
Jurisprudentie
AZ0553
Datum uitspraak2006-09-26
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/206
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/206
Statusgepubliceerd
Indicatie
[geïntimeerde sub 1] heeft de aandeelhoudersovereenkomst in verschillende hoedanigheden, maar ook “voor zich privé”, gesloten. In die overeenkomst nam hij op zich de directie te vormen van de vennootschap en er werden in de overeenkomst bepaalde verplichtingen op de directie gelegd. Dan neemt hij ook persoonlijk op zich dat hij zich, ingevolge de aandeelhoudersovereenkomst optredend als directie, daarbij zal richten naar de daarvoor in de aandeelhoudersovereenkomst voorziene verplichtingen. Niet valt in te zien waarom het geheel algemeen geformuleerde boetebeding daarop niet van toepassing zou zijn. Daaraan doet niet af dat partijen bij het overeenkomen van het boetebeding primair wellicht aan andere overtredingen van andere contractspartijen (bijvoorbeeld aan overtredingen van het non-concurrentie-beding dat de aandeelhouders op zich namen) gedacht hebben.
Uitspraak
26 september 2006
eerste civiele kamer
rolnummer 2006/00206 KG
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
1. [appellant sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
H.T. Capital B.V.,
gevestigd te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland,
appellanten in het principaal appèl,
geïntimeerden in het incidenteel appèl,
procureur: mr J.M. Bosnak,
tegen:
1. [geïntimeerde sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Suli Beheer B.V.,
gevestigd te Klarenbeek, gemeente Apeldoorn,
geïntimeerden in het principaal appèl,
appellanten in het incidenteel appèl,
procureur: mr F.P. Lomans.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 19 januari 2006 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen tussen principaal geïntimeerden (hierna ook aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] en Suli Beheer dan wel gezamenlijk als [geïntimeerden]) als eisers in conventie, verweerders in reconventie, en principaal appellanten (hierna ook aan te duiden als [appellant sub 1] en H.T. Capital dan wel gezamenlijk als [appellanten]) als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, in kort geding heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 14 februari 2006 aan [geïntimeerden] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.
2.2 Bij die dagvaarding hebben [appellanten] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden en aangekondigd te zullen vorderen dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen dan wel, subsidiair, het bedrag waarvoor op 14 december 2005 verlof is verleend, zal vaststellen op een bedrag dat het hof in goede justitie meent te moeten bepalen, en voorts de in eerste aanleg in reconventie ingestelde vordering zal toewijzen dan wel het voorschot zal vaststellen op een bedrag dat het hof in goede justitie meent te moeten bepalen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties. Bij conclusie van eis in hoger beroep hebben [appellanten] gevorderd zoals bij de dagvaarding aangekondigd.
2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en hebben zij een aantal producties in het geding gebracht. Zij hebben hunnerzijds incidenteel hoger beroep tegen het bestreden vonnis ingesteld en daartegen een grief aangevoerd en hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis voorzover in conventie gewezen ten dele zal vernietigen en voor het overige zal bekrachtigen, [appellanten] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, hun die althans zal ontzeggen, met hun veroordeling in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep.
2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep hebben [appellanten] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof [geïntimeerden] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, hun die althans zal ontzeggen, met hun veroordeling in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
2.5 Ter zitting van 4 september 2006 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr C.P.B. Kroep, advocaat te Hengelo (O), en [geïntimeerden] door mr A. de Buck, advocaat te Enschede; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Aan [appellanten] is daarbij akte verleend van het in het geding brengen van een aantal van de op voorhand aan het hof en [geïntimeerden] toegezonden nieuwe stukken.
2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.
3 De grieven
3.1 [appellanten] hebben in het principaal beroep de volgende grieven aangevoerd:
I. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter onder 5.4 overwogen dat artikel 10 van de aandeelhoudersovereenkomst aldus dient te worden uitgelegd dat de boetebepaling niet geldt voor overtredingen van artikel 15 van de statuten zoals uitgewerkt in artikel 3 lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst.
II. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat artikel 15 van de statuten in combinatie met artikel 3 lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst niet is te beschouwen als een aanwijzing van de algemene vergadering van aandeelhouders waaraan de statutair directeur zich ingevolge artikel 3 lid 2 van de aandeelhoudersovereenkomst dient te houden.
III. Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de ten laste van Suli Beheer gelegde beslagen voor opheffing in aanmerking komen nu een redelijke uitleg van de aandeelhoudersovereenkomst meebrengt dat Suli Beheer niet als overtreder van artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst dient te worden aangemerkt.
IV. Ten onrechte is overwogen dat door [appellanten] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of aannemelijk gemaakt, welke meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed toewijzing van een voorschot op de door haar gepretendeerde vorderingen is vereist.
3.2 [geïntimeerden] hebben in het incidenteel beroep als grief aangevoerd:
Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [geïntimeerde sub 1] bij overtreding van de bepalingen van artikel 8 aandeelhoudersovereenkomst de in artikel 10 omschreven onmiddellijk opeisbare boete van € 450.000, alsmede € 4.500 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, verbeurt.
4 De vaststaande feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.
5 Bespreking van de grieven I en II
5.1 Ter motivering van grief I hebben [appellanten] in de eerste plaats aangevoerd dat [geïntimeerden] in eerste aanleg in het geheel niet het verweer hebben gevoerd dat artikel 10 van de aandeelhoudersovereenkomst aldus dient te worden uitgelegd dat de boetebepaling niet geldt voor overtredingen van artikel 15 van de statuten zoals uitgewerkt in artikel 3 lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst, zodat de voorzieningenrechter door dat te overwegen de door hem ingevolge artikel 24 Rv in acht te nemen lijdelijkheid niet in acht heeft genomen. Hierbij miskennen [appellanten] echter dat [geïntimeerden] weliswaar de [geïntimeerde sub 1] gemaakte verwijten bestreden hebben, maar ook “voor zover sprake zou zijn van schending van de aandeelhoudersovereenkomst of de statuten” hebben betoogd dat zulks aan de boetebepalingen van de aandeelhoudersovereenkomst niet onderworpen zou zijn. Dat betoog heeft de voorzieningenrechter niet ten volle aanvaard (en zeker niet op het daarvoor aangevoerde argument dat [geïntimeerde sub 1] de aandeelhoudersovereenkomst niet in zijn hoedanigheid van bestuurder van BWI Beheer had ondertekend), maar met de door deze grief bestreden overweging aanvaardde hij het wel ten dele en trad hij niet buiten de rechtsstrijd van partijen. Dat hij daarvoor niet exact de door [geïntimeerden] aangedragen (en inderdaad niet concludente) redengeving volgde, doet daar niet aan af.
5.2 Daarmee faalt ook het tweede voor deze grief aangevoerde argument, te weten dat uit het feit dat [geïntimeerden] dit verweer niet gevoerd hebben, moet worden afgeleid dat tussen partijen geen discussie bestaat of artikel 10 van de aandelenovereenkomst ook ziet op artikel 3 van de aandeelhoudersovereen-komst jo. artikel 15 van de statuten. [geïntimeerden] stelden uitdrukkelijk dat de [geïntimeerde sub 1] verweten schending van aandeelhoudersovereenkomst of statuten aan de boetebepalingen niet onderworpen was en daarmee was die discussie er dus overduidelijk wel.
5.3 Hieruit volgt nog niet dat de door de voorzieningenrechter aan artikel 10 van de aandeelhoudersovereenkomst gegeven uitleg juist was. Dat was ze volgens [appellanten] niet en daartoe voeren zij aan:
a. De toepasselijkheid van artikel 10 op overtredingen van artikel 3 van de aandeelhoudersovereenkomst jo. artikel 15 van de statuten vloeit uit de tekst van artikel 10 zelf voort nu die tekst ongeclausuleerd is en zich niet tot sommige overtredingen beperkt. Dat de door [appellanten] voorgestane uitleg ook de bedoeling van partijen was, blijkt ook uit het kopje “Goedkeuring van directie-besluiten”, uit de verwijzing door artikel 3 lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst naar artikel 15 van de statuten en uit de vermelding in artikel 3 van het goedkeuringsvereiste.
b. Een andere uitleg verstoort het evenwicht tussen partijen waarop de aandeelhoudersovereenkomst nu juist gericht was aangezien zonder de toepasselijkheid van de boetebepaling [geïntimeerde sub 1] de artikelen 3 en 8 van de aandeelhoudersovereenkomst straffeloos kon overtreden.
