Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0438

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAwb 06 / 116
Statusgepubliceerd


Indicatie

Zuiver schadebesluit na vernietiging weigering vergunning exploitatie kinderopvang; in casu geen toepassing omkeringsregel.


Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 06/116 Uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2006 inzake [eiseres] te Deurne, eiseres, [gemachtigde] tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, verweerder, [gemachtigde] Procesverloop Bij besluit van 28 juni 2005 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres van 25 februari 2005 tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van een jegens haar door verweerder onrechtmatig genomen besluit. Het tegen het besluit van 28 juni 2005 gerichte bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 28 november 2005 ongegrond verklaard. Het tegen laatstgenoemd besluit gerichte beroep is behandeld ter zitting van 21 juli 2006, alwaar eiseres is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich door zijn gemachtigden laten vertegenwoordigen. Overwegingen 1.Aan de orde is de vraag of verweerders besluit van 28 november 2005 tot ongegrondverklaring van de bezwaren van eiseres gericht tegen de weigering haar de door haar gestelde schade te vergoeden, in rechte kan worden gehandhaafd. 2. Eiseres claimt vergoeding van geleden schade als gevolg van de weigering van 28 mei 2002 haar een vergunning te verlenen voor het openstellen en openhouden van een voorziening voor naschoolse opvang aan de [adres] te Deurne (hierna: de vergunning), welke weigering bij de beslissing op bezwaar van 8 oktober 2002 is gehandhaafd. Bij uitspraak van 5 april 2004 (AWB 02/2480) heeft deze rechtbank laatstgenoemd besluit vernietigd omdat artikel 11 van de Verordening kinderopvang enkel ruimte bood voor het stellen van nadere regels ten aanzien van de interne veiligheid, terwijl de weigeringsgrond was gebaseerd op externe omgevingsfactoren. 3. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) bij uitspraak van 12 januari 2005 (LJN: AS2191) het oordeel van de rechtbank bevestigd. 4. Aangezien in verband met deze rechterlijke uitspraken is komen vast te staan dat het besluit van 28 mei 2002 als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, heeft eiseres bij schrijven van 28 juni 2005 bij verweerder een verzoek ingediend tot het nemen van een zuiver schadebesluit ten bedrage van ? 206.538,--. Dit bedrag is samengesteld uit de volgende posten: gemiste eenmalige subsidie, omzetverlies gedurende de jaren 2001-2004, advocaat-, verlet- en advertentiekosten en ten slotte kosten voor een nieuwe opzet in 2005. 5. Verweerder heeft aangaande de vermeend misgelopen subsidie het volgende aangevoerd. Bij raadsbesluit van 13 januari 2000 is de beleidsnota 'Kinderopvang in de gemeente Deurne' vastgesteld. Deze nota kent als uitgangspunt dat de gehele subsidie aan één instelling, de [stichting] (verder: de SKD), wordt verstrekt. De brief van eiseres van 8 maart 2001, waarmee eiseres verweerder verzocht te bezien of zij voor een stimuleringssubsidie in aanmerking kon komen, is door verweerder beschouwd als een verzoek om informatie en niet als een subsidieverzoek. Indien eiseres een aanspraak op subsidie had willen maken, had zij formeel en schriftelijk de SKD moeten benaderen om een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan. Nu eiseres dit heeft nagelaten, terwijl geenszins aannemelijk is dat het ontbreken van de vergunning aan het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst in de weg zou staan, ontbreekt elk causaal verband tussen de weigering van de vergunning en het mislopen van de subsidie. Verweerder meent voorts dat van omzetschade geen sprake kan zijn. Immers, ondanks de weigering de vergunning te verlenen, is per 1 september 2001 de door eiseres geëxploiteerde buitenschoolse opvang gewoon van start gegaan. Verweerder is daar welbewust niet tegen opgetreden, hetgeen verweerder eiseres ook schriftelijk heeft medegedeeld. