
Jurisprudentie
AZ0568
Datum uitspraak2006-08-16
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers46350 HA ZA 05-34
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers46350 HA ZA 05-34
Statusgepubliceerd
Indicatie
'' De kern van het verwijt dat [eiser] KSG in deze procedure maakt is dat KSG onjuiste en valse gegevens over haar financieel-economische positie heeft verstrekt, waardoor de kanton-rechter en de RDA op het verkeerde spoor zijn gezet en waardoor uiteindelijk [eiser] is ver-trokken bij KSG.''
''Cruciaal in deze procedure is het antwoord op de vraag of die door [eiser] gestelde on-rechtmatige (dan wel met haar zorgplicht strijdende) gedragingen van KSG in voldoende cau-saal verband staan met de omstandigheid dat [eiser] zelf ontbinding van de arbeidsovereen-komst heeft gevraagd.''
Vordering wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht
Vonnis van 16 augustus 2006 in de zaak van:
rolnr: 34/05
[e[eiser],
wonende te Vlissingen,
eiser,
advocaat: mr. H.Th. Schravenmade,
procureur: mr. B.H. Vader,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Schelde Groep B.V.,
gevestigd te Vlissingen,
gedaagde (hierna te noemen: KSG),
advocaat: mr. M.A. Huisman/mr. M.M.C. van der Sanden,
procureur: mr. K.P.T.G. Flos.
1. Het verdere verloop van de procedure
Nu het tussenvonnis van 30 november 2005 hebben partijen ter zitting van 23 februari 2006 hun standpunten doen bepleiten (ter gelegenheid waarvan [eiser] stukken in het geding heeft gebracht). Vervolgens is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiser], geboren op 7 oktober 1949, is bij KSG in dienst gekomen op 15 juni 1975; laatste-lijk was hij daar werkzaam in de functie van bedrijfsjurist tegen een salaris van € 5.247,06 bruto per maand exclusief vakantiegeld.
2.2. Een verzoek van 10 april 2000 van KSG aan de kantonrechter te Middelburg tot ontbin-ding van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en KSG is bij beschikking van 27 april 2000 afgewezen. Het verzoek was gebaseerd op de navolgende – aldus door KSG samengevatte – gronden:
- “KSG bevond zich in zwaar weer. In 1997 was door KSG een verlies uit gewone bedrijfsuitoefening gele-den van fl. 28 miljoen en in 1998 is geen positieve wending opgetreden. Dat jaar werd afgesloten met een verlies van circa fl. 6 miljoen uit gewone bedrijfsuitoefening, waarbij moet worden opgemerkt dat de om-zetwaarde zeer sterk was teruggelopen als gevolg van een afname van het aantal orders (de orderportefeuille scheepsnieuwbouw bestond eind 1999 enkel uit 4 fregatten van de Koninklijke Marine, welke order al in 1994 door KSG was verworven) en projecten en door inkrimping van een aantal bedrijven (de terugval be-droeg meer dan 10%).
- Gelijktijdig met het nog niet intreden van financieel herstel in 1998 is KSG in dat jar geconfronteerd met de Azië-crisis die een belangrijk negatief effect had voor de civiele scheepsbouw. Door verslechterde markt-omstandigheden heeft een groot aantal klanten besloten eerder geplande investeringen uit te stellen. Daar-naast heeft de devaluatie van een aantal Aziatische valuta in 1998 ertoe geleid dat de concurrentie met pro-ducenten in Aziatische landen nagenoeg onmogelijk was geworden. Daarenboven werd KSG ook gecon-fronteerd met concurrenten uit Azië en Europa die met behulp van nationale subsidies producten tegen prij-zen konden aanbieden waar niet tegen op te concurreren viel.
