''
Uitspraak
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht
Vonnis van 16 augustus 2006 in de zaak van:
rolnr: 33/05
1. [eiser su[eiser sub 1],
wonende te Middelburg, en
2. [eiser sub 2],
wonende te Vlissingen,
eisers,
advocaat: voor eiser sub 1: mr. H.Th. Schravenmade, voor eiser sub 2: mr. B.H. Vader,
procureur: mr. B.H. Vader,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Schelde Groep B.V.,
gevestigd te Vlissingen,
gedaagde (hierna te noemen: KSG),
advocaat: mr. M.A. Huisman/mr. M.M.C. van der Sanden,
procureur: mr. K.P.T.G. Flos.
1. Het verdere verloop van de procedure
Nu het (incidentele) tussenvonnis van 29 juni 2005 zijn tussen partijen de navolgende processtukken gewisseld:
- conclusie van antwoord;
- conclusie van repliek;
- conclusie van dupliek.
Vervolgens hebben partijen ter zitting van 23 februari 2006 hun standpunten doen bepleiten (bij welke gelegenheid [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stukken in het geding hebben gebracht). Vervolgens is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiser sub 1], geboren op 17 september 1947, is bij KSG in dienst gekomen op 1 december 1964; laatstelijk was hij – bij KSG Maritieme en Industriële Bedrijven B.V. – werkzaam in de func-tie van constructeur/groepsleider tegen een salaris van € 2.806,63 bruto per maand exclusief vakantiegeld. Op verzoek van KSG – nadat de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening (hier-na: RDA) een ontslagvergunning had geweigerd – heeft de kantonrechter te Middelburg de arbeidsovereenkomst tussen [eiser sub 1] en KSG bij beschikking van 3 februari 2000 ontbonden met ingang van 1 september 2000, zulks onder toekenning van een vergoeding aan [eiser sub 1] van € 18.151,-- bruto.
2.2. [eiser sub 2], geboren op 1 oktober 1947, is bij KSG in dienst gekomen op 15 augustus 1966; laatstelijk was hij – bij KSG Maritieme en Industriële Bedrijven B.V. – werkzaam in de functie van coördinator civiele dienst tegen een salaris van € 3.022,18 bruto per maand exclu-sief vakantiegeld. Op verzoek van KSG – nadat de RDA een ontslagvergunning had gewei-gerd – heeft de kantonrechter te Middelburg de arbeidsovereenkomst tussen [eiser sub 2] en KSG bij beschikking van 3 februari 2000 ontbonden met ingang van 1 september 2000, zulks onder toekenning van een vergoeding aan [eiser sub 2] van € 19.512,-- bruto.
2.3. De bedoelde verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten waren gebaseerd op de navolgende – aldus door KSG samengevatte – gronden:
- “KSG bevond zich in zwaar weer. In 1997 was door KSG een verlies uit gewone bedrijfsuitoefening gele-den van fl. 28 miljoen en in 1998 is geen positieve wending opgetreden. Dat jaar werd afgesloten met een verlies van circa fl. 6 miljoen uit gewone bedrijfsuitoefening, waarbij moet worden opgemerkt dat de om-zetwaarde zeer sterk was teruggelopen als gevolg van een afname van het aantal orders (de orderportefeuil-le scheepsnieuwbouw bestond eind 1999 enkel uit 4 fregatten van de Koninklijke Marine, welke order al in 1994 door KSG was verworven) en projecten en door inkrimping van een aantal bedrijven (de terugval be-droeg meer dan 10%).
- Gelijktijdig met het nog niet intreden van financieel herstel in 1998 is KSG in dat jaar geconfronteerd met de Azië-crisis die een belangrijk negatief effect had voor de civiele scheepsbouw. Door verslechterde marktomstandigheden heeft een groot aantal klanten besloten eerder geplande investeringen uit te stellen. Daarnaast heeft de devaluatie van een aantal Aziatische valuta in 1998 ertoe geleid dat de concurrentie met producenten in Aziatische landen nagenoeg onmogelijk was geworden. Daarenboven werd KSG ook gecon-fronteerd met concurrenten uit Azië en Europa die met behulp van nationale subsidies producten tegen prij-zen konden aanbieden waar niet tegen op te concurreren viel.