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat degenen, voorkomend op de overgelegde lijst van personen die in de loop der jaren bij eiseres om informatie hebben verzocht, in verband met het ontbreken van de vergunning om fiscale redenen hebben besloten niet van de diensten van eiseres gebruik te maken. Ten slotte moet voor ogen worden gehouden dat de in 1999 gemaakte prognose van de behoefte aan opvang, 142 plaatsen, in 2001 en daarna niet is uitgekomen. Ook hier is derhalve geen sprake van een causaal verband tussen de gestelde schade en de weigering van de vergunning. Gelet hierop is verweerder van mening dat de overige opgevoerde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen. 6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de onrechtmatigheid van het besluit van 28 mei 2002 vaststaat, het aan verweerder is te bewijzen dat de schade ook zou zijn ingetreden zonder onrechtmatige weigering, derhalve indien de vergunning zou zijn verleend. Het geeft mitsdien geen pas dat verweerder van eiseres verlangt aannemelijk te maken dat de gestelde schade een gevolg is van de onrechtmatige weigering. 7. De rechtbank stelt vooreerst vast dat, anders dan verweerder wil doen voorkomen, het beroep niet is beperkt tot de vermeend misgelopen subsidie, maar betrekking heeft op alle door eiseres opgevoerde schadeposten. Wel verstaat de rechtbank eiseres aldus dat zij de onder punt 6. bedoelde omkeringsregel van de bewijslast met name van toepassing acht op de beweerdelijk misgelopen subsidie. 8. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval voor toepassing van deze omkeringsregel geen plaats is. De omkeringsregel ziet immers op het geval dat door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een specifiek risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt. Deze situatie doet zich voor indien sprake is van schending van een norm die er primair toe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en dit gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot. Alsdan is er reden tot doorbreking van de algemene regel dat de verzoeker om schadevergoeding in voldoende mate aannemelijk dient te maken dat de beweerdelijke schade daadwerkelijk bestaat en dat deze moet worden toegerekend aan de onrechtmatige gedraging. In casu is van een zodanige situatie geen sprake aangezien het algemeen verbindend voorschrift, waarvan de onjuiste toepassing tot bovengenoemde vernietiging heeft geleid, te weten eerdergenoemd artikel 11 van de Verordening kinderopvang, in het geheel niet ziet op het voorkomen van de schade waarvoor eiseres vergoeding verlangt. In dit verband onderschrijft de rechtbank evenmin de door eiseres aangevoerde stelling als zou uit de uitspraak van de ABRS van 15 december 2005 (JB 2005/54) volgen dat het causaal verband tussen de gestelde schade en het vernietigde besluit enkel dan onaannemelijk is, indien verweerder aantoont dat de schade ook zou zijn opgetreden ingeval verweerder in eerste instantie een rechtmatig besluit zou hebben genomen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat genoemde uitspraak ziet op het specifieke geval waarin het bestuursorgaan aanvoert dat, in plaats van een onrechtmatig besluit, ook een rechtmatig besluit had kunnen worden genomen, met eenzelfde inhoud als het onrechtmatige besluit, en leidend tot eenzelfde schade. In het onderhavige geval heeft verweerder evenwel in het geheel niet het standpunt ingenomen dat hij in eerste instantie ook tot een rechtmatige weigering, dezelfde schade tot gevolg hebbend, had kunnen komen. Verweerder heeft immers elk causaal verband tussen het vernietigde - onrechtmatige - besluit en de vermeende schade ontkend, en ook niet de stelling betrokken dat een rechtmatige weigering tot eenzelfde schade zou hebben geleid. Gelet hierop ligt het op de weg van eiseres het verband tussen de weigering van de vergunning en de gestelde schade aannemelijk te maken. 9. Gezien de gedingstukken, alsmede gehoord het verhandelde ter zitting, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres daarin niet is geslaagd. Daartoe wordt vastgesteld dat eiseres per schrijven van 8 maart 2001 verweerder heeft verzocht te bezien of zij in aanmerking kon komen voor een deel van het budget van de 'Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang' (verder: de Regeling). Deze tijdelijke Regeling, die enkel het oog heeft op de verhouding Rijk-gemeenten, ziet op het stimuleren van de uitbreiding van de opvangcapaciteit door middel van het ter beschikking stellen van een uitkering aan gemeenten. Uit de Toelichting bij de Regeling valt op te maken dat gemeenten bedoelde uitbreiding (mede) kunnen realiseren via