
Jurisprudentie
AZ0413
Datum uitspraak2006-10-02
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers06-8052
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers06-8052
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Nadat bleek dat verzoeker niet bereid was mee te werken aan een tweede poging van de werkgever om via mediation de arbeidsverhouding weer werkbaar te maken en verzoeker zelf het initiatief nam om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken, is het niet onbegrijpelijk dat er voor de werkgever weinig reden was aan te sturen tot verbetering van de verhoudingen en was de stap om zelf ook ontbinding te verzoeken niet onlogisch. Verzoekers standpunt dat er wel degelijk een medische noodzaak bestond is overigens niet te rijmen met het intrekken van zijn verzoek bij de kantonrechter, nadat bleek dat deze de door verzoeker gevorderde schadevergoeding niet kreeg toegekend. Verzoeker heeft door zijn handelwijze, waarbij ook opvalt dat hij bij de kantonrechter geen beroep heeft gedaan op zijn ontslagbescherming, een groot werkloosheidsrisico over zich afgeroepen.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 06 - 8052 WW
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2006
in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. M.L. van der Meulen, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2006 heeft verweerder verzoeker een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) met ingang van 3 april 2006 geweigerd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 29 mei 2006 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 juli 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 15 augustus 2006 beroep ingesteld. Bij brief van 8 september 2006 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De zaak is behandeld ter zitting van 26 september 2006, alwaar verzoeker is verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Hahn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Amsterdam.
2. Overwegingen
2.1 Verzoeker is sinds 1 januari 2000 werkzaam bij Centric Training BV. Met ingang van 1 januari 2004 zijn alle werknemers overgenomen door Centric Managed ICT Services (hierna: werkgever). Verzoeker heeft op 30 december 2005 aan de kantonrechter verzocht zijn arbeidsovereenkomst met zijn werkgever te ontbinden. Hierna heeft de werkgever eveneens een ontbindingsverzoek ingediend. De kantonrechter heeft op 13 februari 2006 te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en zijn werkgever met ingang van 1 april 2006 te willen ontbinden onder toekenning van een door de werkgever te betalen schadevergoeding van € 40.415,16 en partijen de gelegenheid gegeven het verzoek in te trekken. Naar aanleiding van de te laag bevonden schadevergoeding heeft verzoeker zijn verzoek ingetrokken, waarna de ontbinding werd toegekend op verzoek van de werkgever. Op 29 maart 2006 heeft verzoeker een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 10 mei 2006 heeft verweerder verzoeker een WW-uitkering met ingang van 3 april 2006 geweigerd, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Bij besluit van 28 juli 2006 heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. Op 15 augustus 2004 heeft verzoeker beroep in gesteld tegen laatstgenoemd besluit.
2.2 Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen en betoogt dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden nu hij geen andere keuze had dan ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter te verzoeken gezien het mislukken van de mediation en de ernstige gevolgen die voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor zijn gezondheid zou hebben. Ter ondersteuning van zijn betoog verwijst verzoeker naar de brief van de huisarts van 1 februari 2005 en het rapport van de arbo-arts van 11 oktober 2005. Het verzoek tot ontbinding is volgens verzoeker feitelijk ingesteld door de werkgever. Daarnaast ziet verzoeker in de toekenning van de schadevergoeding een erkenning door de kantonrechter dat verzoeker wel degelijk gronden had om een verzoek tot ontbinding in te dienen. Voorts betoogt verzoeker dat verweerder het beginsel van onpartijdigheid - door belastend materiaal aan de werkgever te vragen in de brief van 28 april 2006- en het beginsel van hoor en wederhoor - door hem niet te laten reageren op de reactie van de werkgever op 4 mei 2006 - heeft geschonden. Verzoeker verzoekt het besluit van 28 juli 2006 te schorsen dan wel te vernietigen en aan hem met ingang van 3 april 2006 een WW-uitkering toe te kennen.
