
Jurisprudentie
AZ0444
Datum uitspraak2006-09-21
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/711045-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/711045-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
tbs-advies (long stay) van deskundigen niet gevolgd; geen causaal verband tussen delict en stoornis en betrekkelijk geringe ernst delict.
Uitspraak
Parketnummers: 10/711045-06
Datum uitspraak: 21 september 2006
Tegenspraak
VONNIS
van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen, de verdachte:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:
[adres] [woonplaats],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam Penitentiaire Inrichting] te [plaatsnaam],
raadsman: mr. J.J.A. Bosch, advocaat te Rotterdam.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Het opnieuw aangevangen onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2006.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als A1 tot en met A4, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
EIS OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. De Beer heeft gerequireerd tot:
- vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;
- bewezenverklaring van het onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde;
- ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: oplegging van de maatregel van ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging;
- ten aanzien van het onder 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.
VRIJSPRAAK
Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
BEWEZENVERKLARING
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij in de periode van 20 maart 2006 tot en met 21 maart 2006 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in de directe nabijheid van een woning, gelegen aan het [adres], immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk een vuilniszak en een deken en een kussen, met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en die vuilniszak en die deken en dat kussen, en de schuur (behorende bij voornoemde woning) en een personenauto geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woning en belendende woningen/percelen te duchten was;
3 subsidiair.
dat hij op 15 maart 2005 te [plaats], binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 94 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;
4.
hij op 20 juli 2005 te [plaats], als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [kentekennr. 1] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden;
5.
hij op 08 oktober 2005 te [plaats], als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [kentekennr. 1] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden;
6.
hij op 19 november 2005 te [plaats], als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [kentekennr. 2] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden;
7.
hij op 28 februari 2006 te [plaats], als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [kentekennr. 3] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
BEWIJSMOTIVERING
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
NADERE BEWIJSMOTIVERING
De raadsman heeft aangevoerd dat de opzet van de verdachte slechts was gericht op het in brandsteken van de vuilnis zodat - althans zo wordt het verweer begrepen - het gemeen gevaar voor goederen voorzover dat ziet op andere goederen dan de vuilnis niet kan worden bewezen.
Dit verweer wordt verworpen. De opzet behoeft immers slechts gericht te zijn op het brandstichten en niet op het teweegbrengen van de gevolgen.
STRAFBAARHEID FEITEN
De bewezen feiten leveren op:
1. medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
3. overtreding van artikel 20 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990;
4. als degene aan wie voor een motorrijtuig een kentekenbewijs is afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen hebben afgesloten en in stand gehouden;
5. als degene aan wie voor een motorrijtuig een kentekenbewijs is afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen hebben afgesloten en in stand gehouden;
6. als degene aan wie voor een motorrijtuig een kentekenbewijs is afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen hebben afgesloten en in stand gehouden;
7. als degene aan wie voor een motorrijtuig een kentekenbewijs is afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen hebben afgesloten en in stand gehouden;
De feiten zijn strafbaar.
STRAFBAARHEID VERDACHTE
De verdachte is strafbaar.
STRAFMOTIVERING
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden en draagkracht van de verdachte. Met betrekking tot de straf die ter zake van feit 1 wordt opgelegd, wordt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. De verdachte heeft onder invloed van softdrugs samen met zijn mededader een vuilniszak en kleding, die dicht tegen de schuur van een woonhuis en een aldaar geparkeerde auto lagen, aangestoken. Hierdoor zijn de schuur en de auto in brand gevlogen. Door tijdig ingrijpen van de brandweer is verdere schade voorkomen. De brandweer heeft in een kort verslag aangegeven dat de ontstane brand potentieel gevaar voor het woonhuis heeft opgeleverd. Brandstichting is vanwege de ernstige en onvoorspelbare gevolgen die met brand gepaard kunnen gaan derhalve een ernstig delict.