- De liquiditeitssituatie van de onderneming is in 1998 en begin 1999 nog verder verslechterd als gevolg van de geleden verliezen en (onder meer) de financiële consequenties van de afwikkeling van de reorganisatie van 1997 en 1998. Bovendien hadden gesprekken met de aandeelhouders over vermogensversterking on-danks eerdere verwachtingen niet tot een feitelijke versterking geleid, hetgeen een extra druk legde op de financiële positie van de onderneming. De bank heeft in twee jaar het rekening-courant krediet terugge-bracht van fl. 60 miljoen tot nagenoeg nihil.
- Teneinde te kunnen overleven, was noodzakelijk dat KSG kostendekkend civiele schepen ging bouwen. Anderzijds zou KSG ervoor moeten zorgen dat de orderportefeuille op peil kwam, hetgeen inhield dat zij uitermate concurrerend zou moeten opereren. KSG was genoodzaakt om alle zeilen bij te zetten en maat-regelen te nemen teneinde te komen tot een kostenreductie. In dat kader diende de organisatie te worden aangepast. Deze aanpassingen in de organisatie brachten een personele reorganisatie met zich mee en gin-gen gepaard met het vervallen van 80 arbeidsplaatsen. De betreffende reorganisatie kondigde zich reeds eind 1998 aan en is na verkregen positief advies van de ondernemingsraden en na overleg met de vakbon-den begin 1999 in gang gezet.
- De juridische afdeling van KSG bestond destijds uit twee juristen. De behoefte aan bedrijfsjuridische onder-steuning is vanaf medio 1998 in belangrijke mate af gaan nemen door enerzijds de verregaande inkrimping resp. verkoop van twee van de drie sectoren van KSG en anderzijds door de wijziging in de aard van de or-derportefeuille van de enige overblijvende sector. Uiteindelijk resteerde slechts werk voor één bedrijfsjurist en de arbeidsplaats van [eiser] is komen te vervallen Dit is op 31 maart 1999 aan [eiser] bevestigd.”
2.3. Op 5 juni 2000 heeft [eiser] een vordering tot wedertewerkstelling bij genoemde kanton-rechter ingediend; bij vonnis van 11 december 2000 heeft de kantonrechter die vordering af-gewezen. Inmiddels had KSG op 5 oktober 2000 een ontslagvergunning aangevraagd bij de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening (hierna: RDA), welke vergunning op 20 december 2000 is verleend. Tegen de handelwijze van de RDA heeft [eiser] later (op 31 januari 2001) een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman, welke klacht bij rapport van 19 november 2002 grotendeels gegrond wordt geacht. KSG heeft – met gebruikmaking van de verleende ontslagvergunning – op 22 december 2000 de arbeidsovereenkomst met [eiser] met inachtne-ming van de geldende opzegtermijn tegen 1 juli 2001 opgezegd.
2.4. [eiser] had toen al zelf op 11 december 2000 een verzoek tot ontbinding van de arbeids-overeenkomst bij de kantonrechter te Middelburg ingediend
- daartoe aanvoerend, zoals uit de daarop gewezen beschikking kan worden gelezen – “dat hij de door KSG bij het aangezegde ontslag aangeboden vergoeding onredelijk laag acht, dat hij jegens KSG inmid-dels is moegestreden en het hoofd in de schoot legt en dat het ingediende ontbindingsverzoek ertoe strekt om op de meest korte termijn duidelijkheid te krijgen omtrent de in zijn visie passende beëindi-gingsvergoeding” -
waarop de kantonrechter bij beschikking van 22 februari 2001 de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en KSG met ingang van 30 maart 2001 heeft ontbonden, zulks onder toekenning van een vergoeding aan [eiser] ten bedrage van € 181.512,-- bruto. Het door KSG hiertegen inge-steld hoger beroep is bij beschikking van 24 oktober 2001 van deze rechtbank verworpen.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, primair (1) KSG veroordeelt om aan [eiser] te vergoeden het contant gemaakte be-drag van zijn geïndexeerde laatstverdiende salaris bij KSG vermeerderd met de werkgevers-bijdrage pensioenpremie tot aan de pensioengerechtigde leeftijd te verminderen met eventuele uitkeringen op grond van de sociale verzekeringswetten en de toegekende ontslagvergoedin-gen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de gebruikelijke salarisbetaaldagen tot op de dag der algehele vergoeding, subsidiair (2) KSG veroordeelt tot betaling van een ont-slagvergoeding conform de Kantonrechtersformule met een factor C = 3 of tot een bedrag dat de rechtbank in goede justitie meent te behoren alsmede de wettelijke rente vanaf de ontbin-dingsdatum tot aan de dag der algehele vergoeding, (3) KSG veroordeelt tot vergoeding van immateriële schade veroorzaakt door ten onrechte gevoerde ontslagprocedures, (4) KSG ver-oordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van deze procedure en van de kos-ten van alle voorgaande ontslagprocedures en (5) KSG veroordeelt in de kosten van dit ge-ding, waarbij (6) de schade steeds is op te maken bij staat.