- De liquiditeitssituatie van de onderneming is in 1998 en begin 1999 nog verder verslechterd als gevolg van de geleden verliezen en (onder meer) de financiële consequenties van de afwikkeling van de reorganisatie van 1997 en 1998. Bovendien hadden gesprekken met de aandeelhouders over vermogensversterking on-danks eerdere verwachtingen niet tot een feitelijke versterking geleid, hetgeen een extra druk legde op de financiële positie van de onderneming. De bank heeft in twee jaar het rekening-courant krediet terugge-bracht van fl. 60 miljoen tot nagenoeg nihil.
- Teneinde te kunnen overleven, was noodzakelijk dat KSG kostendekkend civiele schepen ging bouwen. Anderzijds zou KSG ervoor moeten zorgen dat de orderportefeuille op peil kwam, hetgeen inhield dat zij uitermate concurrerend zou moeten opereren. KSG was genoodzaakt om alle zeilen bij te zetten en maatre-gelen te nemen teneinde te komen tot een kostenreductie. In dat kader diende de organisatie te worden aan-gepast. Deze aanpassingen in de organisatie brachten een personele reorganisatie met zich mee en gingen gepaard met het vervallen van 80 arbeidsplaatsen. De betreffende reorganisatie kondigde zich reeds eind 1998 aan en is na verkregen positief advies van de ondernemingsraden en na overleg met de vakbonden be-gin 1999 in gang gezet.”
3. Het geschil
3.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet dat toe-laat uitvoerbaar bij voorraad, (1) primair KSG veroordeelt om aan elk van hen te vergoeden het contant gemaakte bedrag van hun geïndexeerde laatstverdiende salaris bij KSG vermeer-derd met de werkgeversbijdrage pensioenpremie tot aan de pensioengerechtigde leeftijd te verminderen met eventuele uitkeringen op grond van de sociale verzekeringswetten en de toe-gekende ontslagvergoedingen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de gebruikelij-ke salarisbetaaldagen tot op de dag der algehele vergoeding, (2) subsidiair KSG veroordeelt tot betaling van een ontslagvergoeding conform de Kantonrechtersformule met een factor C = 3 alsmede de wettelijke rente vanaf de ontbindingsdatum tot aan de dag der algehele vergoe-ding, (3) KSG veroordeelt tot vergoeding van immateriële schade veroorzaakt door ten on-rechte gevoerde ontslagprocedures, (4) KSG veroordeelt tot vergoeding van de buitengerech-telijke kosten van deze procedure en van de kosten van alle voorgaande ontslagprocedures en (5) KSG veroordeelt in de kosten van dit geding, waarbij (6) de schade steeds is op te maken bij staat.
3.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat KSG jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door de ontbindingsverzoeken te baseren op valse gegevens – welke door de kantonrechter, daar-door misleid, zijn overgenomen –, waardoor zij bovendien ten onrechte in langdurige en voor hen slopende procedures zijn betrokken, terwijl KSG wist dat dat hen psychisch zwaar be-lastte. KSG heeft bewust haar financieel economische situatie veel slechter voorgesteld dan deze daadwerkelijk was; dat de situatie niet zo slecht was, kan blijken uit een in opdracht van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] door de Stichting Sobi verrichte analyse (er was begin maart 2000 een ruime kredietfaciliteit, de liquiditeit verbeterde in 1999 en 2000, KSG bezat zeer aanzien-lijke stille reserves in de vorm van ongebruikt terrein, de aanwezige orders waren voldoende om de productieafdelingen nagenoeg volledig aan de slag te houden).