5.4 Argument a. faalt: een zuiver taalkundige uitleg van de tekst leidt, anders dan [appellanten] betogen, niet tot het door hen gewenste resultaat. Het leidt wel tot het resultaat dat de boetebepaling op alle overtredingen van de aandeelhoudersovereenkomst toepasselijk is, maar het leidt ook tot de bevinding dat veronachtzaming van de in artikel 3 lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst vastgestelde grensbedragen niet een overtreding van de aandeelhoudersovereenkomst oplevert, maar een overtreding van de statuten aangezien daar het goedkeuringsvereiste gesteld wordt.
5.5 Argument b. faalt evenzeer omdat niet-toepasselijkheid van de boetebepaling nog niet betekent dat [geïntimeerde sub 1] als directeur van BWI Beheer straffeloos artikel 3 lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst kan negeren. De sancties van schadeplichtigheid en van nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten blijven immers bestaan en partijen kunnen daarvan in redelijkheid voldoende evenwicht verwachten.
5.6 De voorzieningenrechter heeft nog de mogelijkheid onder ogen gezien dat de [geïntimeerde sub 1] verweten veronachtzamingen van de grenswaarden langs de weg van artikel 3 lid 2 van de aandeelhoudersovereenkomst als overtredingen van de daar bedoelde aanwijzingen onder het boetebeding zouden vallen. Hij heeft die mogelijkheid evenwel verworpen omdat artikel 15 van de statuten en artikel 3 lid 2 van de aandeelhoudersovereenkomst niet als zodanige aanwijzingen zijn te beschouwen. Daartegen richt zich grief II, maar tevergeefs. De statuten van de vennootschap en de aandeelhoudersovereenkomst, ook al is die mede door alle aandeelhouders aangegaan, zijn niet uitgegaan van de vergadering van aandeelhouders en hebben niet het karakter van een besluit van een vergadering van aandeelhouders. Mede door de in artikel 19 van de statuten geregelde mogelijkheid van besluitvorming buiten vergadering hadden de aandeelhouders dat karakter aan de aandeelhoudersovereenkomst of bepalingen daarvan heel makkelijk kunnen geven, maar dat hebben zij niet gedaan. Daaruit moet worden afgeleid dat de aandeelhouders niet de bedoeling hebben gehad een aanwijzing als in artikel 3 lid 2 van de aandeelhoudersovereenkomst bedoeld uit te vaardigen.
5.7 Op grond van het in deze paragraaf overwogene dienen de grieven I en II te worden verworpen.
6 Bespreking van grief III
6.1 Deze grief beoogt blijkens de daarop gegeven toelichting staande te houden dat ook Suli Beheer boetes verschuldigd is wegens de [geïntimeerde sub 1] verweten overtredingen, in ieder geval wegens de eerste [geïntimeerde sub 1] verweten overtreding, te weten het aangaan van een managementovereenkomst zonder schriftelijke goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. In dit verband wijzen [appellanten] erop dat de aandeelhoudersovereenkomst mede door Suli Beheer is aangegaan.
