Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0453

Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Alkmaar
ZaaknummersKG nummer: 06-132
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Afwijzing van de vordering van eiser tot opheffing van het executoriale beslag op de boot. Er moet ernstig getwijfeld worden aan de achtergrond van de vermeende eigendomsverkrijging door eiser van de boot. Niet aannemelijk is dat eiser daadwerkelijk eigenaar van de boot is. De door gedaagden naar voren gebrachte omstandigheden dienen te prevaleren boven de registratie in het kadaster.


Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR Sector civiel recht FV KG nummer: 06-132 datum: 19 oktober 2006 Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding in de zaak van: [eiser], wonende te Oostknollendam, gemeente Wormerland, EISER IN KORT GEDING, procureur mr. Th.C.J. Kaandorp, tegen: 1. de OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LEEUWARDEN, ten deze handelend als (plaatsvervangend) advocaat-generaal in het ressort Amsterdam, zetelend te Leeuwarden, 2. de STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie), zetelend te 's-Gravenhage, GEDAAGDEN IN KORT GEDING, procureur mr. C.H. Boll, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage . Partijen zullen verder ook worden genoemd "[eiser]", "de Officier" respectievelijk "de Staat". 1. HET VERDERE VERLOOP VAN HET GEDING Op 4 mei 2006 is een tussenvonnis gewezen, waarbij de zaak pro forma is aangehouden tot 15 september 2006. Vervolgens is ter zitting van 9 oktober 2006 de behandeling van de zaak voortgezet. Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden nadere producties en pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd. De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd. 2. DE VERDERE UITGANGSPUNTEN 2.1 Op 24 april 2006 is ten laste van [eiser] door de Officier conservatoir beslag op de Wega gelegd. Van dit beslag is op 14 juni 2006 schriftelijk mededeling aan [eiser] gedaan. 2.2 In het bevel tot inbeslagneming d.d. 24 april 2006 is opgenomen dat opdracht wordt gegeven om de Wega bij [eiser] te laten. 2.3 Medio augustus 2006 heeft de Belastingdienst/FIOD-ECD te Alkmaar het witwasonderzoek in verband met de Wega afgerond. 2.4 Op 1 juni 2006 is de Wega getaxeerd door F.W. Kersten. Laatstgenoemde taxeert de executiewaarde op € 285.000,-. De investering van de totale verbouwing wordt getaxeerd op ten minste € 650.000,-. 2.5 Voor de verdere uitgangspunten wordt verwezen naar het tussenvonnis van 4 mei 2006. 3. DE VERDERE GRONDEN VAN DE BESLISSING 1.1 Zoals in het vonnis van 4 mei 2006 is overwogen, dient allereerst de eigendom van de Wega te worden beoordeeld. [Eiser] stelt dat de Wega aan hem in eigendom toebehoort en wijst in dat verband onder meer op het feit dat de Wega sinds medio 2005 op zijn naam te boek gesteld staat. Uit die teboekstelling zou wel kunnen worden afgeleid dat [eiser] eigenaar van de Wega is, maar de teboekstelling is geen dwingend bewijs ten aanzien van de eigendom. 1.2 Gedaagden betogen dat niet [eiser] maar [naam 1] eigenaar is van de Wega. Daartoe plaatsen zij vraagtekens bij de omstandigheden waaronder [eiser] de eigendom van de Wega heeft verkregen. Gedaagden brengen in dat kader de volgende omstandigheden naar voren, zoals die blijken uit het FIOD-onderzoek: - de aanschaf van de Wega: in juni 1996 verkoopt [eigenaar 1] de Wega aan [naam 2] (hierna ook: [naam 2]), via bemiddeling van BV Jachtbemiddeling Nicolaas Witsen (hierna ook Witsen). De koopsom is contant betaald. [Naam 2] verklaart dat hij in privé geen boot heeft gekocht, omdat hij daarvoor het geld niet had. Hij neemt aan dat hij het koopcontract op verzoek van ene [naam 3] heeft getekend. [Naam 3] verklaart dat hij zich niet kan herinneren bij de aankoop van een zogenaamde Klaassen kotter aanwezig te zijn geweest. [Naam 4] verklaart dat zij de Wega in 1999 van [naam 1] heeft gekregen en dat zij de boot vervolgens aan [eiser] heeft overgedragen; - de aankoop en verhuur van de boerderij te Aartswoud: Op 19 november 1998 tekent [naam 1] als koper een voorlopig koopcontract voor de boerderij. Bij gelegenheid van het notariële transport wordt [eiser] als koper opgevoerd. De desbetreffende notaris verklaart dat hij het contract d.d. 19 november 1998 nooit heeft gezien. [Naam 1] heeft bij akte van 11 december 1998 de levering gecedeerd aan een derde, die op zijn beurt de woning doorverkoopt aan [eiser]; - verbouwingen aan de boerderij: [naam 4] heeft verklaard zelf niet over een inkomen te beschikken maar heeft als huurster aanzienlijke investeringen in de boerderij gedaan. [Eiser] verklaart niet op de hoogte te zijn geweest