3.2. [eiser] stelt dat KSG jegens hem onrechtmatig dan wel – zo stelt hij bij vermeerdering van eis – in strijd met de in art. 7:658 van het BurgerlijkWetboek neergelegde zorgplicht heeft ge-handeld door zich in de procedures bij de kantonrechter en die bij de RDA te baseren op valse gegevens en hem daardoor ten onrechte met valse en misleidende informatie te confronteren en in langdurige en voor hem slopende procedures te betrekken, terwijl zij wist dat dat hem psychisch zwaar belastte, zodanig dat hij uiteindelijk zelf ontbinding van de arbeidsovereen-komst heeft gevraagd.
KSG heeft – eerst voor de kantonrechter en later ondanks de afwijzing van de kantonrechter met dezelfde argumenten bij de RDA – bewust haar financieel economische situatie veel slechter voorgesteld dan deze daadwerkelijk was; dat de situatie niet zo slecht was, kan blij-ken uit een in opdracht van [eiser] door de Stichting Sobi verrichte analyse (er was begin maart 2000 een ruime kredietfaciliteit, de liquiditeit verbeterde in 1999 en 2000, KSG bezat zeer aanzienlijke stille reserves in de vorm van ongebruikt terrein, de aanwezige orders waren vol-doende om de productieafdelingen nagenoeg volledig aan de slag te houden).
De toenmalige president-directeur van KSG [H.] heeft in december 1999 een in-terview in NRC Handelsblad doen publiceren, waarin hij overdreven negatieve en onjuiste in-formatie over de financiële positie van KSG heeft gegeven. Die onjuistheid blijkt uit (eerst la-ter aan [eiser] bekend geworden) notulen van een besloten vergadering op 21 december 1999 van de Statencommissie Economie van de Provincie Zeeland, waarin bovendien blijkt van een dan al bestaande “letter of intent” met betrekking tot overname door Damen. [eiser] vraagt de rechtbank op grond van art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) KSG te ge-lasten een in die notulen genoemde brief in het geding te brengen. Voorts stelt [eiser] dat het gestelde grote verlies in 1999 is gefingeerd (in de jaarrekening van 1999 zijn hoge (reorgani-satie- en verhuis-)voorzieningen opgenomen die blijkens de jaarrekening van 2000 in dat jaar grotendeels (althans voor fl. 10 miljoen) weer zijn vrijgevallen; als – zoals KSG stelt – niet is vrijgevallen, maar onttrokken, dan is in strijd met de toepasselijke regelgeving in de jaarreke-ning niet aangegeven waarvoor). De gestelde verlaging van de kredietlimiet door ABN AMRO – volgens [eiser] door KSG zelf gerealiseerd – is onjuist en wordt voorts weerlegd – naar uit de jaarrekening van 2000 blijkt – door de omstandigheid dat in maart 2000 een kre-dietfaciliteit van fl. 177 miljoen bestond en ABN AMRO op 9 oktober 2000 met KSG een uit-gebreide kredietfaciliteit is overeengekomen. [eiser] wijst nog op de omstandigheid dat in 1999 wel een bankgarantie van fl. 3,5 miljoen kon worden afgegeven ten gunste van [H.], en dat er ontslagvergoedingen waren gereserveerd.
