
Jurisprudentie
AZ0506
Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsMiddelburg
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/22812
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsMiddelburg
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/22812
Statusgepubliceerd
Indicatie
Gezinsherenigingsrichtlijn / dubbele nationaliteit.
Eiser, geboren in 1990, bezit de Turkse nationaliteit. De vader van eiser is in 1969 Nederland ingereisd, de moeder in 1977. Van 1987 tot 1993 hebben de ouders van eiser in Turkije gewoond. In 1993, na de terugkeer in Nederland, zijn de ouders van eiser met behoud van de Turkse nationaliteit in het bezit gesteld van de Nederlandse nationaliteit. Eiser is in 1993 bij zijn grootouders achtergelaten in Turkije omdat zijn zus in verband met ziekte de voortdurende zorg en aandacht van de ouders nodig had. Op 8 september 2003 dient eiser een aanvraag in voor gezinshereniging bij vader (referent). Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser feitelijk niet behoort tot het gezin van de vader. Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 27 april 2005. Eiser beroept zich op de Richtlijn 2003/86/EG inzake gezinshereniging. Ten aanzien van de vraag of de Richtlijn ook van toepassing is op de rechten van referent – die zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit bezit – op gezinshereniging met eiser, overweegt de rechtbank dat uit de preambule en het in artikel 1 omschreven doel van de Richtlijn blijkt dat de Raad gezinshereniging als een fundamenteel recht beschouwt en de bewoordingen van de Richtlijn niet uitsluiten dat deze ook van toepassing is op situaties waarin de gezinshereniger zowel de nationaliteit van een derde land bezit als de nationaliteit van één van de lidstaten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat met de positie van personen die zowel de nationaliteit van een lidstaat bezitten als die van een derde land geen rekening is gehouden tijdens de onderhandelingen over deze Richtlijn. Een andersluidend oordeel zou er derhalve op neerkomen dat de Richtlijn in elke lidstaat een andere uitwerking zou hebben, waardoor de noodzakelijk gezochte onderlinge afstemming van de communautaire voorschriften betreffende het recht op gezinsleven niet zou worden bereikt. Dit zou tevens impliceren dat een derdelander die langdurig in Nederland heeft gewoond door naturalisatie tot Nederlander zijn aanspraak op gezinshereniging onder de Richtlijn zou verliezen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank schending oplevert van artikel 12 EG-Verdrag, waarin is bepaald dat elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van het EU-Verdrag wordt verboden. Een dergelijke behandeling zou enkel gerechtvaardigd kunnen zijn op grond van objectieve overwegingen, die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan de rechtmatig nagestreefde doelstelling (zie arrest HvJ EG Carlos Garcia Avello van 2 oktober 2003, zaak nr. C-148-02). Deze objectieve overwegingen zijn naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige situatie niet aanwezig. Beroep gegrond.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, meervoudig
nevenzittingsplaats Middelburg
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 05/22812
V 270.131.9802
Inzake : [eiser], eiser,
gemachtigde mr. B.C. Pfeifle, advocaat te Schiedam,
tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
gemachtigde mr. L. Verheijen, medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
I. Procesverloop
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en bezit de Turkse nationaliteit.
Op 8 september 2004 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel gezinshereniging bij vader [referent] (referent). Op deze aanvraag is door verweerder op 26 oktober 2004 afwijzend beslist. Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit. Verweerder heeft op 27 april 2005 het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 19 mei 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Eiser is aldaar verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [referent], vader van eiser.
Bij brief van 23 mei 2006 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de procedure verder zal worden behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank.
Op 20 juni 2006 is het onderzoek heropend.
Op 27 juni 2006 heeft verweerder een schriftelijke reactie aan de rechtbank toegezonden.
Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 4 juli 2006.
Partijen hebben er vervolgens schriftelijk mee ingestemd dat zonder nadere zitting uitspraak wordt gedaan als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het onderzoek is gesloten op 23 augustus 2006.
II. Overwegingen
1. Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een machtiging tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, bevattende bepalingen over bezwaar en beroep inzake reguliere verblijfsvergunningen, gelijkgesteld met een beschikking gegeven krachtens de Vw 2000.
