Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0461

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3894 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. Blijven functies binnen medische mogelijkheden van betrokkene? Niet stresserende werkzaamheden.


Uitspraak

04/3894 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juni 2004, 03/642 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.P.M. Romijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft van verweer gediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Romijn, voornoemd. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet doen vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN Appellante is op 19 juli 1999 wegens surmenageklachten uitgevallen uit haar voltijdse functie van administratief medewerkster. Met ingang van 17 juli 2000 heeft het Uwv haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 15 maart 2002 heeft het Uwv in het kader van de zogeheten eerstejaars herbeoordeling beslist om appellante ongewijzigd in te delen in evenvermelde arbeidsongeschiktheidsklasse. Bij besluit van 30 januari 2003, hierna: het bestreden besluit, is het tegen het besluit van 15 maart 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de van de zijde van appellante in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerde grieven van verschillende aard verworpen en heeft aldus dat beroep ongegrond verklaard. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte bezwaren. Appellante houdt in de eerste plaats haar opvatting staande dat onvoldoende rekening is gehouden met - in het bijzonder - haar psychische klachten en dat zij in verband met die klachten op de hier in geding zijnde datum niet in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de functies die als voor haar passende arbeidsmogelijkheden bij de schatting in aanmerking zijn genomen. De Raad kan zich in navolging van de rechtbank met deze opvatting van appellante niet verenigen. Ook aan de Raad is niet kunnen blijken van objectief-medische gegevens die appellante in evenvermelde eigen opvatting genoegzaam steunen. Met name bevatten ook de in hoger beroep nader ingebrachte verklaringen van de diverse behandelaars van appellante onvoldoende objectief-medische aanwijzingen dat appellante ten tijde hier van belang aantoonbaar meer of anders beperkt was dan vanwege het Uwv bij de bestreden besluitvorming tot uitgangspunt is genomen. De Raad sluit zich aan bij de reactie op bedoelde verklaringen van de bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk, als neergelegd in het rapport van die arts van 31 augustus 2004. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, merkt de Raad nog op dat er niet aan kan worden voorbij gezien dat de opname van appellante gedurende twee maanden in een herstellingsoord heeft plaatsgevonden geruime tijd vóór de in dit geding aan de orde zijnde datum en dat appellante, afgezien van de medicatie die haar was voorgeschreven, ten tijde hier van belang ook al geruime tijd voor haar psychische klachten niet meer onder behandeling was bij de gezondheids- psycholoog H. de Pater. De Raad heeft aldus geen aanleiding om de zienswijze van de verzekeringsartsen van het Uwv voor onjuist te houden dat appellante onverminderd in staat is gebleven om in een maximum omvang van 20 uur per week niet-stresserende arbeid te verrichten. Voorts is de Raad van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de aan appellante voorgehouden functies, gegeven de aard en de belastende aspecten daarvan, als zodanige niet stresserende werkzaamheden kunnen worden aangemerkt. De Raad overweegt voorts dat de functies die uiteindelijk als schattingsgrondslag resteren, alle voldoen aan de voor appellante maximaal toegestane arbeidsomvang van 20 uur per week en ook overigens, wat betreft de andere daaraan verbonden belastende aspecten, binnen de medische mogelijkheden van appellante blijven. Voor zover sprake is van markeringen ten teken van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante, acht de Raad die markeringen met de arbeidskundige en verzekeringsgeneeskundige rapporten van 27 maart 2003 voldoende toegelicht. Ten slotte faalt ook de in hoger beroep gehandhaafde grief inzake de bij de berekening van de mate van arbeids- ongeschiktheid in aanmerking genomen reductiefactor, reeds omdat appellante bij het formuleren van die grief van onjuiste, want verouderde, cijfermatige gegevens is uitgegaan. In het beroepschrift worden immers met betrekking tot de in dit verband genoemde functie van inrichtingsassistent gegevens vermeld die zijn ontleend aan de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 februari 2002, terwijl de bezwaararbeidsdeskundige nadien is overgegaan tot een hernieuwde raadpleging van het functie informatie systeem, hetgeen onder meer heeft geresulteerd in de selectie van een actuelere versie van genoemde functie, als opgenomen in de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 maart 2002. Ten aanzien van die actuelere versie gelden andere cijfermatige gegevens dan de gegevens waarop appellantes grief is gebaseerd. De Raad laat nadrukkelijk daar wat er overigens van die grief zij. Het bestreden besluit kan in rechte stand houden. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Riphagen als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006. (get.) D.J. van der Vos. (get.) J.J. Janssen.