Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0484

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4229 AAWAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Fraude-onderzoek. Medische beoordeling juist?


Uitspraak

04/4229 AAWAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2004, 02/4483 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 oktober 2006 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen. II. OVERWEGINGEN Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden: “Eiser, geboren op 18 april 1947 en laatstelijk werkzaam als sloper, heeft op 23 juni 1986 deze werkzaamheden gestaakt wegens rugklachten. Aan hem is bij besluit van 25 juni 1987 per 22 juni 1987 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar aanleiding van een fraudeonderzoek heeft verweerder bij besluit van 6 februari 1996 eisers uitkering met ingang van 1 februari 1996 geschorst. Bij brief van 6 september 1996 heeft de verzekeringsarts orthopedisch chirurg H.E. de Meyier verzocht om een expertise ter zake van eisers gezondheidstoestand en zijn (eventuele) beperkingen in relatie tot het verrichten van arbeid. In geval van het bestaan van dergelijke beperkingen is aan De Meyier de vraag voorgelegd of eiser als sloper in de periode 1989-1991 tot schade van zijn gezondheid zou hebben gewerkt. De Meyier heeft op 17 oktober 1996 een onderzoeksrapport opgesteld, waarvan de conclusie luidt, dat hij, bij de aangetoonde afwijkingen, eiser geen beperkingen zou opleggen ten aanzien van de uitoefening van een functie. Eiser heeft, aldus de deskundige, als hij al als sloper gewerkt heeft in de periode 1989 tot 1991, dit niet tot schade van zijn eigen gezondheid gedaan. Uit het rapport van de verzekeringsarts F. Vos van 22 oktober 1996 blijkt dat er, naar diens oordeel, geen sprake is van rechtstreeks door ziekte en/of gebrek veroorzaakte te objectiveren beperkingen van de belastbaarheid. Eiser is arbeidsgeschikt voor zijn functie als sloper. Deze situatie geldt volgens Vos sedert 1 januari 1989. De verzekeringsarts heeft eiser vervolgens bij brief van 22 oktober 1996 meegedeeld dat er naar aanleiding van een fraude-onderzoek een medisch onderzoek naar eisers belastbaarheid is gedaan. Uit het medisch onderzoek blijkt dat er geen bezwaar bestaat dat eiser sloopwerkzaamheden uitoefent en dat eiser per 1 januari 1989 arbeidsgeschikt is. Bij besluit van 29 november 1996 is de WAO-uitkering van eiser op basis van een fraude-onderzoek en een onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 januari 1989 vastgesteld op minder dan 15%, waarbij is overwogen dat eiser sedert 1 januari 1989 werkzaam is geweest tegen loon. Tevens is bij besluit van 28 februari 1997 meegedeeld dat hetgeen vanaf 1 januari 1989 is uitgekeerd van eiser terug wordt gevorderd. Bij uitspraak van 5 november 1997 heeft de rechtbank Amsterdam deze besluiten vernietigd, omdat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat eiser gedurende de periode van 1 januari 1989 tot en met 28 juni 1991 werkzaam is geweest. De Centrale Raad van Beroep heeft die uitspraak op 17 juni 2001 -zij het deels op andere gronden- bevestigd. Bij primair besluit van 22 november heeft verweerder vervolgens, onder verwijzing naar de brief van 22 oktober 1996, aan eiser meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% wordt gesteld en dat zijn WAO-uitkering met ingang van 23 december 1996 wordt beëindigd. Het door eiser daartegen ingediende bezwaar is door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.” De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep zijn namens appellant de eerder in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren gebrachte grieven herhaald. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv het thans bestreden besluit, waarbij appellants uitkeringen ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidwet (AAW) en Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 december 1996 zijn ingetrokken, heeft kunnen en ook mogen baseren op de medische beoordeling zoals deze in 1996 heeft plaatsgevonden. In de beschikbare gegevens, waaronder de rapportages van verzekeringsgeneeskundige F. Vos d.dis 15 mei 1996 en 22 oktober 1996 alsmede het rapport van de door deze verzekeringsgeneeskundige ingeschakelde orthopedisch chirurg H.E. de Meyier, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. Uit deze rapporten blijkt dat er op orthopedisch gebied geen beperkingen hoeven te worden opgelegd ten aanzien van de uitoefening van de functie van sloper. Blijkens de rapportage van verzekeringsgeneeskundige Vos d.d. 22 oktober 1996, heeft deze zijn bevinding, namelijk dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn (eigen) werk van sloper, mede gebaseerd op de zich onder de gedingstukken bevindende werkomschrijving van de functie van sloper zoals appellant deze voor zijn uitval heeft vervuld. Het feit dat het hiervoor bedoelde medisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een fraudemelding, brengt niet met zich mee dat thans, na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 17 juli 2001, getwijfeld moet worden aan de juistheid van dit oordeel. Overigens merkt de Raad in dit verband op dat appellant in de thans aanhangig zijnde beroepsprocedure met betrekking tot zijn gezondheidstoestand ten tijde van de datum in het geding geen medische gegevens heeft ingebracht die aanleiding geven tot een andersluidend medisch oordeel. Het voorgaande brengt, naar het oordeel van de Raad, tevens met zich dat het Uwv de brief van 22 oktober 1996, waarin aan appellant bekend is gemaakt dat hij ten aanzien van sloopwerkzaamheden arbeidsgeschikt werd geacht, als aanzeggingbrief heeft mogen en kunnen gebruiken voor de intrekking van appellants AAW/WAO-uitkeringen per 23 december 1996, ook al was deze brief geschreven in het kader van het fraude onderzoek. Appellant had na kennisneming van de brief van 22 oktober 1996 toentertijd en ook tijdens de eerdere beroepsprocedure inzake de intrekking van de AAW/WAO-uitkering per 1 januari 1989 en het terugvorderingsbesluit dat voortvloeide uit de intrekking met terugwerkende kracht, er rekening mee moeten houden dat er op of na 22 oktober 1996 geen aanspraak meer zou kunnen bestaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voorts onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de grief dat het Uwv appellant de mogelijkheid heeft ontnomen om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan te vragen door eerst eind november 2001 een beslissing te nemen omtrent de beëindiging van de AAW/WAO-uitkering per 23 december 1996. Nog daargelaten de vraag of en in hoeverre zulks van invloed is op de houdbaarheid in rechte van de thans aan de orde zijnde intrekking van de AAW/WAO-uitkering, moet worden opgemerkt dat niets appellant belette om desnoods veiligheidshalve WW-uitkering aan te vragen in afwachting van de uitslag van de eerdere beroepsprocedure. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006. (get.) D.J. van der Vos. (get.) J.J. Jansen. BKH 051006