Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0481

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4787 WAO + 04/5602 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Arbeidskundige grondslag onvoldoende, er resteren slechts 2 geschikte functies.


Uitspraak

04/4787 WAO, 04/5602 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 juli 2004, 03/423 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 18 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P. de Casparis, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters. II. OVERWEGINGEN Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. Aan appellante is met ingang van 24 september 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 24 november 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank heeft het besluit van 7 maart 2003, waarbij het Uwv het bezwaar van appellante tegen die herziening ongegrond heeft verklaard, vernietigd. Aan de schatting waren aanvankelijk drie functies ten grondslag gelegd, terwijl één reservefunctie werd geselecteerd. Als gevolg van de aangevallen uitspraak zijn enkele deelfuncties komen te vervallen. Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 september 2004 blijkt dat met inachtneming van de aangevallen uitspraak vier functies resteerden, te weten: schoolverpleegkundige (sbc-code 692061), telefonist, receptionist (sbc-code 315120), arbeidstherapeut (sbc-code 492100) en intercedent (sbc-code 763100). Op basis daarvan heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit op bezwaar van 23 september 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 24 november 2002 herzien naar 35 tot 45%. Nu dit besluit niet geheel aan het beroep van appellante tegemoetkomt, wordt dit beroep op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit (hierna: het bestreden besluit). Nadien heeft de bezwaararbeidsdeskundige het arbeidsongeschiktheidspercentage per de datum in geding na herberekening gecorrigeerd naar 45 tot 55%. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat de functie schoolverpleegkundige in zijn geheel en één van de deelfuncties telefonist, receptionist komen te vervallen, omdat de met die functies verbonden belasting op het aspect toetsenbord / muis bedienen, namelijk maximaal 3 uur per dag, de voor appellante op dat aspect geldende belastbaarheid, namelijk maximaal 2 uur per dag, overschrijdt. Ter zitting is tevens vastgesteld dat hetzelfde geldt voor de functie intercedent, zodat ook die functie afvalt. De Raad stelt vast dat, nu de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit nog slechts twee functies omvat, niet voldaan is aan het in het Schattingsbesluit neergelegde vereiste dat de schatting op ten minste drie functies moet berusten. Uit het vorenstaande volgt dat appellante geen belang meer heeft bij een uitspraak van de Raad over de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante dienen te nemen. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 23 september 2004 gegrond; Vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.J. Janssen. MH