
Jurisprudentie
AZ0440
Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4497 WAJONG
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4497 WAJONG
Statusgepubliceerd
Indicatie
AAW-uitkering. Komt betrokkene in aanmerking voor de Kopjesregeling (artikel 48, lid 1, IWS)? Grondslag AAW vormt geen onderwerp van bestreden besluit.
Uitspraak
04/4497 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2004, 04/54 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. B.B.A. Willering, kantoorgenoot van mr. Stam voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vastgestelde, door partijen niet bestreden, feiten.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 19 december 2003, waarbij het Uwv appellants aanvraag om in aanmerking te komen voor een zogenaamde kopjesregeling zoals is geregeld in artikel 48 van de Invoeringswet Stelselherziening Sociale Zekerheid (IWS) heeft afgewezen, ongegrond verklaard.
Hierbij heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder.
“Op eisers uitkering is, gelet op de toekenning van die uitkering vóór de invoering van de Wajong, het regime van de AAW van toepassing. Eisers uitkering is berekend naar de individuele grondslag als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de AAW. Dit bedraagt minder dan 70% van het minimumloon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser terecht en op goede gronden niet in aanmerking gebracht voor de kopjesregeling van artikel 48, eerste lid, van de IWS omdat niet is voldaan aan het in dat artikel neergelegde vereiste dat de uitkering is berekend naar een dagloon dat tenminste 70% van het minimumloon bedraagt.”
Van deze uitspraak is appellant in hoger beroep gekomen.
De Raad stelt voorop dat appellant, gelet op zijn hoger beroep en hetgeen ter zitting is aangevoerd, niet zozeer de uitspraak van de rechtbank bestrijdt en het daarin opgenomen oordeel dat hij niet aan de voorwaarden van art. 48 IWS voldoet, als wel dat hij betwist dat het inmiddels rechtens onaantastbare besluit van (de rechtsvoorganger van) het Uwv van 24 april 1987, waarbij appellant met ingang van 31 december 1986 in aanmerking is gebracht voor een AAW-uitkering, op juiste gronden berust nu deze uitkering is gebaseerd op de individuele grondslag terwijl deze naar de mening van appellant berekend had moeten worden naar de algemene grondslag.
De Raad is met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat gelet op het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken, op juiste gronden appellants aanvraag om een zogenaamde kopjesregeling is afgewezen, aangezien niet voldaan wordt aan de in artikel 48, eerste lid, van de IWS gestelde voorwaarde dat de grondslag van de Wajong-uitkering tenminste gelijk is aan 70% van het minimumloon.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Voor zover de grieven van appellant er op zien dat de oorspronkelijke toekenning van zijn AAW-uitkering bij het in rechte vaststaande besluit van 24 april 1987, onjuist is (geweest) omdat de grondslag van deze uitkering berekend had moeten worden naar de algemene grondslag, overweegt de Raad dat deze grieven thans in onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen nu het bestreden besluit daarover geen beslissing inhoudt.
Ter voorlichting aan appellant merkt de Raad in dit verband op dat het hem vrij staat bij het Uwv een verzoek in te dienen om terug te komen van de destijds genomen, inmiddels in rechte vaststaande, toekenningsbeslissing.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.J. Jansen.