De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning (regulier) in Nederland (paragraaf B1/1.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000)).
Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.
Artikel 3.4, eerste lid aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) vermeldt dat de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband kunnen houden met gezinshereniging.
In artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 is bepaald dat deze verblijfsvergunning wordt verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.
In onderdeel B2/6.4 van de Vc 2000 is voorgeschreven dat bij de beoordeling van bedoelde vraag de periode in aanmerking wordt genomen, gedurende welke de ouder(s) en het kind van elkaar zijn gescheiden tot aan de aanvraag om gezinshereniging. Deze referteperiode wordt niet bekort met de duur van illegaal verblijf in Nederland. Indien de referteperiode korter is dan vijf jaar, wordt in beginsel aangenomen dat sprake is van een feitelijke gezinsband. Beloopt de referteperiode meer dan vijf jaar, dan wordt, behoudens een tweetal limitatief opgesomde uitzonderingen, aangenomen dat de feitelijke gezinsband tussen de ouder(s) en het kind is verbroken.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Referent, van Turkse nationaliteit, is in 1969 Nederland ingereisd. De echtgenote van referent is in 1977 Nederland ingereisd. Van 1987 tot 1993 hebben referent en zijn echtgenote in Turkije gewoond. In 1993, na de terugkeer in Nederland, zijn referent en zijn echtgenote met behoud van de Turkse nationaliteit in het bezit gesteld van de Nederlandse nationaliteit.
Eiser is in februari 1993 in Turkije achtergelaten bij zijn grootouders omdat de zus van eiser, [naam zus], epilepsiepatiënte was en voortdurend zorg en aandacht nodig had.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor een mvv in aanmerking komt, omdat eiser niet langer feitelijk behoort tot het gezin van referent. Daartoe heeft verweerder overwogen dat tussen februari 1993 (het moment waarop eiser is achtergelaten) en 8 september 2004 (de datum waarop is verzocht om een mvv) een periode van meer dan elf jaar is verstreken. De in de Vc 2000 limitatief opgesomde uitzonderingssituaties doen zich in het geval van eiser niet voor, aldus verweerder.
Verweerder stelt voorts dat de aangevoerde omstandigheden, te weten de ziektegeschiedenis van de zus van eiser, onvoldoende aanleiding geven om af te wijken van het beleid.
De weigering om eiser verblijf hier te lande toe te staan betekent volgens verweerder geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Weliswaar is in dit geval sprake van familie- of gezinsleven tussen eiser en referent, maar van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan is volgens verweerder geen sprake, aangezien de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van dit familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde. Volgens verweerder is niet gebleken van dusdanig bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor zijn familie- of gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit hem hier te lande verblijf toe te staan.
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het tegenwerpen van de referteperiode in strijd is met de Europese Richtlijn gezinshereniging (Richtlijn 2003/86 EG, Pb EG L 251 van 3 oktober 2003; hierna: de Richtlijn), artikel 8 van het EVRM alsmede het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De Richtlijn geeft minimumnormen die de ondergrens bepalen waaraan het gezinsherenigingsbeleid van de aangesloten lidstaten in ieder geval moet voldoen. In de Richtlijn wordt niet gesproken over feitelijke gezinsband.
Eiser heeft voorts gesteld dat het tegenwerpen van de referteperiode in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Uit de jurisprudentie omtrent artikel 8 van het EVRM volgt dat er tussen het kind en zijn ouder(s) ipso iure familieleven bestaat en dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden dat familieleven kan worden verbroken. Het feit dat het kind en de ouder langer dan vijf jaar van elkaar gescheiden zijn geweest, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid, aldus eiser.
Eiser heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het criterium feitelijke gezinsband in strijd is met het IVRK, met name in strijd met de artikel 3 en 10 van het IVRK.
Indien en voorzover de referteperiode wel gesteld zou mogen worden, heeft eiser gesteld dat het in zijn geval niet redelijk is het verzoek om afgifte van een mvv af te wijzen vanwege het enkele feit dat de gezinsband verbroken zou zijn omdat meer dan vijf jaar zijn verstreken.
