
Jurisprudentie
AZ0486
Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3628 WAO + 04/3682 WAO + 05/1785 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3628 WAO + 04/3682 WAO + 05/1785 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Twee uitspraken, drie besluiten. 1) Herziening WAO-uitkering. 2) Na knieoperatie herziening WAO-uitkering. 3) Indexering maatman-inkomen. Is medische beoordeling voldoende? Zijn geduide functies passend?
Uitspraak
04/3628 WAO
04/3682 WAO
05/1785 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 26 mei 2004, 03/2763 (uitspraak 1) en 03/1285 (uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 17 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken 1 en 2. Vaak heeft zij op 29 november 2004 een rapport van de revalidatiearts M.P. IJff van 2 november 2004 overgelegd.
Het Uwv heeft in het geding betreffende uitspraak 1 op 22 december 2004 van verweer gediend en daarbij als reactie op het rapport van IJff het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns van 16 december 2004 overgelegd.
Het Uwv heeft in het geding betreffende uitspraak 2 desgevraagd in verband met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716 e.v.) op 27 januari 2005 een nadere toelichting verstrekt en daarbij zijn besluit van 27 januari 2005 overgelegd. Hierop heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 9 maart 2005 meegedeeld haar hoger beroep tegen uitspraak 2 te handhaven.
De gemachtigde van appellante heeft een reactie ingestuurd op de brieven van gedaagde van 22 december 2004 en 27 januari 2005.
Het Uwv heeft desgevraagd bij brief van 9 juni 2006 zijn verweerschrift met het daarbij gevoegde rapport van Brouns van 16 december 2004 in het geding betreffende uitspraak 2 overgelegd en heeft in de brief van 9 juni 2006 tevens vragen van de Raad beantwoord. Voorts heeft het Uwv bij brief van 30 juni 2006 het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen van 28 juni 2006 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd – plaatsgevonden op 5 september 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.
II. OVERWEGINGEN
De Raad zal eerst het hoger beroep tegen uitspraak 1 bespreken en vervolgens het hoger beroep tegen uitspraak 2.
Het hoger beroep tegen uitspraak 1
Appellante was werkzaam als klassenassistente toen zij op 14 december 1999 uitviel met knieklachten. In het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellante op 29 januari 2001 onderzocht door de verzekeringsarts M.T.C.M. van der Wielen. In het rapport van dit onderzoek van 2 april 2001 heeft Van der Wielen aangetekend dat appellante behalve knieklachten ook schouder-, pols-, elleboog- en rugklachten heeft en dat volgens haar reumatoloog deze klachten kunnen worden geduid als fybromyalgie. Van der Wielen gaf de ontvangen informatie van de behandelend orthopaedisch chirurg dr. M. Dekker samengevat weer en concludeerde dat appellante niet geschikt was voor kniebelastende en zware polsbelastende werkzaamheden en dat zij daarbij overwegend moest kunnen zitten zonder plotse draaibewegingen te moeten maken. Van der Wielen legde zijn bevindingen vast in een handgeschreven FIS-formulier van 2 april 2001 dat uitwerking vond in het belastbaarheidspatroon van 30 mei 2001. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van eveneens 30 mei 2001 werd bij het arbeidskundig onderzoek een aantal functies geselecteerd en het verlies aan verdienvermogen berekend op 24,86%. Vervolgens nam de rechtsvoorganger van het Uwv het primaire besluit van 20 juni 2001, waarbij aan appellante met ingang van 12 december 2000 een WAO-uitkering werd toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
In de bezwaarprocedure legde de gemachtigde van appellante informatie van de reumatoloog P.H.J. Lanting van 9 oktober 2000 en revalidatiearts IJff van 21 augustus 2001 over. Vervolgens onderschreef de bezwaarverzekeringsarts H.A.M. Karis blijkens het rapport van 19 juli 2002 het onderzoek van Van der Wielen en verklaarde het Uwv bij besluit van 29 juli 2002 het bezwaar van appellante ongegrond.
De rechtbank Arnhem verklaarde bij uitspraak van 14 mei 2003 het beroep tegen laatstgenoemd besluit gegrond, vernietigde dat besluit en droeg het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank oordeelde dat uit het rapport van Karis niet bleek dat evengenoemde informatie van Lanting en IJff was betrokken bij de beoordeling. Voorts achtte de rechtbank, vooruitlopend op de herbeoordeling door het Uwv, onvoldoende gemotiveerd dat de functie meubelspuiter voldeed aan het vereiste van een overwegend zittende functie.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts P.F. Klein Obbink op 29 augustus 2003 een rapport uitgebracht. Na weging van de beschikbare medische informatie stelde hij vast dat de meergenoemde informatie van Lanting en IJff overeen komt met de in het rapport van Van der Wielen weergegeven informatie van Dekker. Voorts concludeerde hij dat de functie stikster meubelbekleding geschikt was omdat daarin geen extreme polsbelasting werd aangegeven. Vervolgens liet de bezwaararbeidsdeskundige J.A. Reijerse in zijn rapport van 24 september 2003 behalve de door de rechtbank vermelde functie meubelspuiter ook nog de functies draadvlechter en pakhuis-, expeditie- en magazijnknecht vallen en lichtte hij toe dat de bijzondere eisen aan het hand- en vingergebruik in de functie stikster meubelbekleding zag op precisiewerk van de vingers en niet op belasting van de polsen. Op basis van de aldus gewijzigde functieselectie berekende Reijerse het verlies aan verdienvermogen op 28,95%. Hierop verklaarde het Uwv bij besluit van 24 oktober 2003 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellante gegrond, trok het primaire besluit in en bepaalde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 12 december 2000 op 25 tot 35%.
In beroep heeft de gemachtigde van appellante onder verwijzing naar de informatie van Lanting en IJff betwist dat die informatie overeenkwam met de haars inziens niet actuele informatie van Dekker en heeft zij gesteld dat een urenbeperking zou dienen te gelden. Tevens heeft de gemachtigde arbeidskundige bezwaren ingebracht tegen de ingevolge besluit 1 nog resterende functies. Het Uwv is in het verweerschrift in eerste aanleg uitvoerig ingegaan op de naar zijn mening betrekkelijke betekenis van de informatie van Lanting en IJff voor de vaststelling van de belastbaarheid van appellante. Wat betreft de arbeidskundige kant van besluit 1 is in dit verweerschrift aangegeven dat de functie archiefmedewerker dient te vervallen, zodat de schatting uiteindelijk berust op de functies stikster meubelbekleding, statistisch medewerker en assemblagemedewerker zonder dat dit gevolgen heeft voor de bij besluit 1 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.
De rechtbank heeft bij uitspraak 1 het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Zij oordeelde dat het Uwv in het verweerschrift voldoende heeft toegelicht dat de informatie van Lanting en IJff geen aanleiding behoefde te geven de voor appellante vastgestelde belastbaarheid te wijzigen en dat in dit geval het achterwege blijven van een lichamelijk onderzoek niet onzorgvuldig moet worden geacht omdat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende medische gegevens beschikbaar waren gekomen. Verder gaf de rechtbank gemotiveerd aan dat de arbeidskundige bezwaren van appellante haar geen aanleiding gaven de drie aan besluit 1 ten grondslag gelegde functies voor appellante ongeschikt te achten.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante in essentie de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte medische en arbeidskundige bezwaren herhaald.
De Raad heeft geen aanleiding gezien omtrent de medische en arbeidskundige grondslag van besluit 1 anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
Wat betreft de medische grondslag van besluit 1 onderschrijft de Raad geheel het oordeel van de rechtbank dat de beschikbaar gekomen informatie van met name Lanting en IJff geen aanleiding behoefde te geven de vastgestelde belastbaarheid van appellante te wijzigen. De Raad stelt voorts vast dat weliswaar in het algemeen een lichamelijk onderzoek deel uitmaakt van een adequaat verzekeringsgeneeskundig onderzoek maar is met de rechtbank op de door haar aangegeven grond van oordeel dat het achterwege laten van zo’n onderzoek in dit geval het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig maakt. Ook in hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante geen nadere medische gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op de datum bij besluit 1 in geding heeft onderschat.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 overweegt de Raad dat, afgezien van de in de bezwaar- en beroepsfase gegeven motivering voor de aanvaardbaarheid van de overschrijdingen van de belastbaarheid in de overgebleven functies ten aanzien van de pols- en zitbelasting, deze aanvaardbaarheid wat betreft de polsbelasting naar zijn oordeel in essentie al genoegzaam door Van der Wielen met pen is aangetekend op de verwoording functiebelasting van de functies naaister-stikster en metaalpersbediende. Wat betreft de opleidings- en ervaringseisen in de functie statistisch medewerker stelt de Raad, naast hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen, vast dat, zoals door het Uwv in het verweerschrift ook is opgemerkt, voor deze functie geen specifieke ervaringseisen gelden. Voorts beschikt appellante blijkens de stukken over een LHNO- en een MBO/MHNO-diploma en geldt voor deze functie blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst niet het bezit van een specifiek VBO-diploma.