6.2 Dat laatste is juist maar het miskent dat het, wil Suli Beheer boetes verbeuren, niet voldoende is dat zij gebonden is aan de overeenkomst waarbij die boetes bedreigd zijn maar dat daarvoor ook nodig is dat zij overtredingen begaan heeft. Dat heeft zij echter niet en dat kon zij ook niet omdat de beweerdelijk overtreden bepalingen zich richten tot de directie van BWI Beheer en voor het begaan van de overtredingen dus een hoedanigheid vereist is die Suli Beheer niet heeft. Dat Suli Beheer [geïntimeerde sub 1] “uitgeleend” heeft doet daar niet aan af, reeds omdat een dergelijke “uitlenersaansprakelijkheid” gebaseerd zou zijn op de artikelen 6:170 en 6:171 BW die echter geen grondslag kunnen bieden voor de hier gevorderde boetes. Evenmin doet eraan af dat Suli Beheer de wederpartij was bij de managementovereenkomst die [geïntimeerde sub 1] als directeur van BWI Beheer zonder goedkeuring zou zijn aangegaan. Ook grief III moet daarom verworpen worden.
7 Bespreking van de incidentele grief
7.1 Deze grief, gericht tegen de handhaving van het beslag ten laste van [geïntimeerde sub 1] wegens boetes wegens overtreding van artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst, steunt blijkens de gegeven toelichting op drie argumenten:
a. [geïntimeerde sub 1] heeft de aandeelhoudersovereenkomst nu juist niet ondertekend als directeur van BWI Beheer B.V.
b. De exorbitante hoogte van de bedreigde boetes maakt aannemelijk dat partijen bij de aandeelhoudersovereenkomst niet bedoelden de boetebepaling ook op overtredingen als deze van toepassing te laten zijn.
c. Het “inhoudelijk oordeel” van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerden] aan de verplichtingen van artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst lijken te hebben voldaan, is onjuist.
7.2 Argument a. faalt omdat het miskent dat de boetes niet van BWI Beheer worden gevorderd, maar van [geïntimeerde sub 1] in persoon. [geïntimeerde sub 1] heeft de aandeelhoudersovereenkomst in verschillende hoedanigheden, maar ook “voor zich privé”, gesloten. In die overeenkomst nam hij op zich de directie te vormen van de vennootschap en er werden in de overeenkomst bepaalde verplichtingen op de directie gelegd. Dan neemt hij ook persoonlijk op zich dat hij zich, ingevolge de aandeelhoudersovereenkomst optredend als directie, daarbij zal richten naar de daarvoor in de aandeelhoudersovereenkomst voorziene verplichtingen. Niet valt in te zien waarom het geheel algemeen geformuleerde boetebeding daarop niet van toepassing zou zijn. Daaraan doet niet af dat partijen bij het overeenkomen van het boetebeding primair wellicht aan andere overtredingen van andere contractspartijen (bijvoorbeeld aan overtredingen van het non-concurrentie-beding dat de aandeelhouders op zich namen) gedacht hebben.
7.3 Argument b. faalt eveneens en wel omdat het boetebeding geheel algemeen geformuleerd is terwijl partijen beseft moeten hebben dat de ene overtreding de andere niet is. Dan betekent de omstandigheid dat de bedreigde boete voor een bepaalde overtreding exorbitant is, niet dat het boetebeding voor die overtreding niet bedoeld kan zijn, maar dat zij voor die overtreding wellicht voor matiging in aanmerking komt.
7.4 Argument c. tenslotte faalt omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. De voorzieningenrechter heeft niet overwogen dat [geïntimeerden] aan de verplichtingen van artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst lijken te hebben voldaan. Hij heeft overwogen dat de juistheid van de stellingen van [geïntimeerden] zonder nadere bewijslevering niet valt vast te stellen en dat daarom voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellanten] een vordering hebben, met andere woorden dat van de ondeugdelijkheid van de vordering niet summierlijk is gebleken en dat het bestaan daarvan daarom in het kader van dit kort geding aangenomen moet worden. Dat oordeel is juist.
8 Slotsom
Nu alle grieven verworpen dienen te worden, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het principale hoger beroep en van [geïntimeerden] in de kosten van het incidentele hoger beroep.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen van 19 januari 2006;
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 2.682 voor salaris van de procureur en op € 296 voor griffierecht;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op € 1.341 voor salaris van de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs Mannoury, Smeeïng-van Hees en Van Rossum en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2006.