particuliere centra voor buitenschoolse opvang, op voorwaarde dat gemeenten op deze centra invloed kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld via het onderhouden van een financiële relatie. In dit verband heeft de raad van verweerders gemeente bij besluit van 13 januari 2000 besloten het door de gemeente op basis van de Regeling ontvangen bedrag aan uitkering, mede ter voorkoming van versnippering, in zijn geheel aan de SKD ter beschikking te stellen. Deze handelwijze bracht met zich dat initiatiefnemers op het gebied van de buitenschoolse opvang met de SKD samenwerkingsovereenkomsten moesten sluiten, wilden zij van de uitkeringsgelden profijt kunnen trekken. Eiseres heeft deze wijze van beschikbaarstelling van subsidiegelden niet op een rechtens toetsbare wijze aangevochten, bijvoorbeeld door rechtsmiddelen aan te wenden in het kader van haar bij verweerder ingediende subsidieaanvraag, zodat deze voor de onderhavige oordeelsvorming als uitgangspunt heeft te gelden. Aangezien bovengenoemd verzoek van eiseres dateert van 8 maart 2001, derhalve van ruim na het besluit van de gemeenteraad tot concentratie van de uitkeringsgelden bij de SKD, een besluit waarvan onbestreden is gesteld dat zij daarvan op de hoogte was, had het op haar weg gelegen met de SKD in overleg te treden ten einde de samenwerkingsmogelijkheden te bezien. Naar de rechtbank ter zitting heeft begrepen heeft eiseres inderdaad met de SKD gesprekken gevoerd, maar zijn deze gestaakt omdat eiseres en SKD niet tot overeenstemming konden komen over het gebruik van de ruimtes in de gebouwen van eiseres. Wat daar verder ook van zij, de rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres niet aannemelijk heeft weten te maken dat de omstandigheid dat haar de vergunning was geweigerd het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst met de SKD onmogelijk heeft gemaakt. Aldus bestaat er geen directe relatie tussen verweerders weigering de vergunning te verlenen en het vermeend mislopen van subsidiegelden. 10. Tot eenzelfde oordeel komt de rechtbank aangaande de door eiseres opgevoerde omzetschade. Onbetwist is dat eiseres, ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende vergunning, per 1 september 2001 met de naschoolse opvang is begonnen en dat verweerder daartegen niet is opgetreden. Voorts betreft het gedingstuk dat eiseres heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat het ontbreken van een vergunning tot forse omzetschade heeft geleid een lijst d.d. 20 september 2005, waarop een aantal namen vermeld staat van personen die bij eiseres informatie betreffende buitenschoolse opvang hebben opgevraagd. De rechtbank kan hier evenwel geen enkel begin van bewijs in zien dat de op de lijst vermelde personen, in verband met het ontbreken van de vergunning, om fiscale redenen niet met eiseres een overeenkomst zijn aangegaan. Ook een tweetal formulieren 'bevestiging einde plaatsing' d.d. 2 september 2002 kan niet als zodanig worden aangemerkt, aangezien het hier kennelijk vakantie-opvang betrof, en daaruit in elk geval niet valt af te leiden dat de beëindiging met het ontbreken van de vergunning in verband stond. 11. Uit de door eiseres overgelegde gegevens blijkt dat de door haar gerealiseerde omzet is achtergebleven bij de door haar geprognosticeerde omzet. Deze enkele omstandigheid acht de rechtbank evenwel onvoldoende om aan te nemen dat de gemaakte advertentiekosten een gevolg zijn van het ontbreken van de vergunning. 12. Ten slotte vermag de rechtbank niet in te zien waarom verweerder zou dienen over te gaan tot een hogere vergoeding van advocaatkosten dan waartoe verweerder reeds in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep ten aanzien van de weigering van de vergunning is veroordeeld. Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht kent immers een uitputtend karakter. 13. Gelet op het voorafgaande is het beroep ongegrond. 14. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat het griffierecht zal worden vergoed. Beslissing De rechtbank, verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr A.A.H. Schifferstein als voorzitter en mr. L.C. Michon en mr. M.T. van Vliet als leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. J.J.M. Goosen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006. Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Afschriften verzonden: