
Jurisprudentie
AZ0482
Datum uitspraak2006-08-24
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers2006/699
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers2006/699
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het hof stelt voorop dat [appellant] bij zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling wist dat geen aangifte omzetbelasting was gedaan over de jaren 2000 en 2001 en dat hij aldus nog een substantiële belastingvordering ten aanzien daarvan kon verwachten. De desbetreffende schuld is derhalve niet te goeder trouw ontstaan. Niet gebleken is dat [appellant] de bewindvoerder bij zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling van een en ander op de hoogte heeft gesteld. Ter terechtzitting heeft [appellant] bovendien verklaard dat de omvang van die belastingschulden, hoewel hij stelt dat de ambtshalve opgelegde aanslagen voor discussie vatbaar zijn, aanzienlijk zal blijven ook indien hij daartegen alsnog bezwaar indient.
Het hof is evenwel van oordeel dat het voorgaande thans geen grond meer kan opleveren voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Uitspraak
24 augustus 2006
eerste civiele kamer
rekestnummer 2006/699U
G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M
nevenzittingsplaats Arnhem
Arrest
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
procureur: mr. L.J.G. Voorn.
1 Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 9 maart 2004 is de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]). Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.P.P.M. van Vonderen en tot bewindvoerder M.J.M. van Breemen.
1.2 Bij vonnis van 30 maart 2004 heeft de rechtbank te Utrecht vervolgens de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.
1.3 Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 17 juli 2006 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd. In het faillissement, waarin hij van rechtswege zal komen te verkeren met ingang van de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.P.P.M. van Vonderen en tot curator mr. W.J.A. Lansing.
1.4 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 24 juli 2006 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van dat vonnis.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van de brieven met bijlagen van 2 en 8 augustus 2006 van de bewindvoerder en van het faxbericht met bijlagen van 10 augustus 2006 van de bewindvoerder.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2006, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht. De bewindvoerder heeft bij brief van 2 augustus 2006 aangegeven niet ter terechtzitting aanwezig te zullen zijn.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 [appellant] stelt – voor zover thans van belang – dat hij pas na zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling op de hoogte is geraakt van het bestaan van een aanzienlijke schuld (van meer dan € 80.000,-) aan de Belastingdienst, voortvloeiend uit de onderneming die hij van december 1997 tot januari 2002 heeft gedreven. Hij heeft de desbetreffende schuld derhalve niet verzwegen bij zijn toelating. Over de jaren 1998 en 1999 heeft hij belastingaangifte gedaan. De benodigde stukken om aangifte te kunnen doen over de jaren 2000 en 2001 zijn echter bij een verhuizing in november 2001 zoekgeraakt. [appellant] verkeerde aldus in de onmogelijkheid aangifte te doen. De daaruit voortvloeiende schulden zijn daarom niet verwijtbaar ontstaan. Voorts stelt [appellant] dat hij in de jaren 2000 en 2001 nagenoeg geen omzet heeft gegenereerd, zodat de ambtshalve opgelegde aanslagen voor discussie vatbaar zijn.
3.2 Het hof stelt voorop dat [appellant] bij zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling wist dat geen aangifte omzetbelasting was gedaan over de jaren 2000 en 2001 en dat hij aldus nog een substantiële belastingvordering ten aanzien daarvan kon verwachten. De desbetreffende schuld is derhalve niet te goeder trouw ontstaan. Niet gebleken is dat [appellant] de bewindvoerder bij zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling van een en ander op de hoogte heeft gesteld. Ter terechtzitting heeft [appellant] bovendien verklaard dat de omvang van die belastingschulden, hoewel hij stelt dat de ambtshalve opgelegde aanslagen voor discussie vatbaar zijn, aanzienlijk zal blijven ook indien hij daartegen alsnog bezwaar indient.
3.3 Het hof is evenwel van oordeel dat het voorgaande thans geen grond meer kan opleveren voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] namelijk aangevoerd dat [appellant] steeds zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is nagekomen en nog maar zes maanden had te gaan, waardoor de vraag omtrent het al dan niet verwijtbaar ontstaan van die belastingschulden volgens hem achterhaald is. Desgevraagd heeft hij vervolgens gesteld dat het de rechtbank niet meer vrijstond de schuldsaneringsregeling te beëindigen op basis van gegevens die al twee jaar bekend waren. Het hof onderschrijft dit laatste. Gebleken is dat de bewindvoerder reeds door een brief van de Belastingdienst van 6 april 2004 – dus kort na de toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling – van het bestaan van forse belastingschulden op de hoogte is geraakt en dat de rechtbank daarvan in ieder geval bij het eerste voortgangsverslag van 10 november 2004 in kennis is gesteld. Uit dat verslag blijkt duidelijk dat de ingediende vorderingen waren gestegen van nog geen € 7.000,- naar meer dan € 90.000,-. Noch de bewindvoerder, noch de rechtbank heeft indertijd aanleiding gezien onderzoek te doen naar de aard van de nieuwe vorderingen. De schuldsaneringsregeling is zonder meer tot juni 2006 voortgezet. Nu het hier gaat om een sanctie op het achterhouden van gegevens, had hierop binnen adequate tijd gereageerd moeten worden door de bewindvoerder en/of de rechtbank. Daarvan is, ook gelet op de reguliere duur van de regeling (drie jaar), geen sprake wanneer twee jaar wordt gewacht met een reactie. Het hof acht tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op dit moment en enkel om die reden dan ook in strijd met een behoorlijke rechtspleging. Wel ziet het hof in het voorgaande aanleiding de rechtbank in overweging te geven een saneringsplan vast te stellen en de schuldsaneringsregeling te verlengen met een termijn van twee jaren.
3.4 Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 17 juli 2006 en, opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] wordt voortgezet.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Weij, Van der Kwaak en Vaessen, bij afwezigheid van mr. Van der Weij getekend door mr. Van der Kwaak, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2006.