De toenmalige president-directeur van KSG [H.] heeft in december 1999 een (in de ontbindingsprocedure aan de kantonrechter overgelegd) interview in NRC Handelsblad doen publiceren, waarin hij overdreven negatieve en onjuiste informatie over de financiële po-sitie van KSG heeft gegeven. Die onjuistheid blijkt uit (eerst later aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bekend geworden) notulen van een besloten vergadering op 21 december 1999 van de Sta-tencommissie Economie van de Provincie Zeeland, waarin bovendien blijkt van een dan al be-staande “letter of intent” met betrekking tot overname door Damen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vragen de rechtbank op grond van art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) KSG te gelasten een in die notulen genoemde brief in het geding te brengen. Voorts stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat het gestelde grote verlies in 1999 is gefingeerd: in de jaarreke-ning van 1999 zijn hoge (reorganisatie- en verhuis-)voorzieningen opgenomen die blijkens de jaarrekening van 2000 in dat jaar grotendeels (althans voor fl. 10 miljoen) weer zijn vrijge-vallen; als – zoals KSG stelt – niet is vrijgevallen, maar onttrokken, dan is in strijd met de toe-passelijke regelgeving in de jaarrekening niet aangegeven waarvoor. De gestelde verlaging van de kredietlimiet door ABN AMRO – volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] door KSG zelf gerealiseerd – is onjuist en wordt voorts weerlegd door de omstandigheid dat in maart 2000 een kredietfaciliteit van fl. 177 miljoen bestond en – naar uit de jaarrekening van 2000 blijkt – ABN AMRO op 9 oktober 2000 met KSG een uitgebreide kredietfaciliteit is overeengeko-men. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] wijzen nog op de omstandigheid dat in 1999 wel een bankga-rantie van fl. 3,5 miljoen kon worden afgegeven ten gunste van [H.], en dat er ontslagvergoedingen waren gereserveerd.
Tenslotte stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat KSG onvoldoende dan wel geheel niet haar ei-gen beleidsvoornemen (op 12 maart 1999 aan haar werknemers medegedeeld) om werkne-mers te herplaatsen of te detacheren heeft uitgevoerd; [eiser sub 1] is enkele maanden gedetacheerd geweest, [eiser sub 2] slechts een week.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben geen herroeping van de beslissing van de kantonrechter als bedoeld in art. 382 Rv gevorderd, omdat zij geen herroeping willen. De onderhavige vorde-ring is gegrond op onrechtmatige daad en gaat uit van een ander feitencomplex dan in de ont-bindingsprocedure aan de orde is geweest. Het staat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vrij deze proce-dure te voeren.
Had KSG de kantonrechter juist geïnformeerd, dat was deze niet tot ontbinding van de ar-beidsovereenkomst gekomen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] achten het dan ook – primair – redelijk dat zij alsnog in de positie worden gebracht waarin zij zouden verkeren als KSG wel haar ver-plichtingen (de eigen beleidslijnen) juist was nagekomen, en vorderen daarnaast vergoeding van de schade, veroorzaakt door de ten onrechte door KSG gedane rechtsvorderingen en ge-voerde procedures. Subsidiair stellen zij dat indien de rechtbank wil aansluiten bij de kanton-rechtersformule, daarbij gelet op de grote verwijtbaarheid aan de zijde van KSG – zij heeft de kantonrechter bewust misleid – een factor C hoger dan 2 is geïndiceerd.
3.3. KSG voert verweer. Primair stelt zij dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2], nu zij in feite spreken over bedrog door KSG, de voor dit specifieke geval (bij uitsluiting) gegeven weg van herroe-ping van de beslissing van de kantonrechter hadden behoren te volgen (art. 382 Rv). Zij had-den binnen drie maanden vanaf het moment dat zij met de grond voor herroeping bekend wa-ren geworden (dat waren de door hen genoemde notulen waarvan zij in juni 2002 hoorden en waarover zij vanaf juni 2003 konden beschikken, en het jaarverslag 2000 van KSG, dat in juli 2001 is gedeponeerd) die herroeping dienen te vorderen. Dat hebben zij niet gedaan; de vor-deringen dienen te worden afgewezen, althans dienen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daarin niet te worden ontvangen.
Subsidiair stelt KSG dat zij geen valse gegevens aan de kantonrechter heeft voorgelegd. Zij betwist de juistheid van het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] overgelegde (partij-)rapport van de niet als onafhankelijk te beschouwen Stichting Sobi. Het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gestel-de omtrent een ruime kredietfaciliteit, een verbeterde liquiditeit in 1999 en 2000, het bezit van zeer aanzienlijke stille reserves in de vorm van ongebruikt terrein en een ruime orderporte-feuille is onjuist. Voor een deel gaan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] uit van de situatie na de overna-me door Damen, daarnaast miskennen zij dat ongebruikt terrein tot zekerheid strekte van door de bank verstrekt krediet en dat een eventuele opbrengst nodig was voor de verhuizing naar Vlissingen-Oost en tenslotte miskennen zij dat het feit dat er in 1999 nog voldoende werk was niet betekent dat er voor de toekomst voldoende orders waren.