Over de verdachte is gerapporteerd door psycholoog drs. B.Y. van Toorn, psychiater drs. L.J.M. van Seggelen en door sociaal psychiatrisch werker E.A.J. Ravenhorst-Brouwer van Reclassering Nederland. Psycholoog van Toorn adviseert om de maatregel TBS met dwangverpleging op te leggen. Psychiater van Seggelen komt tot eenzelfde advies, doch ziet nog wel een beperkte mogelijkheid voor een andere strafrechtelijke afdoening. De sociaal psychiatrisch werker refereert zich aan het oordeel van de psycholoog en psychiater.
Uit de rapportages van de deskundigen, het strafdossier en de behandeling ter terechtzitting is het navolgende gebleken:
De verdachte heeft in zijn jeugd diverse traumatische gebeurtenissen meegemaakt waaronder ernstige mishandeling, seksueel misbruik door zijn stiefvader en de moord op zijn oma. Als gevolg van deze gebeurtenissen is bij verdachte reeds op jonge leeftijd sprake van onaangepast gedrag. Hij heeft zich op jonge leeftijd ook zelf schuldig gemaakt aan seksueel misbruik. Van zijn 14e tot 18e jaar is de verdachte daarom op basis van een OTS geplaatst in Harreveld. Bij beëindiging van de OTS-maatregel is door de behandelaars van Harreveld aangegeven dat er ten aanzien van zedendelicten sprake is van een hoog recidiverisico. Na beëindiging van de OTS maatregel volgde de verdachte nog enige tijd op vrijwillige basis therapie bij 't Dok te Rotterdam, doch deze therapie werd door verdachte beëindigd omdat het volgens hem meer van hetzelfde is.
Psycholoog van Toorn en psychiater van Seggelen concluderen in hun rapportage, mede op basis van de behandelrapportages van Harreveld, dat het gedrag van de verdachte egocentrisch en driftmatig is bepaald waarbij sprake is van een gebrek aan empathie. Bij oplopende frustraties is er sprake van forse impulsdoorbraken. De verdachte heeft veel externe structuur nodig om zijn impulsen te beheersen. Ziektebesef en -inzicht ontbreken bij de verdachte. Het gevoelsleven is afgevlakt. Er is een sterk wantrouwen naar hulpverleners waardoor sprake is van resistentie voor therapie/begeleiding. Ambulante behandeling lijkt daarom geen optie. De recidiveprognose is (met name ten aanzien van zedendelicten) ongunstig. Beide deskundigen concluderen dat de brandstichting door verdachte in belangrijke mate het gevolg is van zijn gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis met psychopathische trekken. Zo is de brandstichting volgens psycholoog van Toorn het gevolg van het onvermogen van verdachte om zijn agressieve impulsen te kanaliseren.
Door psychiater van Seggelen wordt aangegeven dat een strafrechtelijke afdoening van de zaak met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen een novum is voor de verdachte, mogelijk een remmende werking kan hebben op hernieuwd crimineel gedrag. Indien wordt gekozen voor TBS met dwangverpleging staat volgens de psychiater het beveiligingsaspect voorop.
De sociaal psychiatrisch werker Ravenhorst-Brouwer beoordeelt het recidive risico (anders dan de psychiater en psycholoog) op basis van het diagnostisch instrument RISc als gemiddeld. De verdachte geeft aan dat hij open staat voor begeleiding door de reclassering, ook als dat een behandeling betreft.