KSG heeft voorts van een (naar de Nationale Ombudsman heeft vastgesteld) onrechtmatig tot stand gekomen ontslagvergunning gebruik willen maken; daarbij weegt mee dat KSG aan de RDA geen melding heeft gemaakt van de overname door Damen in september 2000 en dat degene die tot 1 januari 2000 de functie van RDA uitoefende, vanaf 1 januari 2000 voor KSG werkte en de ontslagaanvragen verzorgde.
Tenslotte stelt [eiser] dat KSG onvoldoende dan wel geheel niet haar eigen beleidsvoornemen (op 12 maart 1999 aan haar werknemers medegedeeld) om werknemers te herplaatsen of te detacheren heeft uitgevoerd. Aan [eiser] is geen aanbod daartoe gedaan; de gesprekken met Trett kunnen niet als zodanig worden beschouwd.
[eiser] heeft geen herroeping als bedoeld in art. 382 Rv gevorderd; dat rechtsmiddel kan ook niet bewerkstelligen wat [eiser] beoogd. De onderhavige vordering is gegrond op onrechtmati-ge daad en gaat uit van een ander feitencomplex dan in de ontbindingsprocedure aan de orde is geweest. Het staat [eiser] vrij deze procedure te voeren.
[eiser] acht het – primair – redelijk dat hij alsnog in de positie wordt gebracht waarin hij zou verkeren als KSG wel haar verplichtingen (de eigen beleidslijnen) juist was nagekomen, en hij vordert daarnaast vergoeding van de schade, veroorzaakt door de ten onrechte door KSG gedane rechtsvorderingen en gevoerde procedures. Subsidiair stelt hij dat indien de rechtbank wil aansluiten bij de kantonrechtersformule, daarbij gelet op de grote verwijtbaarheid aan de zijde van KSG – zij heeft de kantonrechter bewust misleid – een factor C hoger dan 2 is geïn-diceerd.
3.3. KSG voert verweer. Primair stelt zij dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en KSG is ontbonden op verzoek van [eiser] en dat bij de beoordeling van dat verzoek de financiële/be-drijfseconomische situatie van KSG geen rol heeft gespeeld. Het verzoek is toegewezen op grond van een in de psychische gesteldheid van [eiser] gelegen wijziging van omstandigheden; de kantonrechter heeft wel aangegeven dat de beëindigingsprocedure (te) lang heeft geduurd en door KSG te weinig is begeleid, maar zocht voor de psychische gesteldheid van [eiser] ook een oorzaak in diens persoonlijkheidsstructuur. Voorts stond destijds vast dat er voor [eiser] na de overname door Damen geen plaats meer was. De stellingen omtrent beweerdelijk mislei-dende informatie komen dan ook geen betekenis toe. De vorderingen moeten al om die reden worden afgewezen.
Subsidiair stelt KSG dat [eiser], nu hij in feite spreekt over bedrog door KSG, de voor dit spe-cifieke geval (bij uitsluiting) gegeven weg van herroeping van de beslissing van de kanton-rechter had behoren te volgen (art. 382 Rv). Hij had binnen drie maanden vanaf het moment dat hij met de grond voor herroeping bekend was geworden (dat waren de door hem genoem-de notulen waarvan hij in juni 2002 hoorde en waarover hij vanaf juni 2003 kon beschikken, en het jaarverslag 2000 van KSG, dat in juli 2001 is gedeponeerd) die herroeping dienen te vorderen. Dat heeft hij niet gedaan; de vorderingen dienen te worden afgewezen, althans dient [eiser] daarin niet te worden ontvangen.