Uit al het vorenstaande volgt dat besluit 1 in rechte stand kan houden en dat uitspraak 1 dient te worden bevestigd.
Het hoger beroep tegen uitspraak 2.
Uit het rapport van de verzekeringsarts J.P.M. Janssen van 16 mei 2002 blijkt dat er bij appellant met ingang van 16 januari 2002 in verband met een nieuwe knieoperatie geen sprake was benutbare mogelijkheden. Dit heeft geleid tot een herziening van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 februari 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Janssen heeft blijkens zijn rapport op basis van zijn onderzoek, waarin onder andere naar voren kwam dat appellante met name locomotore klachten met betrekking tot de rechter knie en in mindere mate rug- en polsklachten had, vastgesteld dat er weer sprake was van benutbare mogelijkheden. De mogelijkheden en beperkingen van appellante legde Janssen vast in de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst ((K)FML) van 16 mei 2002. Op basis hiervan en aan de hand van de door hem verrichte functieduiding berekende de arbeidskundige R.J.M. Kools het verlies aan verdienvermogen op 31,50%. Vervolgens werd de WAO-uitkering van appellante bij het primaire besluit van 24 juni 2002 met ingang van 16 mei 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
In de bezwaarprocedure concludeerde de bezwaarverzekeringsarts Brouns, die de beschikking had over hem door de huisarts verstrekte informatie van 17 januari 2003 met onder andere daarbij gevoegde informatie van IJff, alsmede voorts over informatie van Dekker, in zijn rapport van 15 februari 2003 dat appellante belastbaar was volgens de voor haar vastgestelde FML. Vervolgens berekende de bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer in het rapport van 22 april 2003 op basis van een gewijzigde functieselectie, waarbij de tot de SBC-code 315170 behorende functies telefonist en de onder de SBC-code 264140 vallende functie samensteller zijn vervallen, het verlies aan verdienvermogen op 44,52%. Daarna verklaarde het Uwv bij besluit van 5 mei 2003 (hierna: besluit 2) het bezwaar van appellante gegrond en wijzigde het Uwv het primaire besluit van 24 juni 2002 in die zin dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 25 augustus 2002 werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
In beroep heeft de gemachtigde van appellante onder andere gewezen op nadere informatie van de huisarts van appellante van 21 mei 2003, die aangaf dat appellante op 11 juni 2002 en zeker ook op 16 mei 2002 nog leed aan een actieve vorm van de ziekte van Pfeiffer. Voorts achtte de gemachtigde van appellante met name de functie stikster meubelbekleding niet geschikt vanwege de voetpedaalbediening en het voortdurend werken met polsen en vingers. Ter zitting van de rechtbank op 29 april 2004 heeft de gemachtigde nog aangegeven dat het maatmanloon van appellante ten onrechte niet is geïndexeerd naar de datum bij besluit 2 in geding.
Het Uwv heeft in het verweerschrift in eerste aanleg de conclusie van de huisarts inzake de activiteit van de ziekte van Pfeiffer op 16 mei 2002 uitvoerig bestreden.
