Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0531

Datum uitspraak2006-10-03
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDordrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 04/51900
Statusgepubliceerd


Indicatie

Argumentatieve fuik / verbindendheid algemeen verbindende voorschriften / artikel 26 IVBPR / toelating tot Nederland / wederkerigheidsbeginsel in internationaal recht? Argumentatieve fuik geldt niet voor beroepsgronden die kunnen afdoen aan de verbindendheid van een algemeen verbindend voorschrift. Indien het verbod op discriminatie ex artikel 26 IVBPR, gelet op het soevereiniteitsbeginsel, ziet op onderscheid naar nationaliteit bij de toelating tot Nederland, wordt dit verbod in casu niet geschonden. Eiser heeft het door hem gepostuleerde wederkerigheidsbeginsel bij de uitleg van internationaal recht en de toepasselijkheid daarvan bij de uitleg van een verdrag tussen Nederland en een rechtsvoorganger van de DRC uit 1884, onvoldoende onderbouwd. Beroep ongegrond.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Zitting houdende te Dordrecht procedurenummer: AWB 04/51900 uitspraak van de enkelvoudige kamer inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. W.A. Venema, advocaat te Rijsbergen, tegen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. C. de Jongh, ambtenaar bij de Immigratie- en naturalisatiedienst. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft bij besluit van 2 december 2003 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “verblijf bij echtgenote”. Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 30 december 2003 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 22 november 2004 beroep ingesteld. De zaak is op 28 oktober 2005 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Eiser is niet ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Bij besluit van 27 juli 2006 heeft de rechtbank ex artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek heropend en daarbij bepaald op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. Aansluitend aan dit voortgezette onderzoek heeft de rechtbank aanleiding gezien, mede gelet op de daartoe door partijen verleende toestemming, ingevolge artikel 8:57 van de Awb te bepalen dat voortzetting van het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek te sluiten. 2. Overwegingen 2.1. Het wettelijk kader Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2.2. Het bestreden besluit Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de afwijzing van eisers aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). 2.3. De gronden van beroep Eiser stelt dat het mvv-vereiste in strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (hierna:Ivbpr). Het onderscheid tussen onderdanen van landen zoals de Verenigde Staten waarvoor het mvv-vereiste niet geldt en eiser als onderdaan van de Democratische Republiek Congo (hierna: DRC) is een niet gerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit en derhalve in strijd met voormelde bepaling. Naar de opvatting van eiser is het handhaven van het mvv-vereiste voorts in strijd met de op 27 december 1884 (Stb. 1885, no. 75) tussen Nederland en de internationale Vereeniging van den Congo (hierna: Vereeniging) gesloten en nog steeds van kracht zijnde overeenkomst (hierna: Overeenkomst), van welke Vereeniging naar eiser stelt de DRC de rechtsopvolger is. In dat verdrag is bepaald dat de Nederlandse onderdanen te allen tijde het recht zullen hebben te verblijven of zich te vestigen in de landstreken die aan de Vereeniging toebehoren. Op grond van het volgens eiser bij de uitlegging van internationale verdragen geldende wederkerigheidsbeginsel en de thans toe te passen non-discriminatoire interpretatie moet worden aangenomen dat de burgers van de DRC dezelfde rechten hebben die Nederlanders op grond van dit verdrag in de DRC hebben. Dit onvoorwaardelijke recht staat er naar eiser meent aan in de weg dat aan inwoners van de DRC het mvv-vereiste wordt gesteld. Ook de in voormeld verdrag neergelegde meestbegunstigingsclausule brengt volgens eiser op grond van het wederkerigheidsbeginsel met zich dat aan inwoners van de DRC het mvv-vereiste niet mag worden gesteld, nu Nederland aan inwoners van onder meer Canada en Japan vrijstelling daarvan heeft verleend. 2.4. De beoordeling De opvatting van verweerder dat eisers beroep op artikel 26 van het Ivbpr en op de Overeenkomst buiten de beoordeling van het geschil dient te blijven nu eiser dit niet reeds in de bezwaarfase heeft aangevoerd, vindt geen steun in het recht. Artikel 26 van het Ivbpr betreft een rechtstreeks werkende bepaling, houdende voor zover van belang een verbod van discriminatie op grond van nationale afkomst. Ook eisers beroep op de Overeenkomst is mede gefundeerd op een door hem op grond van internationaal-rechtelijke beginselen gesteld verbod van discriminatie tussen personen met de Nederlandse nationaliteit en personen met de nationaliteit van de DRC. Het is niet op voorhand uitgesloten dat deze beroepsgronden, indien juist bevonden, kunnen afdoen aan de verbindendheid van hetgeen bij of krachtens de Vw 2000 is bepaald inzake het mvv-vereiste en aan de handhaving daarvan jegens eiser. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 9 augustus 2006 met kenmerk 200600436/1 (LJN: AY5921), heeft de rechter ambtshalve te oordelen over de verbindendheid van algemeen verbindende voorschriften. Eisers beroepsgrond gebaseerd op artikel 26 van het Ivbpr treft geen doel. Indien al moet worden aangenomen dat de reikwijdte van het krachtens deze bepaling geldende verbod van discriminatie naar nationale afkomst, gelet op het in het verkeer tussen staten geldende soevereiniteitsbeginsel, zich mede uitstrekt tot de toelating van onderdanen van andere staten tot het eigen grondgebied van een staat in die zin dat reeds de gedeelde wil tot toelating tot dat grondgebied personen van verschillende nationaliteiten tot gelijke gevallen maakt als bedoeld in artikel 26 van het Ivbpr, volgt uit deze verdragsbepaling niet dat iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen is verboden. Het verbod ingevolge artikel 26 Ivbpr treft alleen een ongelijke behandeling die als discriminatie moet worden beschouwd. Daarvan is geen sprake indien er een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat voor het gemaakte onderscheid. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het een vreemdeling betreft die de nationaliteit heeft van één der door de Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen. De landen die aldus zijn aangewezen, staan vermeld in onderdeel B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Dit onderscheid naar nationaliteit wordt door de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakt ter bescherming van de Nederlandse economische orde. De rechtbank acht dit een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond. Ook eisers beroepsgrond gebaseerd op de Overeenkomst faalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de feiten die deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, in haar uitspraak van 13 januari 2006, met kenmerk AWB 04/54305, aan haar oordeel over dezelfde beroepsgrond ten grondslag heeft gelegd nu eiser, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, deze feiten niet heeft betwist. Aldus gaat de rechtbank ervan uit dat er inzake de visumplicht – voor kort verblijf – niet altijd sprake is van wederkerigheid. Eiser heeft in voormelde zaak noch in de onderhavige gesteld dat Nederlanders ten aanzien van de DRC niet visumplichtig zijn. De DRC heeft zich nimmer beroepen op het feit dat de Overeenkomst van enige betekenis zou zijn voor de toegang en toelating van haar onderdanen. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder in beide procedures uitdrukkelijk heeft gesteld niet bekend te zijn met het door eiser aangevoerde wederkerigheidsbeginsel en dat eiser zijn betoog dienaangaande niet nader heeft onderbouwd. Nu niet in geschil is dat de Overeenkomst geen expliciete rechten voor onderdanen van thans de DRC in het leven roept en de rechtbank geen grond ziet voor toepassing van een wederkerigheidsbeginsel als door eiser gesteld, moet ook deze beroepsgrond van eiser worden afgewezen. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de kosten van de andere partij. Mitsdien beslist de rechtbank als volgt. 3. Beslissing De rechtbank 's-Gravenhage, - verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, en door deze en de griffier ondertekend. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op: 3 oktober 2006 Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.