Verweerder stelt ten onrechte dat alleen de in het beleid genoemde uitzonderingen kunnen leiden tot het niet tegenwerpen van het overschrijden van de referteperiode. Eiser is van oordeel dat in alle gevallen beoordeeld dient te worden of er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid. Deze bijzondere omstandigheden zijn in dit geval gelegen in de ziektegeschiedenis van zijn zus [naam zus]. Het stringent vasthouden aan de referteperiode is in dit geval onredelijk, aldus eiser.
In aanvullende gronden van het beroep van 27 april 2006 heeft eiser gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 16 november 2005, (AWB 04/53482) en 2 januari 2006, (AWB 05/29120). Tevens heeft eiser verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 21 december 2005, (AWB 05/299) en nevenzittingsplaats Middelburg van 14 maart 2006 (AWB 05/50412).
5. Verweerder heeft zich in het aanvullend verweerschrift van 8 mei 2006 primair op het standpunt gesteld dat, nu het bestreden besluit dateert van voor het aflopen van de termijn voor het implementeren van de Richtlijn, het beroep van eiser op deze Richtlijn niet kan worden betrokken bij de beoordeling van het onderhavige beroep.
Voorts heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 29 maart 2006 (LJN: AW1795). Nu beide ouders van eiser de Nederlandse nationaliteit bezitten, is de Richtlijn in casu niet van toepassing, aldus verweerder.
6. In reactie op het aanvullend verweerschrift heeft gemachtigde van eiser ter zitting verwezen naar en geciteerd uit de noot van C.A. Groenendijk bij de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2006.
7. De rechtbank overweegt het volgende.
8. In geschil is allereerst of de omstandigheid dat de implementatietermijn zoals bedoeld in artikel 20 van de Richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken, er aan in de weg staat dat eiser zich op de Richtlijn beroept.
Op grond van artikel 20 van de Richtlijn dient Nederland in elk geval sinds het verstrijken van de omzettingstermijn op 3 oktober 2005 aan de Richtlijn te voldoen. Daarnaast verzet het beginsel van gemeenschapstrouw, neergelegd in artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), zich er tegen dat binnen de omzettingstermijn maatregelen worden getroffen die de effectuering van de richtlijn ernstig in gevaar kunnen brengen, zo volgt uit het HvJ EG 18 december 1997, zaak nr. C-129/96 (Inter-Environnement Wallonie ASBL). Hiervan kan sprake zijn in het geval van een gepretendeerde volledige en juiste omzetting van een richtlijn. De nationale rechter dient in zo’n geval te bezien of die omzetting verenigbaar is met de richtlijn. Een onjuiste of onvolledige omzetting die niet binnen de omzettingstermijn kan worden gecorrigeerd, kan tot de conclusie leiden dat wordt gehandeld in strijd met de verplichting van artikel 10 van het EG-Verdrag.
Ter uitvoering van de Richtlijn dient het Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van de Richtlijn en enkele andere onderwerpen betreffende gezinshereniging, gezinsvorming en openbare orde.
Daarnaast strekt het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2005/5 van 9 februari 2005 (Stcrt. 2005, nr. 30) tot verdere implementatie van de Richtlijn.
De rechtbank stelt vast dat genoemde besluiten ter uitvoering van de Richtlijn geen wijziging bevatten met betrekking tot artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 of onderdeel B2/6.4 van de Vc 2000, zoals hierboven reeds weergegeven. In een brief aan de Tweede Kamer van 23 februari 2005 (TK 2004-2005, 19 637, nr. 901) stelt verweerder zich uitdrukkelijk op het standpunt dat het Nederlandse gezinsherenigingsbeleid in zoverre in overeenstemming is met de Richtlijn.
Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat tot aan het verstrijken van de implementatietermijn geen verdere maatregelen te verwachten zijn met betrekking tot de uitvoering van de Richtlijn. Indien en voorzover de Richtlijn niettemin onjuist of onvolledig mocht zijn omgezet in nationaal recht, kan dat de effectuering van de Richtlijn ernstig in gevaar brengen.
Gelet hierop kan eiser zich naar het oordeel van de rechtbank daarom beroepen op de Richtlijn.
9. Vervolgens is de vraag aan de orde of de Richtlijn ook van toepassing is op de rechten van referent op gezinshereniging met eiser.