Meer subsidiair stelt KSG dat zij geen valse gegevens aan de kantonrechter heeft voorgelegd. Zij betwist de juistheid van het door [eiser] overgelegde (partij-)rapport van de niet als onaf-hankelijk te beschouwen Stichting Sobi. Het door [eiser] gestelde omtrent een ruime kredietfa-ciliteit, een verbeterde liquiditeit in 1999 en 2000, het bezit van zeer aanzienlijke stille reser-ves in de vorm van ongebruikt terrein en een ruime orderportefeuille is onjuist. Voor een deel gaat [eiser] uit van de situatie na de overname door Damen, daarnaast miskent hij dat onge-bruikt terrein tot zekerheid strekte van door de bank verstrekt krediet en dat een eventuele op-brengst nodig was voor de verhuizing naar Vlissingen-Oost en tenslotte miskent hij dat het feit dat er in 1999 nog voldoende werk was niet betekent dat er voor de toekomst voldoende orders waren.
De door [H.] in NRC Handelsblad geschetste slechte financiële situatie was niet onjuist of overdreven. De naar aanleiding van het interview ontstane commotie betrof niet die schets; in de Statencommissie Economie is daarover geen discussie geweest (wel over de in het interview gewekte suggestie dat openlijk om staatssteun werd gevraagd). Voor inwilli-ging van het door [eiser] gedane verzoek ex art. 843a Rv is geen plaats. Eind 2000 – na de overname door Damen – was het toekomstperspectief uitdrukkelijk anders dan eind 1999. Het personeelsbestand van KSG is overigens (ook na de overname door Damen) blijven dalen.
De jaarcijfers over 1999 zijn eerst op 26 juli 2000 vastgesteld en kunnen al om die reden geen rol hebben gespeeld bij de oordeelsvorming van de kantonrechter. Uit die jaarcijfers blijkt een verlies van fl. 137 miljoen; zou met de door [eiser] als gefingeerd gekwalificeerde voorzienin-gen geen rekening worden gehouden, dan nog moet tot een verlies van fl. 58 miljoen – derhal-ve aanmerkelijk meer dan de “meer dan fl. 20 miljoen” die aan de kantonrechter was voorge-houden en waarmee de bij de beoordeling rekening heeft gehouden – worden geconcludeerd. In 2000 is een groot deel van de voorzieningen in de jaarrekeningen vermeld met het opschrift “onttrokken/vrijval”; 90% van het bedrag is daadwerkelijk besteed/onttrokken (dat in de jaarrekening deze bestedingen niet zijn gespecificeerd raakt niet het belang van [eiser]) en slechts 1% is vrijgevallen.
KSG heeft niet zelf haar kredietlimiet verlaagd; ABN AMRO heeft dat gedaan. De door [eiser] gemaakte rekensommen deugen niet. In het kader van de overname door Damen heeft KSG in 2000 een vermogensversterking (van de Staat en de Provincie) ontvangen van fl. 100 miljoen; daardoor kon zij in oktober 2000 weer een ruimere kredietovereenkomst met ABN AMRO aangaan.
KSG stelt niet onrechtmatig jegens [eiser] te hebben gehandeld. De enkele verschaffing van een bankgarantie aan [H.] (rechtstreeks voortvloeiend uit al eerder met hem ge-maakte afspraken) kan volgens KSG, gelet op het vorenstaande, niet tot toewijzing van de vordering leiden. Waar [eiser] wijst op de kennelijke mogelijkheid ontslagvergoedingen te re-serveren, stelt KSG dat zij – naar aanleiding van afspraken in het Sociaal Plan – een reorgani-satievoorziening heeft getroffen.
De (gesprekken omtrent een aankomende) overname door Damen is wel aan de RDA gemeld; voorts is aan die overname in de media veel aandacht gegeven en was zij derhalve een feit van algemene bekendheid.
