Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0417

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers0400238
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het feit dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd het hem opgedragen bewijs ter zake van de huur van vervangende opslagruimte te leveren, heeft onder meer tot gevolg dat de grondslag van zijn vordering, voorzover betreft de kosten van die opslagruimte (post j. van de schadestaat), niet is komen vast te staan. De door [appellant] tegen de toewijzing van dit onderdeel van de vordering gerichte grieven IV t/m XIII slagen derhalve.


Uitspraak

Arrest d.d. 18 oktober 2006 Rolnummer 0400238 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant], handelende onder de naam [Bouwbedrijf], wonende te [woonplaats], appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [appellant], procureur: mr P.R. van den Elst, tegen [geïntimeerde], handelende onder de naam [Automontagebedrijf], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur: mr J.V. van Ophem. De inhoud van het door het hof in deze zaak op 27 juli 2005 gewezen tussenarrest wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop Ingevolge voormeld tussenarrest heeft op 17 oktober 2005 een getuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerde] plaats gevonden. De contra-enquête aan de zijde van [appellant] is op 3 januari 2006 gehouden. De van deze getuigenverhoren opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken. Partijen hebben vervolgens ieder een memorie na enquête genomen. Ten slotte hebben partijen de stukken wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De beoordeling 1. Omdat mr. Meijeringh inmiddels is gedefungeerd, zal het hof in andere samenstelling arrest wijzen dan bij het tussenarrest van 27 juli 2005 het geval was. in het principaal appel 2. Bij voormeld tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] opgedragen feiten en omstandig-heden te bewijzen waaruit volgt dat: 1. hij gedurende de periode 15 mei 2002/30 juli 2002 vervangende opslagruimte heeft gehuurd en daarvoor een bedrag van euro 49.500,-- verschuldigd is geworden; 2. dat hij tot een bedrag van euro 9.420,-- (extra) vervoerskosten heeft gemaakt. Voorts is bij datzelfde tussenarrest aan [appellant] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat in de in geding zijnde periode voor [geïntimeerde] andere geschikte en goedkopere opslagruimte beschikbaar was. 3. [geïntimeerde] heeft ter voldoening aan de hem verstrekte bewijsopdracht zichzelf als partijgetuige en [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen voorgebracht. In contra-enquête zijn genoemde [getuige 2] en [getuige 4] als getuigen gehoord. [appellant] heeft met betrekking tot de hem gegeven bewijsopdracht afgezien van het horen van getuigen. 4. Vooropgesteld moet worden dat uit art. 164 lid 2 Rv volgt dat hetgeen door een partij-getuige, op wie de bewijslast rust, is verklaard geen bewijs te zijnen voordele kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partij-verklaring (voldoende) geloofwaardig maken. Met betrekking tot de huur van vervangende bedrijfsruimte 5. De getuige [getuige 2] heeft niet kunnen verklaren waarom hij aan [geïntimeerde] een kwitantie heeft verstrekt ter zake de betaling van het bedrag van euro 49.500,-, terwijl dat bedrag feitelijk niet is betaald. Voorts heeft de getuige niet voldoende aannemelijk kunnen maken dat [geïntimeerde] het bedrag ten titel van geldlening schuldig is gebleven. Het feit dat de factuur evenmin in zijn boekhouding is verwerkt, doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van hetgeen de getuige heeft verklaard omtrent de met [geïntimeerde] gemaakte afspraken over de wijze van betaling van de huur. De verklaring van getuige [getuige 2], die het hof overigens ongeloofwaardig voorkomt, kan daarom niet bijdragen aan het van [geïntimeerde] op dat punt verlangde bewijs. Met betrekking tot de (extra) vervoerskosten 6. De getuige [getuige 3] heeft weliswaar verklaard dat hij betrokken is geweest bij het vervoer van sloopauto's naar Een - zowel het vervoer vanaf de diverse ophaal-locaties als het vervoer van Peize naar Een - maar hij heeft daarbij aangegeven dat hij de auto's die naar Een zijn gebracht niet heeft geteld. Hij schat dat het ging om 200 auto's, maar dat het er ook 150 geweest kunnen zijn. Het hof oordeelt deze verklaring van de getuige [getuige 3], als zijnde gebaseerd op slechts schattingen, van te weinig waarde om te kunnen bijdragen aan het van [geïntimeerde] op dit punt verlangde bewijs. Met betrekking tot de aan [appellant] verstrekte bewijsopdracht 7. Omdat [geïntimeerde] niet geslaagd is in het van hem verlangde bewijs omtrent de huur(prijs) van de vervangende opslagruimte, is bewijslevering aan de zijde van [appellant] met betrekking tot diens stelling dat [geïntimeerde] ter zake in onvoldoende mate schadebeperkend heeft gehandeld, niet meer aan de orde. Wederom met betrekking tot de grieven in het principaal appel 8. Het feit dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd het hem opgedragen bewijs ter zake van de huur van vervangende opslagruimte te leveren, heeft onder meer tot gevolg dat de grondslag van zijn vordering, voorzover betreft de kosten van die opslagruimte (post j. van de schadestaat), niet is komen vast te staan. De door [appellant] tegen de toewijzing van dit onderdeel van de vordering gerichte grieven IV t/m XIII slagen derhalve. 