TBS met dwangverpleging is een uiterste maatregel. Naast de persoon van de verdachte speelt ook de ernst van het feit een belangrijke rol. Brandstichting is een strafbaar feit waarbij TBS met dwangverpleging kan worden opgelegd. Voorwaarde is wel dat de brandstichting is gepleegd onder invloed van de vastgestelde stoornis. In deze zaak is dat zeer de vraag. Weliswaar hadden de gevolgen van de brandstichting, zonder tijdig ingrijpen van de brandweer, ernstig kunnen zijn, maar de onderhavige brandstichting dient te worden geschaard in de categorie van een (fors) uit de hand gelopen baldadig gedrag. Het strafdossier bevat bovendien (sterke) aanwijzingen dat de mededader de initiatiefnemer tot de brandstichting is geweest. Zeer waarschijnlijk is dat de verdachte zich onder invloed van softdrugs heeft laten meeslepen. De rapportages van de deskundigen bevatten geen aanwijzingen dat er sprake is van een preoccupatie met vuur. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan niet met voldoende mate van zekerheid worden geoordeeld dat - zoals de deskundigen doen - er sprake is van een verband tussen de stoornis van de verdachte en de brandstichting. De indruk bestaat dat het advies van de deskundigen voornamelijk is ingegeven door de vrees dat verdachte zal recidiveren ten aanzien van zedendelicten. Alhoewel deze vrees in zijn algemeenheid ten aanzien van personen die zich op jonge leeftijd al schuldig hebben gemaakt aan zedendelicten zeker niet ondenkbeeldig is, zal deze vrees bij iedere verdachte moeten worden geconcretiseerd. Noch het strafdossier noch de rapporten van de deskundigen bevatten hiervoor aanknopingspunten. De eis van de officier van justitie om de verdachte terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen wordt daarom niet gevolgd.
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij inziet dat hij hulp nodig heeft bij het beheersen van zijn (agressieve) impulsen. Hij is bereid mee te werken aan ambulante behandeling gericht op de bij hem geconstateerde stoornis. De suggestie van psychiater Van Seggelen om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen wordt daarom overgenomen. Een deel van die straf zal voorwaardelijk worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte de aanwijzingen van de Reclassering Nederland zal opvolgen, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden dat de verdachte zich zal onderwerpen aan ambulante behandeling/therapie.
Het is aan Reclassering Nederland te onderzoeken welke specifieke behandeling/therapie voor verdachte het meest aangewezen is. Aangezien te verwachten valt dat deze behandeling/therapie langdurig zal zijn wordt de proeftijd bepaald op drie jaar.
VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN EN SCHADEVERGOEDINGSMAATREGELEN
- De vordering van benadeelde partij [X]
Als benadeelde partij heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in het geding gevoegd: [X], wonende te [adres] [woonplaats]. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 50,-- (te weten: schade aan het huis) en immateriële schade tot een bedrag van € 250,--.
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht en de gevorderde schade-vergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
- De vordering van benadeelde partij [Y]
Als benadeelde partij heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in het geding gevoegd: [Y], wonende te [adres] [woonplaats]. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1.149,63 (te weten: auto € 850,--, audioapparatuur € 178,18, gereedschap € 108,91 en reiskosten € 12,54) en immateriële schade tot een bedrag van € 250,--
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24c, 36f, 47, 62 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 20 en 92 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, artikel 170 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
- verklaart de verdachte strafbaar;
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;
- stelt daarbij een proeftijd vast van drie (3) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;
- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;
- stelt als bijzondere voorwaarde:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen kunnen inhouden dat de verdachte zich zal onderwerpen aan een ambulante behandeling/therapie;
- verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [X], wonende te [adres] [woonplaats], te betalen € 300,-- (zegge: driehonderd euro);
- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door deze bena-deelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan mevrouw [Y], wonende te [adres] [woonplaats], te betalen € 1.399,63 (zegge: éénduizend driehonderd negenennegentig euro en drieënzestig eurocent);
- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door deze benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen voornoemd te betalen in totaal € 1.699,63 (zegge: éénduizend zeshonderd negenennegentig euro en drieënzestig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van dertig (30) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;
- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
- veroordeelt de verdachte tot een tot een geldboete van € 200,-- (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis;
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde
- veroordeelt de verdachte tot een tot een geldboete van € 200,-- (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis;
Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde
- veroordeelt de verdachte tot een tot een geldboete van € 200,-- (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis;
Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde
- veroordeelt de verdachte tot een tot een geldboete van € 200,-- (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis;
Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde
- veroordeelt de verdachte tot een tot een geldboete van € 200,-- (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,
en mrs. Van der Water en Trotman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Van Zanten, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 september 2006.