De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 27 april 2000 uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijke overname door Damen. Uit een door Damen uitgevoerd due diligence on-derzoek bleken nog tegenvallers; de financiële nood was ook toen KSG de ontslagvergunning bij de RDA aanvroeg nog hoog. Er zijn met [eiser] gesprekken geweest over herplaatsing bij Trett of Damen; [eiser] is op aanbiedingen van beide niet ingegaan. KSG ziet geen onrechtma-tigheid in de omstandigheid dat vanaf januari 2000 ontslagaanvragen werden gedaan door een inmiddels bij haar in dienst getreden voormalige RDA.
Voor het geval komt vast te staan dat KSG toch onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, betwist zij dat van enige schade sprake is; [eiser] heeft een ontbindingsvergoeding, aanzienlijk hoger dan in het Sociaal Plan voorzien, ontvangen. Een schadestaatprocedure acht KSG niet geïndiceerd; zo nodig zal [eiser] inzicht moeten geven in eventueel inkomen uit an-dere bronnen dan de sociale verzekeringswetten. KSG betwist tenslotte dat buitengerechte-lijke kosten – door [eiser] niet toegelicht – zijn gemaakt.
4. De beoordeling van het geschil
4.1. De kern van het verwijt dat [eiser] KSG in deze procedure maakt is dat KSG onjuiste en valse gegevens over haar financieel-economische positie heeft verstrekt, waardoor de kanton-rechter en de RDA op het verkeerde spoor zijn gezet en waardoor uiteindelijk [eiser] is ver-trokken bij KSG. Dat betekent dat slechts dat handelen van KSG, dat voorafgaand aan het ei-gen verzoek van [eiser] (ingediend op 11 december 2000) om ontbinding van de arbeidsover-eenkomst, van belang kan zijn; later handelen van KSG kan immers niet in causaal verband worden gebracht met de – in zijn stelling onder druk van een onrechtmatig handelend KSG – beslissing van [eiser] om zelf die ontbinding te vragen. Dat betekent dat het onrechtmatig han-delen gelegen moet zijn in de (inhoudelijke) wijze van procederen van KSG inzake (a) haar – in april 2000 door de kantonrechter afgewezen – verzoek om de arbeidsovereenkomst met [eiser] te ontbinden en (b) de – op 11 december 2000 door de kantonrechter afgewezen – vor-dering van [eiser] tot wedertewerkstelling en in het feit dat zij op 5 oktober 2000 opnieuw een ontslagvergunning bij de RDA heeft aangevraagd. De inhoudelijke kant van die laatste proce-dure kan bij de beoordeling van de vraag of KSG onrechtmatig heeft gehandeld niet worden betrokken, omdat in die procedure op het moment dat [eiser] zelf ontbinding van de arbeids-overeenkomst verzocht nog geen beslissing was genomen en derhalve de kracht van de door KSG aangevoerde argumenten op dat moment nog niet duidelijk was.
4.2. Cruciaal in deze procedure is het antwoord op de vraag of die door [eiser] gestelde on-rechtmatige (dan wel met haar zorgplicht strijdende) gedragingen van KSG in voldoende cau-saal verband staan met de omstandigheid dat [eiser] zelf ontbinding van de arbeidsovereen-komst heeft gevraagd. Immers, alleen in dat geval zal KSG voor daardoor door [eiser] geleden schade aansprakelijk gehouden kunnen worden. In haar primaire verweer betwist KSG dat causale verband.
