Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0544

Datum uitspraak2006-09-26
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/19318, 06/15492
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mvv-vereiste / schrijnendheid / slachtoffer Schipholbrand / motivering. Verzoeker, van Chinese nationaliteit, heeft om een verblijfsvergunning verzocht op grond van uitzonderlijke gebeurtenissen, daaruit bestaande dat hij als bewoner van het Detentiecentrum Schiphol aanwezig was tijdens de brand in dat centrum en door die gebeurtenissen getraumatiseerd is geraakt. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom verzoeker niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. De aard van de door verzoeker ingediende aanvraag brengt met zich mee dat verweerder zich niet op formele gronden kan en mag beperken tot het stellen van het mvv-vereiste, maar de beslissing of tot vrijstelling van dit vereiste moet worden overgegaan mede moet laten afhangen van een inhoudelijk oordeel over de schrijnendheid van de situatie van verzoeker en de vraag of er aanleiding is gebruik te maken van de in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000 aan verweerder gegeven bevoegdheid. Gewezen wordt hierbij op de (overigens na het bestreden besluit geschreven) brief van verweerder van 31 augustus 2006 waarin beleid wordt vastgesteld ten aanzien van nog in Nederland verblijvende vreemdelingen die medische behandeling behoeven en bij de Schipholbrand aanwezig waren. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat hij de omstandigheid dat en de gevolgen van het feit dat verzoeker aanwezig was bij de Schipholbrand in het bestreden besluit heeft meegewogen, nu deze in de overwegingen betreffende het mvv-vereiste zouden zijn vervat, overweegt de voorzieningenrechter dat onvoldoende is gebleken dat geen aanleiding bestond om verzoeker op de zogenoemde BMA-lijst van vreemdelingen met een indicatie voor nader onderzoek te plaatsen. Zeker nu het besluit in grote mate berust op de overweging dat verzoeker niet op de BMA-lijst is geplaatst, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van het bestreden besluit door geen deugdelijk medisch onderzoek te (laten) doen. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummers: AWB 06 / 19318 (voorlopige voorziening) AWB 06 / 15492 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 september 2006 in de zaak van: [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1982, van Chinese nationaliteit, verzoeker, gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem, tegen: de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. P.J. van den Bos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage. 1. Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft op 28 november 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van zijn schrijnende omstandigheden. Verweerder heeft bij brief van 14 december 2005 geweigerd een besluit op dit verzoek te nemen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 14 december 2005 bezwaar gemaakt. Op 23 februari 2006 is verzoeker gehoord door een ambtelijke commissie van de zijde van verweerder. 1.2 Verzoeker heeft op 27 maart 2006 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 14 december 2005. 1.3 Verweerder heeft het bezwaar van 14 december 2005 bij besluit van 12 april 2006 ongegrond verklaard. Met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de rechtbank het beroep van 27 maart 2006 mede gericht tegen dit besluit. 1.4 Verzoeker heeft op 19 april 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. 1.5 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 september 2006. Verzoeker en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. 2. Overwegingen 2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. 2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde. 2.4 Verzoeker heeft om een verblijfsvergunning verzocht op grond van uitzonderlijke gebeurtenissen, daaruit bestaande dat hij, als bewoner van het Detentiecentrum Schiphol, aanwezig was tijdens de brand in dat centrum en door de gebeurtenissen getraumatiseerd is geraakt. 