De door [H.] in NRC Handelsblad geschetste slechte financiële situatie was niet onjuist of overdreven. De naar aanleiding van het interview ontstane commotie betrof niet die schets; in de Statencommissie Economie is daarover geen discussie geweest (wel over de in het interview gewekte suggestie dat openlijk om staatssteun werd gevraagd). Voor inwilliging van het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gedane verzoek ex art. 843a Rv is geen plaats. Eind 2000 – na de overname door Damen – was het toekomstperspectief uitdrukkelijk anders dan eind 1999 (waarin de onderhavige ontslagprocedures plaatsvonden). Het personeelsbestand van KSG is overigens (ook na de overname door Damen) blijven dalen.
De jaarcijfers over 1999 zijn eerst op 26 juli 2000 vastgesteld en kunnen al om die reden geen rol hebben gespeeld bij de oordeelsvorming van de kantonrechter. Uit die jaarcijfers blijkt een verlies van fl. 137 miljoen; zou met de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als gefingeerd gekwali-ficeerde voorzieningen geen rekening worden gehouden, dan nog moet tot een verlies van fl. 58 miljoen – derhalve aanmerkelijk meer dan de “meer dan fl. 20 miljoen” die aan de kanton-rechter was voorgehouden en waarmee de kantonrechter bij zijn beoordeling rekening heeft gehouden – worden geconcludeerd. In 2000 is een groot deel van de voorzieningen in de jaar-rekeningen vermeld met het opschrift “onttrokken/vrijval”; 90% van het bedrag is daadwerke-lijk besteed/onttrokken (dat in de jaarrekening deze bestedingen niet zijn gespecificeerd raakt niet het belang van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]) en slechts 1% is vrijgevallen.
KSG heeft niet zelf haar kredietlimiet verlaagd; ABN AMRO heeft dat gedaan. De door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gemaakte rekensommen deugen niet. In het kader van de overname door Damen heeft KSG in 2000 een vermogensversterking (van de Staat en de Provincie) ontvan-gen van fl. 100 miljoen; daardoor kon zij in oktober 2000 weer een ruimere kredietovereen-komst met ABN AMRO aangaan.
KSG stelt niet onrechtmatig jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te hebben gehandeld. De enkele verschaffing van een bankgarantie aan [H.] (rechtstreeks voortvloeiend uit al eer-der met hem gemaakte afspraken) kan volgens KSG, gelet op het vorenstaande, niet tot toe-wijzing van de vordering leiden. Waar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] wijzen op de kennelijke mo-gelijkheid ontslagvergoedingen te reserveren, stelt KSG dat zij – naar aanleiding van afspra-ken in het Sociaal Plan – een reorganisatievoorziening heeft getroffen.
Zou de kantonrechter hebben geweten dat er in december 1999 een voorstel voor een “letter of intent” van Damen lag, dan zou dat, gelet op de nog vele onzekerheden op dat moment, volgens KSG niet hebben geleid tot afwijzing van de verzochte ontbinding of tot toewijzing van hogere ontbindingsvergoedingen.
Voor het geval komt vast te staan dat KSG toch onrechtmatig jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft gehandeld, betwist zij dat van enige schade sprake is; beiden hebben een ontbindings-vergoeding, aanzienlijk hoger dan in het Sociaal Plan voorzien, ontvangen. Een schadestaat-procedure acht KSG niet geïndiceerd; zo nodig zullen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] inzicht moeten geven in eventueel inkomen uit andere bronnen dan de sociale verzekeringswetten. KSG be-twist tenslotte dat buitengerechtelijke kosten – door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet toegelicht – zijn gemaakt.
4. De beoordeling van het geschil
4.1. Het primaire verweer van KSG wordt verworpen. De omstandigheid dat voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de mogelijkheid heeft opengestaan om herroeping van het vonnis van de kan-tonrechter in te roepen op grond van – door hen gesteld – door KSG gepleegd bedrog jegens die rechter, staat er niet aan in de weg dat zij (ook) een op onrechtmatige daad gebaseerde aansprakelijkheidstelling van KSG van door ten gevolge van dat bedrog geleden schade bij de civiele rechter in de rechtbank kunnen vorderen. Art. 382 Rv sluit dat niet uit en voorts zijn de voor een dergelijke vordering aan te voeren gronden anders dan die voor herroeping en ook de gevolgen van een eventuele toewijzing ervan zijn anders. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kunnen in hun vordering worden ontvangen.