4.3. [eiser] stelt dat de procedures zodanig langdurig en voor hem slopend waren en hem zoda-nig psychisch belastten, dat hij – zo begrijpt de rechtbank – in feite werd gedwongen zelf daaraan een einde te maken. Dat de procedures langdurig waren hing evenwel niet samen met de thans door [eiser] gestelde onjuistheid en misleidendheid van de door KSG verschafte gege-vens. Immers, de kantonrechter heeft het eerste verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereen-komst – ondanks de mogelijke onjuistheid van de daaraan ten grondslag gelegde gegevens – afgewezen. De vordering tot wedertewerkstelling werd door de kantonrechter afgewezen, enerzijds omdat op dat moment er voor [eiser] weinig werk zou zijn, anderzijds omdat op korte termijn een beslissing van de RDA was te verwachten op het op dat moment nog voorliggen-de verzoek van KSG om een ontslagvergunning. Hoe die beslissing zou uitvallen heeft [eiser] vervolgens niet afgewacht. Welke rol de door KSG in de procedure bij de RDA ingebrachte gegevens zou spelen heeft hij derhalve evenmin afgewacht: al voordat de RDA besliste, heeft [eiser] zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De beslissing om dat verzoek in te dienen lijkt derhalve slechts zeer ten dele te zijn ingegeven door de – thans door [eiser] als onjuist benoemde – gegevens die KSG aan haar verzoeken had ten grondslag gelegd. Veeleer lijkt het verzoek samen te hangen met de langdurigheid van de procedures en de daarmee samenhangende grote onzekerheid die [eiser] ervoer. Dat zou ook het geval zijn ge-weest wanneer KSG niet de door [eiser] als misleidend benoemde, maar andere gegevens aan haar verzoek had ten grondslag gelegd. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen causaal verband tussen de gestelde onjuistheid en misleidendheid van de door KSG aan de kantonrechter verschafte gegevens en de door [eiser] gevoelde noodzaak zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.
4.4. [eiser] stelt ook dat de omstandigheid dat KSG hem voortdurend confronteerde met de naar hij stelt valse en misleidende informatie als onrechtmatig – dan wel in strijd met de zorgplicht van KSG – moet worden beschouwd. Ook hier dient allereerst de vraag gesteld te worden of, zou dat zo zijn, er een causaal verband bestaat tussen die confrontatie en de ont-binding van de arbeidsovereenkomst. Uit het door [eiser] zelf overgelegde rapport van een door hem destijds geraadpleegde psycholoog komt naar voren dat [eiser] vooral leed onder het door hem als onrechtvaardig gevoelde mogelijke ontslag na 25 jaar toegewijde arbeid. Niet zozeer de gronden voor het mogelijke ontslag, maar de mogelijkheid van het ontslag zélf heb-ben hem psychisch zwaar belast. Ook uit het verzoek tot ontbinding van [eiser] zelf blijkt dat het de strijd zelf is die hem opbrak, los van de in die strijd gebruikte argumenten. Het enkele feit dát KSG van de mogelijkheid de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen gebruik trachtte te maken, wordt evenwel niet als grond voor de vordering aangevoerd en kan overi-gens ook niet als jegens [eiser] onrechtmatig dan wel in strijd met de zorgplicht van de werk-gever worden beschouwd, ook niet in het licht van diens lange dienstverband.
De rechtbank komt tot de slotsom dat er geen causaal verband is komen vast te staan tussen de beslissing van [eiser] om zijn arbeidsovereenkomst met KSG te doen ontbinden en de tot dan toe door KSG in jegens [eiser] gevoerde procedures gebruikte argumenten.
4.5. Nu aldus tussen het gestelde onrechtmatige, dan wel met haar zorgplicht strijdende, han-delen van KSG en de op verzoek van [eiser] zelf plaatsgevonden ontbinding van de arbeids-overeenkomst (welke ontbinding de basis is van de door [eiser] gestelde schade, waarvan hij thans vergoeding vordert) geen causaal verband is komen vast te staan, dient de vordering – zonder dat een onderzoek naar het gestelde onrechtmatig dan wel met de zorgplicht strijdende handelen noodzakelijk is – te worden afgewezen. Daartoe zal de rechtbank beslissen; [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vorderingen af;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van KSG begroot op € 241,-- aan griffierecht en € 1.808,-- aan salaris procureur.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 augustus 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.
SD