Ingevolge artikel 1 van de Richtlijn is het doel van deze Richtlijn de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging door onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van de lidstaten verblijven.
In artikel 2, aanhef en onder a, van de Richtlijn is bepaald dat onder “onderdaan van een derde land” wordt verstaan een ieder, die geen burger is van de Unie in de zin van artikel 17, eerste lid, van het Verdrag.
In artikel 2, aanhef en onder c, van de Richtlijn is bepaald dat onder “gezinshereniger” wordt verstaan de onderdaan van een derde land die wettig in een lidstaat verblijft en die een verzoek indient of wiens gezinsleden een verzoek indienen tot gezinshereniging om met hem verenigd te worden.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Richtlijn is deze niet van toepassing op gezinsleden van een burger van de Unie.
De rechtbank stelt vast dat de tekst van de Richtlijn noch de toelichting daarop aangeeft of de Richtlijn ook onverkort van toepassing is op aanvragers met meer dan één nationaliteit en meer specifiek op aanvragers afkomstig uit een derde land die tevens unieburger zijn.
Uit de jurisprudentie van het HvJ EG volgt dat de nationale rechter bij de toepassing van nationaal recht dit recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de Richtlijn teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.
In de preambule onder punt 2 van de Richtlijn heeft de Raad van de Europese Unie (Raad) onder meer overwogen dat de maatregelen op het gebied van gezinshereniging in overeenstemming moeten zijn met de verplichting om het gezin te beschermen en het gezinsleven te respecteren.
In punt 3 van de preambule erkent de Raad de noodzaak van onderlinge afstemming van de nationale wetgevingen over de voorwaarden voor toelating en verblijf van onderdanen van derde landen. In dit verband heeft de Raad met name verklaard dat de Europese Unie moet zorgen voor een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven en dat een krachtiger integratiebeleid erop gericht moet zijn om hun rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Europese Unie.
Voorts is in de preambule onder punt 4 van de Richtlijn door de Raad overwogen dat gezinshereniging een noodzakelijk middel is om een gezinsleven mogelijk te maken en bijdraagt tot de vorming van een sociaal-culturele stabiliteit die de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten bevordert, hetgeen bovendien de mogelijkheid biedt de economische en sociale samenhang te versterken, een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap die in het Verdrag is vastgelegd.
Nu uit voornoemde overwegingen in de preambule en het in artikel 1 omschreven doel van de Richtlijn blijkt dat de Raad gezinshereniging als een fundamenteel recht beschouwt en de bewoordingen van de Richtlijn niet uitsluiten dat deze ook van toepassing is op situaties waarin de gezinshereniger zowel de nationaliteit van een derde land bezit als de nationaliteit van één van de lidstaten, is de rechtbank van oordeel dat de Richtlijn in onderhavige zaak van toepassing is.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat met de positie van personen die zowel de nationaliteit van een lidstaat bezitten als die van een derde land geen rekening is gehouden tijdens de onderhandelingen over deze Richtlijn. Een andersluidend oordeel zou er derhalve op neerkomen dat de Richtlijn in elke lidstaat een andere uitwerking zou hebben, waardoor de noodzakelijk gezochte onderlinge afstemming van de communautaire voorschriften betreffende het recht op gezinsleven niet zou worden bereikt.
Dit zou tevens impliceren dat een derdelander, die langdurig in Nederland heeft gewoond, door naturalisatie tot Nederlander zijn aanspraak op gezinshereniging onder de Richtlijn zou verliezen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank schending oplevert van artikel 12 van het EG-Verdrag, waarin is bepaald dat elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van het EU-Verdrag wordt verboden. Een dergelijke behandeling zou enkel gerechtvaardigd kunnen zijn op grond van objectieve overwegingen, die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan de rechtmatig nagestreefde doelstelling (zie arrest HvJ EG Carlos Garcia Avello van 2 oktober 2003, zaak nr. C-148-02). Deze objectieve overwegingen zijn naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige situatie niet aanwezig.