9. [geïntimeerde] heeft evenmin bewezen dat hij de gestelde extra vervoerskosten - 157 stuks auto's - heeft gemaakt (post a. van de schadestaat). De door [geïntimeerde] overgelegde online-registraties van de Rijksdienst voor het Wegverkeer en uitdraai van aanmeldingen bij Autorecycling Nederland B.V. zijn door het hof in het tussenarrest van 27 juli 2005 al onvoldoende bevonden om bij te dragen aan het bewijs van die gestelde extra vervoersbewegingen. Dat betekent dat post a. van de schadestaat niet toewijsbaar is. Grief XIV is daarom terecht voorgesteld. Weliswaar heeft het hof in zijn eerdergemeld tussenarrest van 27 juli 2005 geoordeeld dat de door [geïntimeerde] in dit kader berekende kilometerprijs niet bovenmatig hoog is - en heeft daarom grief XV verworpen - doch aan dat oordeel komt gelet op het slagen van grief XIV geen zelfstandige betekenis meer toe. 10. Omtrent de overige grieven heeft het hof reeds in zijn tussenarrest van 27 juli 2005 beslist. Wederom met betrekking tot de grieven in het incidenteel appel 11. Met betrekking tot grief 1 heeft het hof in zijn tussenarrest van 27 juli 2005 reeds geoordeeld dat de posten b. en c. van de schadestaat (kosten van "laden en lossen"), niet toewijsbaar zijn, terwijl de beslissing met betrekking tot post a. (vervoerskosten) is aangehouden in afwachting van bewijslevering. Omdat, zoals hiervoor in het principaal appel is overwogen, [geïntimeerde] niet is geslaagd in het bewijs omtrent de omvang van de vervoerskosten, en daarom post a. van de schadestaat moet worden afgewezen, faalt de grief. 12. In gemeld tussenarrest heeft het hof reeds geoordeeld dat de grieven 2 en 3 tevergeefs zijn voorgedragen. Ten aanzien van grief 4 zal het hof hierna beslissen. Slotsom in het principaal en het incidenteel appel 13. Hetgeen hiervoor is overwogen - bezien in samenhang met hetgeen het hof in zijn tussenarrest van 27 juli 2005 reeds heeft beslist - leidt tot de slotsom dat het vonnis van 28 april 2004 waarvan beroep niet in stand kan blijven. 13.1 Van de schadestaat dienen de posten a. t/m h. en j. te worden afgewezen. Post k. van de schadestaat is al door [geïntimeerde] ingetrokken. 13.2 Als door [appellant] onweersproken zullen worden toegewezen de posten i. (kosten inschakelen ingenieursbureau Westerdijk (lees: Westenberg; hof) ad euro 570,--) en l. (kosten loonbedrijf Hoven in verband met verwijderen vloer ten bedrage van euro 1.200,--), totaal euro 1.770,--. 13.3 Met betrekking tot de toe te wijzen wettelijke rente over laatstgemeld bedrag overweegt het hof dat [geïntimeerde] niet overtuigend heeft aangetoond dat de schade welke wordt toegewezen, ten volle reeds op 1 juli 2002 opeisbaar was. De nota van loonbedrijf Hoven dateert immers van 12 juli 2002. Het hof ziet hierin aanleiding de wettelijke rente eerst toe te wijzen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 2 april 2003. Grief 4 in het incidenteel appel is derhalve tevergeefs voorgedragen. 13.4 In gemeld tussenarrest is reeds beslist dat het bedrag waarmee [geïntimeerde] zijn vordering in hoger beroep heeft vermeerderd, niet toewijsbaar is. 13.5 Het hof zal bepalen dat [geïntimeerde] aan [appellant] terugbetaalt het verschil tussen het blijkens dit arrest aan [geïntimeerde] toe te wijzen bedrag en hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep reeds aan [geïntimeerde] heeft voldaan, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2004. 13.6 [geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg (3 procespunten, tarief IV zoals dat gold tot 1 november 2004) als in hoger beroep (51/2 procespunten, tarief IV zoals dat geldt sinds 1 november 2004). Beslissing Het gerechtshof: in het principaal en het incidenteel appel vernietigt het vonnis van 28 april 2004 waarvan beroep en opnieuw rechtdoende veroordeelt [appellant] om tegen kwijting aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van euro 1.770,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 april 2003 tot aan de dag der voldoening; wijst af hetgeen [geïntimeerde] meer of anders heeft gevorderd; bepaalt dat [geïntimeerde] aan [appellant] terugbetaalt het verschil tussen het bedrag dat ingevolge dit arrest aan hem, [geïntimeerde], wordt toegewezen en het bedrag dat [appellant] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep reeds aan [geïntimeerde] heeft voldaan, het terug te betalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2004 tot de dag der voldoening; veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]: in eerste aanleg op euro 1.088,-- aan verschotten en op euro 2.313,-- aan salaris voor de procureur; in hoger beroep op euro 2.546,80 (euro 70,40 dagvaardingskosten, euro 2.150,-- vast recht en euro 326,40 getuigentaxen) aan verschotten en op euro 8.970,50 aan salaris voor de procureur; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gewezen door mrs. Breemhaar, voorzitter, Zandbergen en Wissink, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 18 oktober 2006.