2.5 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoeker valt niet onder een van de categorieën vrijgestelde vreemdelingen genoemd in artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) of artikel 3.71, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Toepassing van het mvv-vereiste leidt voorts niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2.6 Verzoeker stelt zich - onder meer - op het standpunt dat verweerder verzoeker ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het is van onevenredige hardheid om aan verzoeker het mvv-vereiste tegen te werpen. De schrijnendheid van de situatie, waarin hij in Nederland als gevolg van de brand die in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 heeft gewoed in het cellencomplex op Schiphol-Oost (hierna: de Schipholbrand). terecht is gekomen, vormt aanleiding om hem een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat is onderzocht of verzoeker een medische behandeling nodig heeft, terwijl hij wel degelijk heeft gewezen op zijn medische problemen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.7 Ingevolge artikel 14, eerste lid, Vw is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Op grond van het derde lid van deze bepaling zijn regels gesteld over de beperkingen in het Vreemdelingenbesluit 2000. 2.8 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, Vb houden de in artikel 14, tweede lid, Vw bedoelde beperkingen verband met de daarin genoemde beperkingen. Ingevolge het derde lid van deze bepaling kan verweerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid, tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van verweerder de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw noodzakelijk is. 2.9 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. 2.10 Regels over de toepassing van deze afwijzingsgrond zijn neergelegd in het Vb. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. 2.11 Blijkens artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. 2.12 Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, Vb kan verweerder het eerste lid van artikel 3.71 Vb buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zogenaamde hardheidsclausule). 2.13 Vast staat dat verzoeker niet in het bezit is van een geldige mvv. 2.14 De voorzieningenrechter stelt vast, hetgeen door verweerders gemachtigde ter zitting is bevestigd, dat verweerder in het bestreden besluit niet inhoudelijk heeft getoetst of sprake is van schrijnende omstandigheden die hem ertoe nopen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Door het stellen van het mvv-vereiste wordt immers aan deze inhoudelijke toets niet toegekomen. 2.15 Verweerder gaat hiermee voorbij aan het feit dat verzoekers aanvraag voornamelijk verband houdt met de gevolgen van zijn aanwezigheid bij de Schipholbrand. Deze gebeurtenis is verzoeker overkomen in Nederland en hiervoor is aan hem zelf geen enkele verantwoordelijkheid toe te schrijven. 2.16 De aard van de door verzoeker ingediende aanvraag brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich mee dat verweerder zich niet op formele gronden kan en mag beperken tot het stellen van het mvv-vereiste, maar de beslissing of tot vrijstelling van dit vereiste moet worden overgegaan mede moet laten afhangen van een inhoudelijk oordeel over de schrijnendheid van de situatie van verzoeker en de vraag of er aanleiding is gebruik te maken van de in artikel 3.4, derde lid, Vb aan verweerder gegeven bevoegdheid. 2.17 De voorzieningenrechter wijst daarbij naar de - overigens na het bestreden besluit geschreven - brief van verweerder van 31 augustus 2006. In deze brief heeft verweerder beleid vastgesteld ten aanzien van nog in Nederland verblijvende vreemdelingen die medische behandeling behoeven en bij de Schipholbrand aanwezig waren. De aanwezigheid bij de Schipholbrand is volgens verweerder dermate exceptioneel dat “ik deze als versterkende overweging van humanitaire aard in mijn afweging heb betrokken”, aldus verweerder. In dit beleid is voorts bepaald dat de betreffende vreemdelingen, indien zij aan een aantal voorwaarden voldoen, worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Dit beleid is - zoals gezegd - weliswaar van na het bestreden besluit en derhalve niet als zodanig op dit besluit van toepassing, maar het toont wel aan hoe verweerder, nu hij beschikt over “de medische informatie die noodzakelijk is om beslissingen te kunnen nemen”, thans omgaat met dit soort zaken. 2.18 Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. 2.19 Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat hij de omstandigheid dat en de gevolgen van het feit dat verzoeker aanwezig was bij de Schipholbrand in het bestreden besluit heeft meegewogen, nu deze in de overwegingen betreffende het mvv-vereiste zouden zijn vervat, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 2.20 Ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw en artikel 3.71, vierde lid, Vb heeft verweerder erop gewezen dat in verband met de terugkeer van bij de Schipholbrand betrokken vreemdelingen “artsen van de inrichting (DJI) alle vreemdelingen zouden beoordelen om vast te kunnen stellen of sprake zou zijn van het ondergaan of nodig hebben van medische behandeling.” Verweerder overweegt in het bestreden besluit dat ook verzoeker is gezien door zo’n arts. 2.21 Voorts stelt verweerder in het bestreden besluit het volgende: “De beoordeling door deze artsen heeft ertoe geleid dat in ongeveer zestig gevallen nader medisch onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) bij het Ministerie van Justitie werd geïndiceerd. De situatie van betrokkene gaf daar geen aanleiding toe, hetgeen blijkt uit het feit dat hij niet werd geplaatst op de zogenaamde BMA-lijst van vreemdelingen met een indicatie voor nader onderzoek.” 