Voor zover uit jurisprudentie van het HvJ EG zou volgen dat de hoedanigheid van unieburger de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten dient te zijn, leidt dit de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat die primaire hoedanigheid ziet op gelijke behandeling in verband met uit EU-bepalingen verkregen – begunstigende – rechten.
Gelet op bovenstaande is de Richtlijn naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige zaak van toepassing.
10. In navolging van uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 16 november 2005 (LJN AU9956), nevenzittingsplaats Haarlem van 21 december 2005 (LJN AU 8146) en nevenzittingsplaats Middelburg van 14 maart 2006 (LJN AV 6078) is de rechtbank van oordeel dat de voorwaarde uit het Vb 2000 dat de vreemdeling naar het oordeel van de minister in het land van herkomst feitelijk behoort tot het gezin van de hoofdpersoon niet in overeenstemming met het criterium “werkelijk gezinsleven” zoals bedoeld in artikel 16 van de Richtlijn.
Het begrip “werkelijk gezinsleven” is naar het oordeel van de rechtbank gemeenschapsrechtelijk van aard. Een uiteenlopende invulling daarvan door de afzonderlijke lidstaten – zoals in casu in de vorm van het eigen oordeel van de minister – zou geen recht doen aan het in artikel 1 van de Richtlijn omschreven doel en de blijkens de preambule, onder meer overweging 16, beoogde afstemming van het recht op gezinshereniging voor onderdanen van derde landen. Zoals ook door de Minister in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 is aangegeven, bevatten de artikelen 4, eerste lid, en 16 van de Richtlijn minimumnormen, waaraan het nationale gezinsherenigingsbeleid in ieder geval moet voldoen.
Artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 dient daarom, in het geval van gezinshereniging door derde-landers in de zin van de Richtlijn, aldus te worden gelezen dat de verblijfsvergunning wordt verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat een werkelijk gezinsleven onderhoudt met de hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.
In navolging van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juli 2006 (LJN: AY 4772) is de rechtbank van oordeel dat de vraag of sprake is van werkelijk gezinsleven moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Gelet op de uitleg die verweerder in die procedure aan het beleid zoals neergelegd in onderdeel B2/6.4 van de Vc 2000 heeft gegeven, heeft de vreemdeling de mogelijkheid om – ook na een scheiding van vijf jaar – aan te tonen dat dit gezinsleven bestaat met het gezinslid bij wie verblijf wordt beoogd.
De beoordeling zoals door verweerder in het bestreden besluit is weergegeven, voldoet hieraan niet, nu daarin categorisch is overwogen dat de feitelijke gezinsband vanwege de referteperiode van meer dan elf jaar is verbroken, en volgens verweerder de uitzonderingssituaties zich in casu niet voordoen.
De omstandigheid dat ouder(s) en kind langdurig van elkaar gescheiden hebben geleefd, kan een aanwijzing zijn voor het ontbreken van werkelijk gezinsleven, maar is niet zonder meer van doorslaggevend belang. De door eiser genoemde achtergronden bij de keuze van referent om hem achter te laten in Turkije kunnen van betekenis zijn bij het beoordelen van de intentie die referent hiermee heeft gehad. In het verlengde daarvan is – anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen – van belang in welke mate er sprake is geweest van contact, van betrokkenheid van referent bij de opvoeding van eiser en van een bijdrage van referent in de kosten van de verzorging en opvoeding van eiser.
De rechtbank is van oordeel dat uit het thans bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken ten onrechte niet blijkt van een dergelijke beoordeling.
Het bestreden besluit voldoet gelet hierop niet aan de zorgvuldigheidseisen van artikel 3:2 en het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van de Awb en dient dan ook te worden vernietigd. Aan bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.
Verweerder zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen.
11. Het beroep is derhalve gegrond.
12. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- (met als wegingsfactor 1½ uitgaande van een zaak van zwaar gewicht). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.
III. Uitspraak
De rechtbank 's-Gravenhage,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;
gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,-- vergoedt.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2006 door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzitter, mr. J. Sinack en mr. B.F.Th. de Roos, leden, in tegenwoordigheid van H.M.J. Slabbekoorn, griffier.
De griffier
De rechter
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.
Het beroepschrift moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC
’s-Gravenhage.
Afschrift verzonden op: