Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0480

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4820 ZW + 06/4887 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schorsing, weigering en terugvordering ziekengeld. Niet voldaan aan legitimatieplicht. Overmacht? Beleid? Bij alsnog voldoen aan verplichtingen, wanneer hervatting uitkering? Terugwerkende kracht?


Uitspraak

04/4820 ZW, 06/4887 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 14 juli 2004, 03/1509 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene). Datum uitspraak: 18 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.G. Koch. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. L.G.M. van Vugt-van Moorsel, advocaat te Veghel. II. OVERWEGINGEN Betrokkene ontving vanaf 14 mei 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 25 november 2002 heeft hij zich vanuit die uitkeringssituatie per 14 november 2002 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ziek gemeld. Bij brief van 18 december 2002 heeft het Uwv aan betrokkene meegedeeld dat hij op die dag niet had voldaan aan zijn legitimatieplicht en dat de betaling in het kader van de Ziektewet (ZW) daarom per 18 december 2002 werd geschorst. Bij brief van 20 januari 2003 is betrokkene in kennis gesteld van het besluit, dat de ziekengelduitkering met ingang van 14 november 2002 werd beëindigd. Dit besluit berust op de overweging, dat betrokkene met ingang van 14 november 2002 geen recht had op ziekengeld, omdat hij niet een geldig legitimatiebewijs kon overleggen. Bij besluit van 3 februari 2003 is de over de periode van 14 november 2002 tot en met 15 december 2002 betaalde ziekengelduitkering ten bedrage van € 1.433,30 van betrokkene teruggevorderd. Betrokkene heeft op 3 februari 2003 per faxbericht een kopie van zijn paspoort aan het Uwv gestuurd, waarna het Uwv per 4 februari 2003 is teruggekomen van de weigering van het ziekengeld, omdat betrokkene zich op die datum alsnog heeft gelegitimeerd. Tegen beide voormelde besluiten van 20 januari 2003 en 3 februari 2003 is bezwaar gemaakt. Daarbij is van de zijde van betrokkene aangevoerd, dat hij als gevolg van een samenloop van omstandigheden, welke als overmacht valt aan te merken, destijds niet over een geldige legitimatie beschikte en dat hij eerst in januari 2003 weer een geldig paspoort had verkregen. De bezwaren zijn bij besluit van 9 mei 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 9 mei 2003 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Ter zitting van de rechtbank had de gemachtigde van appellant verklaard dat het besluit van 9 mei 2003 niet kon worden gehandhaafd, omdat de ZW-uitkering eerst ingaande 18 december 2002, zijnde de datum van schorsing van de uitkering, kon worden ingetrokken. Dit op grond van artikel 30a en artikel 47a, derde lid, van de ZW in combinatie met de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen (Besluit van 18 april 2000, Strct. 89, zoals nadien gewijzigd). Bij brief van 17 augustus 2006 heeft appellant betrokkene in kennis gesteld van een nieuw besluit op bezwaar, waarbij – onder intrekking van het besluit van 9 mei 2003 - het bezwaar tegen de primaire besluiten gegrond is verklaard in die zin, dat de ziekengelduitkering met ingang van 18 december 2002 werd ingetrokken en dat de terugvordering van de uitkering over de periode van 14 november 2002 tot en met 15 december 2002 niet werd gehandhaafd. Met dit besluit is wijziging gebracht in het besluit van 9 mei 2003. Nu het besluit van 17 augustus 2006 niet geheel aan betrokkenes beroep tegemoet komt, wordt op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Appellant heeft bij het besluit van 17 augustus 2006 overwogen dat als gevolg van het feit dat betrokkene op 18 december 2002 niet aan zijn legitimatieplicht heeft voldaan, het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld, zodat de uitkering met ingang van deze datum diende te worden ingetrokken. Appellant heeft hiermee toepassing gegeven aan voormelde, onder meer op artikel 30a, van de ZW gebaseerde regeling. In de bij die regeling behorende bijlage is vastgelegd welk beleid het Uwv bij de toepassing van de wettelijke regelingen inzake opschorting, schorsing en intrekking of herziening van uitkeringsbeslissingen hanteert. Indien de belanghebbende binnen een gestelde termijn zijn verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt en daardoor het recht niet kan worden vastgesteld, wordt de uitkering ingetrokken met ingang van de datum vanaf welke het recht niet meer kan worden vastgesteld. Indien belanghebbende alsnog voldoet aan zijn verplichtingen en om toekenning (hervatting) van uitkering vraagt, wordt dit niet gezien als een aanvraag om uitkering of ziekmelding. De uitkering wordt dan niet eerder hervat dan met ingang van de dag waarop de belanghebbende alsnog aan zijn verplichtingen voldoet. Met ingang van 1 september 2003 is dit beleid - voorzover hier van belang - als volgt gewijzigd: “Als belanghebbende echter alsnog voldoet aan zijn verplichtingen voordat de termijn van bezwaar tegen de herziening of intrekking is verlopen, of voordat op het bezwaar is beslist, wordt de betaling met terugwerkende kracht hervat, voor zover alsnog het recht kan worden vastgesteld en aan alle overige voorwaarden voor betaling is voldaan.” Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant erkend, dat deze nieuwe beleidslijn bij het nemen van het besluit van 17 augustus 2006 toepassing had kunnen vinden. Dit in aanmerking genomen is de Raad, het geheel overziende, van oordeel dat appellant bij het besluit op bezwaar van 17 augustus 2006, waarbij het besluit van 9 mei 2003 is ingetrokken, in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om, zonder acht te slaan op de beleidswijziging per 1 september 2003, de betaling van de ziekengelduitkering niet per 18 december 2002 te hervatten. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 17 augustus 2006 moet worden vernietigd. Gegeven dit oordeel laat de Raad onbesproken hetgeen appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd. Ook het belang bij een beoordeling van het besluit van 9 mei 2003 is gezien het vorenstaande komen te vervallen, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Verklaart het beroep dat mede gericht wordt geacht tegen het besluit van 17 augustus 2006 gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.J. Janssen. MK