2.22 Uit het procesdossier blijkt niet dat het BMA onderzoek heeft verricht naar verzoekers medische omstandigheden. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat inderdaad geen onderzoek is verricht door het BMA omdat in het geval van verzoeker geen sprake was van medische problemen ten gevolge van de Schipholbrand. Dit standpunt wordt onderbouwd door een telefoonnotitie van 31 maart 2006 van een gesprek tussen een medewerker van verweerder en een persoon genaamd Maria van de Medische Dienst van het Detentiecentrum te Zeist. Uit de notitie blijkt dat er volgens de Medische Dienst geen medische beletselen zijn tegen het in vrijheid stellen van verzoeker en dat verzoeker ook geen medicatie gebruikt. 2.23 De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit voornoemde telefoonnotitie onvoldoende blijkt dat er geen aanleiding bestond om verzoeker op de zogenaamde BMA-lijst van vreemdelingen met een indicatie voor nader onderzoek te plaatsen. De telefoonnotitie ziet immers slechts op medische omstandigheden in verband met verzoekers invrijheidstelling. Bovendien kan uit de telefoonnotitie niet worden herleid wie de in die notitie vermelde mededeling heeft gedaan, omdat anders dan de aanduiding “Maria” de telefoonnotitie niets bevat dat aangeeft wie deze Maria is, en wat de bevoegdheid, de hoedanigheid dan wel anderszins de positie binnen de organisatie van deze Maria is. 2.24 De voorzieningenrechter is van oordeel dat zonder deugdelijk medisch onderzoek, waarvan in deze zaak niet blijkt, verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van het thans bestreden besluit, zeker nu dat besluit in grote mate berust op de overweging dat verzoeker niet op de zogenaamde BMA-lijst is geplaatst. Dit klemt temeer nu is gebleken dat verzoeker in de bezwaarfase (onder meer tijdens de hoorzitting van 23 februari 2006) heeft aangegeven dat hij door de Schipholbrand is getraumatiseerd en last heeft van nachtmerries en hoofdpijn. 2.25 Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 12 april 2006, gegrond verklaren. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. 2.26 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit van 12 april 2006 vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. 2.27 Ten aanzien van het ingediende beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar overweegt de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat verzoeker hierbij nog enig procesbelang heeft. De voorzieningenrechter zal het beroep derhalve in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. 2.28 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. 2.29 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en met toepassing van artikel 8:75, derde lid zal de rechtspersoon worden aangewezen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 80,50 in verband met het beroep wegens het niet-tijdig beslissen op bezwaar (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1), € 644,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het verzoek om voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1). 2.30 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, respectievelijk 8:82, vierde lid, Awb zal de Staat der Nederlanden worden aangewezen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: 3.1 verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk; 3.2 verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 12 april 2006 gegrond; 3.3 vernietigt het besluit van 12 april 2006; 3.4 draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van 14 december 2005; 3.5 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; 3.6 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het fictieve beroep ad € 80,50, in verband met het overige beroep ad € 644,- en voor het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 322,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoeker te voldoen; 3.7 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad tweemaal € 141,- aan verzoeker te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter, en op 26 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Ypma, griffier. Afschrift verzonden op: Coll: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.