4.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben naast onrechtmatig handelen in de zin van: het onjuist voorlichten van de RDA en de kantonrechter aan hun vordering ook ten grondslag gelegd de stelling dat KSG jegens hen niet heeft gehandeld naar haar eigen beleidslijnen, immers hen niet heeft herplaatst of gedetacheerd. Die grondslag van de vordering is evenwel nauwelijks nader toegelicht en niet is aangegeven hoe deze grondslag zich verhoudt met de gestelde scha-de – waarbij er steeds van wordt uitgegaan dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun functie bij KSG hadden behouden. De rechtbank zal dan ook aan deze grondslag, als onvoldoende gemoti-veerd, voorbijgaan en (uitsluitend) oordelen over de gestelde onjuiste voorlichting aan de RDA en de kantonrechter.
4.3. Alvorens daar aan toe te komen dient nog te worden beslist op de vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] om op voet van art. 843a Rv KSG te gelasten een brief in het geding te bren-gen. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Genoemd artikel maakt mogelijk dat hij, die daarbij een rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderden van stukken, die betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin hij (of zijn rechtsvoorganger) partij is. De brief waarom [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vragen is een brief van de toenmalige president-directeur van KSG aan de toenmalige minister van economische zaken Jorritsma. Gelet op de blijkens de notulen van de vergadering van de Statencommissie Economie van de Provincie Zeeland (in welke vergadering de brief is rondgegaan) bij die gegeven toelichting acht de rechtbank juist hetgeen KSG thans stelt, nl. dat die brief handelde over door genoemde presi-dent-directeur in een interview in NRC gewekte suggestie dat hij vroeg om staatssteun. Daar-van uitgaande kan niet worden gezegd dat die brief betrekking heeft op een rechtsbetrekking waarbij [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] partij waren. De vordering KSG te gelasten die brief in het geding te brengen wordt afgewezen.
4.4. Dan komt aan de orde de vraag of KSG bewust onjuiste informatie aan haar ontbindings-verzoeken ten grondslag heeft gelegd. Voor zover [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat ook aan de verzoeken om een ontslagvergunning bij de RDA onjuiste gegevens ten grondslag zijn ge-legd, stelt de rechtbank vast dat – zo dat zo zou zijn – [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daardoor, nu de RDA de ontslagvergunning heeft geweigerd, niet in hun belangen zijn geschaad. Dat bete-kent dat alleen de informatievoorziening aan de kantonrechter aan de orde is. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt de informatie door KSG aan de kantonrechter verschaft bij de ontbindingsverzoeken, zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven. Dat de kantonrechter zijn be-slissing ook zou hebben gebaseerd op het in NRC verschenen interview met president-direc-teur Van der Heuvel blijkt niet uit zijn beslissing en is ook anderszins niet aannemelijk ge-worden.
4.4.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen in zijn algemeenheid dat KSG op het moment dat zij de ontbindingsverzoeken indiende niet verkeerde in een slechte financieel-economische situatie zoals zij aan de kantonrechter voorspiegelde. Voorts noemen zij een aantal specifieke punten. Zij beroepen zich daarbij hoofdzakelijk op een rapport van de Stichting Sobi. Dit rapport is eenzijdig opgesteld en wordt door KSG betwist, zodat daarmee met terughoudendheid dient te worden omgegaan.
4.4.2. In genoemd rapport wordt een reeks van argumenten (die slechts ten dele aan de ontbin-dingsverzoeken ten grondslag zijn gelegd) van commentaar voorzien. Bij dat commentaar worden die argumenten gewogen en op hun relevantie beoordeeld. Waar Sobi aangeeft dat de aangevoerde argumenten niet zwaar wegen of zelfs niet relevant zijn, worden daarmee de stel-lingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet ondersteund. Sobi zegt immers niet dat de gestelde argumenten onjuist of vals zijn.