De rechtbank heeft bij uitspraak 2 het beroep van appellante tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Blijkens haar overwegingen onderschreef zij de medische en arbeidskundige grondslag van besluit 2. De rechtbank tekende voorts nog aan dat zij de eerst ter zitting opgeworpen stelling van de gemachtigde van appellante, dat als gevolg van het niet indexeren van het maatmanloon bij besluit 2 mogelijk een onjuiste mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld, als ongemotiveerd en in strijd met de goede procesorde passeerde.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante haar eerder geformuleerde bezwaren tegen de medische grondslag van besluit 2 gehandhaafd. Tevens achtte de gemachtigde het oordeel van de rechtbank inzake de geschiktheid van appellante voor de geduide functies onjuist en ging de rechtbank naar haar mening ten onrechte voorbij aan de opmerking over de indexering van het maatmanloon.
Zoals in rubriek I is aangegeven heeft het Uwv op 27 januari 2005 zijn besluit van die datum overgelegd. Met dit besluit (hierna: besluit 3) heeft het Uwv besluit 2 gewijzigd in verband met een nadere berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum bij besluit 2 in geding, te weten 25 augustus 2002. Blijkens het rapport van Schrijer van 23 december 2004 bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 25 augustus 2002, na indexering van haar maatmanloon naar die datum, namelijk 45,10%. Deze mate van arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv in besluit 3 vastgelegd.
De Raad houdt het er voor dat met besluit 3 besluit 2 in feite is ingetrokken. Mede gelet op hetgeen namens appellante is aangevoerd in reactie op besluit 3, stelt de Raad vast dat met besluit 3 niet volledig aan het beroep van appellante tegen besluit 2 is tegemoet gekomen. Dit beroep wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan ook geacht mede te zijn gericht tegen besluit 3. Uit vaste jurisprudentie van de Raad blijkt dat in een dergelijk geval het belang bij een beoordeling van besluit 2 in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Van dat laatste is in dit geval geen sprake, zodat het hoger beroep tegen uitspraak 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van besluit 3 overweegt de Raad in de eerste plaats dat, wat ook zij van de discussie tussen partijen omtrent de mate van activiteit van de ziekte van Pfeiffer op 16 mei 2002, ook hem uit de informatie van de huisarts van 21 mei 2003, evenals de rechtbank heeft vastgesteld in uitspraak 2, en trouwens ook uit de overige beschikbare medische gegevens niet gebleken is dat bij appellante op de datum bij besluit 3 in geding, 25 augustus 2002, nog sprake was van (activiteit van) de ziekte van Pfeiffer. Van de zijde van appellante is dit ter zitting desgevraagd ook niet gesteld. Ook overigens is de Raad – evenals de rechtbank ten aanzien van besluit 2 had aangenomen – niet gebleken dat met de vastgestelde (K)FML de mogelijkheden van appellante om op 25 augustus 2002 passende arbeid te verrichten zijn overschat. Met name is de Raad uit de beschikbare medische gegevens niet gebleken van de noodzaak om voor appellante een urenbeperking in acht te nemen.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 3, voorzover in hoger beroep nog in geschil, overweegt de Raad dat de gemachtigde van appellante op 29 november 2004 een nader rapport van IJff van 2 november 2004 heeft overgelegd, waarin hij onder andere heeft aangegeven dat appellante vanwege het dragen van een ondersteunende kniebeugel de functies confectienaaister en gereedschapsmaker niet kon vervullen. Kennelijk mede in reactie hierop heeft Brouns in zijn rapport van 23 december 2004 toegelicht dat bediening van een voet- of kniepedaal niet kniebelastend is, welke toelichting de Raad, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk voorkomt.
De Raad wijst er voorts op dat Schrijer en Brouns in hun rapporten van 23 december 2004 een uitvoerige toelichting hebben gegeven op de belastende factoren in de geduide functies in het licht van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, welke toelichting volgens het Uwv kan dienen als de door de Raad op 4 januari 2005, als bedoeld in rubriek I van deze uitspraak, gevraagde toelichting naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004. De Raad heeft geen aanleiding gezien deze rapporten, waarop de gemachtigde van appellante niet nader heeft gereageerd, voor onjuist en/of onvolledig te houden.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 3 ongegrond moet worden verklaard.
Proceskosten
Gelet op hetgeen de Raad ten aanzien van uitspraak 2 heeft overwogen, acht de Raad in het licht van zijn vaste jurisprudentie ter zake termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt uitspraak 1;
Verklaart het hoger beroep tegen uitspraak 2 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Verklaart het beroep, dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 3, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.
MR