van die verbouwingen; - een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 17 maart 2004: [naam 1] zegt hier dat hij de mooiste boot weer heeft teruggehaald. Dit gesprek dateert van na de vermeende eigendomsoverdracht door [naam 4] aan [eiser]; - de havenmeester verklaart dat de Wega sinds juni 2005 in de Westerhaven ligt en dat [naam 1] de enige persoon is die hij op de Wega heeft zien varen; - uit verklaringen van verschillende personen blijkt dat [naam 1] de opdracht voor de verbouwingen aan de Wega verstrekte en dat hij die verbouwingen contant betaalde; - [naam 1] gaf opdracht hoe de werkzaamheden aan de Wega in de administratie van V.O.F. Rijk Jachtbetimmeringen moesten worden geboekt; - [eiser] heeft zich niet met de verbouwingen bemoeid; - de verbouwingen aan de Wega hebben niet tot een waardevermeerdering van de Wega geleid. 1.3 Gedaagden betogen dat uit de diverse verklaringen aannemelijk wordt dat [naam 1] de Wega in 1996 via de stroman [naam 2] in eigendom heeft verkregen en daarna is gaan gebruiken. Gedaagden wijzen in dit verband op de verklaring van [naam 4] dat [naam 1] vóór 1999 eigenaar is geworden, de contante betaling van de koopsom door [naam 2] die eigenlijk niet over voldoende financiële middelen beschikt en de aanwezigheid van [naam 1] bij de ondertekening van de koopovereenkomst en de betaling. Gedaagden betogen verder dat de overdracht van de Wega door [naam 1] aan [naam 4] in 1999 wegens een ruzie als een schijnhandeling moet worden beschouwd. Die overdracht kan nergens uit blijken en is overigens onlogisch, aldus gedaagden. Daarnaast voeren gedaagden aan dat de overdracht van de Wega door [naam 4] aan [eiser] eveneens een schijnhandeling is. De Wega zou zijn overgedragen ter zekerheid van de betaling van de verschuldigde huurpenningen, maar volgens gedaagden valt niet uit te sluiten dat [eiser] slechts als stroman eigenaar van de boerderij is. Als dat juist is, dan is er geen sprake van een huurverhouding tussen [naam 4] en [eiser] en is er geen reden om de Wega aan [eiser] in eigendom over te dragen, alles aldus gedaagden. [Eiser] heeft tegen voormelde omstandigheden uitsluitend aangevoerd dat hij de Wega heeft verzekerd en dat hij in de registers van het kadaster als eigenaar staat vermeld. 1.1 Uit die omstandigheden, in het bijzonder het gegeven dat [naam 1] voor een aanzienlijk bedrag aan verbouwingen aan de Wega heeft laten uitvoeren en gefinancierd (V.O.F. A. Rijk Jachtbetimmeringen noemt in dat kader een bedrag van € 878.00,-), valt ten minste af te leiden dat [naam 1] zich gedroeg als eigenaar van de Wega. Bovendien kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij de reden van de overdracht van de eigendom van de Wega door [naam 1] aan [naam 4] en door [naam 4] aan [eiser]. Alle omstandigheden tezamen maken dat er ernstig getwijfeld moet worden aan de achtergrond van de vermeende eigendomsverkrijging door [eiser] van de Wega. 1.5 De door gedaagden naar voren gebrachte omstandigheden dienen te prevaleren boven de registratie in het kadaster. Vast staat dat de Wega ten tijde van de vermeende overdracht door [naam 4] aan [eiser] niet te boek gesteld was. Derhalve kon de eigendom worden overgedragen door bezitverschaffing zonder (summiere) toetsing door een derde, bijvoorbeeld een notaris. Bovendien hebben gedaagden onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat er bij de registratie van de Wega in het kadaster geen beoordeling plaatsvindt van de eigendom. 1.6 Op grond van het voorgaande is geenszins aannemelijk geworden dat [eiser] daadwerkelijk eigenaar van de Wega is. Integendeel, de bevindingen uit het FIOD-onderzoek wijzen eerder in de richting van een constructie waarbij [eiser] als stroman voor [naam 1] fungeert, zowel ten aanzien van de boerderij als ten aanzien van de Wega. Uit het voorgaande volgt verder dat, anders dan [eiser] nog heeft beweerd, betekening van het exploot zoals bedoeld in artikel 563 lid 1 Rv aan de eigenaar wel heeft plaatsgevonden. Die betekening is immers op 15 februari 2002 aan [naam 1] geschied. 1.7 Dit brengt mee dat er geen aanleiding bestaat om het executoriale beslag, dat ten laste van [naam 1] is gelegd, op te heffen. Dit laatste leidt tevens tot afwijzing van de vordering tot het ter beschikking stellen van de Wega aan [eiser]. [Eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding. 4. DE BESLISSING De voorzieningenrechter: - weigert de gevorderde voorziening; - veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagden begroot op € 248,- aan verschotten en op € 816,- aan salaris procureur. Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2006 in tegenwoordigheid van mr. F. Vermeij, griffier.