4.4.3. Onjuist noemt Sobi alleen de door KSG gestelde verslechterde liquiditeitspositie en de stelling dat de bank in twee jaar tijd het krediet heeft teruggebracht van fl. 60 miljoen tot na-genoeg nihil. Onduidelijk blijft evenwel hoe Sobi aan haar berekeningen komt en met name in hoeverre daarbij rekening wordt gehouden met financiële ontwikkelingen nadat de overname door Damen tot stand was gekomen (die – hoewel daarover toen al wel werd gesproken – nog niet rond was in de periode waarin de onderhavige ontbindingsverzoeken zijn gedaan en be-oordeeld). Uit het rapport van Sobi blijkt dat zij ook met cijfers uit het jaar 2000 rekent. Dat de liquiditeits- en de kredietpositie van KSG in verband met de overname door Damen verbe-terde betekent niet dat KSG onjuiste gegevens aan de kantonrechter heeft voorgehouden. De ontbindingsverzoeken werden gedaan vanuit de situatie dat een overname niet zeker was en de reorganisatie waarvan zij onderdeel uitmaakten hing samen met de kennelijk noodzakelijke afslanking opdat KSG voor overname voldoende “aantrekkelijk” was. Dat de financiële posi-tie van KSG na uitvoering van die reorganisatie beter was dan daarvoor betekent niet dat de gegevens betreffende de situatie voor de reorganisatie en de vanuit die gegevens ingeschatte zorgwekkendheid van de toekomst onjuist waren. Dat KSG haar kredietpositie zelf zou heb-ben verlaagd wordt wel gesteld, doch niet onderbouwd. Onbetwist is voorts dat het door Sobi genoemde ongebruikte terrein tot zekerheid van de bank strekte; daarmee staat vast dat geen sprake was van een direct in liquiditeiten om te zetten stille reserve. Waar Sobi de orderpor-tefeuille bespreekt wordt aangegeven dat een onderbezetting in de civiele scheepsbouw moge-lijk lijkt; ten aanzien van de marinebouw wijst zij op orders van defensie, die alle betrekking hebben op de periode nadat duidelijk was dat KSG werd overgenomen door Damen. Op geen enkele wijze is gesteld of gebleken dat KSG die orders ook zou hebben gekregen als zij niet had gereorganiseerd en niet door Damen was overgenomen.
4.4.4. Concluderend stelt de rechtbank vast dat het rapport van de Stichting Sobi geen grond oplevert om te komen tot de vaststelling dat KSG in de procedure met betrekking tot de ont-binding van de arbeidsovereenkomsten met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] valse of onjuiste gege-vens aan de kantonrechter heeft voorgelegd.
4.5. Hetgeen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] nog opmerken over de gefingeerde voorzieningen snijdt al geen hout, omdat, naar KSG onbetwist heeft gesteld, ook indien van die voorzieningen wordt geabstraheerd, KSG in 1999 een aanzienlijk verlies, groter dan het door de kantonrech-ter in zijn overwegingen genoemde bedrag van fl. 20 miljoen. Daar waar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voorts erop wijzen dat de voorzieningen werden gefinancierd met staatssteun, dient te worden bedacht dat die steun – wat daar precies van zij – in elk geval samenhing met de overname van KSG door Damen, en dat voorafgaand aan die overname de reorganisatie plaatsvond waarvan de in deze procedure bestreden ontbindingen van arbeidsovereenkomsten onderdeel uitmaakte. Dat er mogelijk na de overname door de staat financiële faciliteiten zijn geboden betekent niet dat de door KSG gestelde moeilijke financiële positie vóór die – zoals hiervoor al aangegeven pas na de reorganisatie zeker geworden – overname er niet was. Ook die stelling leidt derhalve niet tot de conclusie dat KSG onjuiste of valse informatie heeft verschaft.
4.6. Uit het feit dat KSG wel een ruime bankgarantie aan haar toenmalige president-directeur verschafte, kan – los van de vraag of het verstandig was in een tijd waarin KSG naar buiten treedt met berichten over haar slechte financieel-economische positie een dergelijke bankga-rantie te verschaffen – niet worden afgeleid dat het door KSG over haar financieel-economi-sche positie gestelde onjuist was.
4.7. Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat KSG de ontbindingsverzoeken op valse of onjuiste gegevens heeft gebaseerd. Zij heeft jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet onrechtmatig gehandeld. De vorderingen dienen te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vorderingen af;
- veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van KSG begroot op € 241,-- aan griffierecht en € 1.808,-- aan salaris procureur.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 augustus 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.
SD