2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verzoeker te wijten is dat hij werkloos is geworden. Allereerst wijst verweerder er op dat een aanbod tot mediation ten onrechte is afgewezen. Voorts was er geen grond voor verzoeker zelf een ontbindingsverzoek in te dienen. Met name is niet aannemelijk gemaakt dat de gezondheidstoestand van verzoeker zodanig was dat in redelijkheid niet van verzoeker gevergd kon worden dat de arbeidsverhouding bleef doorlopen. Verzoeker heeft zijn besluit bovendien niet gebaseerd op een advies van de medische sector.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
2.4 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
2.5 De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.
2.6 Ten aanzien van eisers grief dat hij ten onrechte niet gehoord zou zijn naar aanleiding van het faxbericht van 4 mei 2006 van de werkgever merkt de voorzieningenrechter op dat eiser op de hoorzitting van 25 juli 2006 in de gelegenheid is gesteld een reactie op genoemde brief te geven. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
De voorzieningenrechter overweegt voorts het volgende.
2.7 Artikel 24, eerste lid, onder a, WW luidt: " De werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt".
2.8 Artikel 24, tweede lid, onder b WW luidt: " De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd". Aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval dient te worden vastgesteld of sprake is van zodanige bezwaren dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dit verband wordt van een werknemer verwacht dat hij, alvorens het tot een eindiging van het dienstverband komt, al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan ten einde te voorkomen dat hij werkloos wordt.
2.9 Voorop zij gesteld dat artikel 24, eerste lid, onder a, WW in samenhang met artikel 24, tweede lid, onder b, WW niet alleen ziet op situaties waarin een werknemer ontslag neemt, maar tevens op gevallen waarin een werknemer onnodig actief of passief meewerkt aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking op initiatief van de werkgever (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 september 2004, LJN-nummer: AR4350 en www.rechtspraak.nl).
2.10 Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat van laatstgenoemde situatie hier sprake is. Allereerst is van belang dat, anders dan verzoeker heeft betoogd, er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat de werkgever uit was op het beëindigen van de arbeidsverhouding met verzoeker. Niet alleen heeft zij dit in de fax van 4 mei 2006 geschreven, ook de ontslagbescherming die verzoeker tot ongeveer december 2006 ten deel viel vormde een beletsel, maar ook overigens is uit de opstelling van de werkgever dit niet op te maken, waarmee niet gezegd is dat de werkgever geen verwijten zijn te maken, want dat is zeker wel het geval. Verweerder maakt verzoeker terecht het verwijt dat hij niet bereid was mee te werken aan een tweede poging om via mediation de arbeidsverhouding weer werkbaar te maken. Toen de werkgever zijn poging zag stranden om het instrument van mediation in te zetten en bovendien daarna vernam dat verzoeker zelf het initiatief nam om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken, is het niet onbegrijpelijk dat er voor de werkgever weinig reden was aan te sturen tot verbetering van de verhoudingen en was de stap om zelf ook ontbinding te verzoeken niet onlogisch. Tegen deze achtergrond kan verweerders standpunt dat de handelwijze van verzoeker aanleiding is geweest voor de werkgever om de arbeidsverhouding te beëindigen stand houden. Dat verzoeker zijn verzoek bij de kantonrechter heeft ingetrokken doet daar niet aan af, omdat mede door zijn verzoek een proces op gang is gekomen bij de werkgever, dat ertoe geleid heeft dat de dienstbetrekking tot een einde kwam.
2.11 Het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is gemaakt dat de handelwijze van verzoeker voortvloeide uit een medische noodzaak onderschrijft de voorzieningenrechter. Hetgeen verzoeker daaromtrent naar voren heeft gebracht is onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat zijn gezondheidstoestand niet toeliet dat hij langer bij de werkgever in dienst bleef. Ook is niet gebleken dat hij zijn keuze rechtstreeks heeft gebaseerd op een advies uit de medische sector. Verzoekers standpunt dat er wel degelijk een medische noodzaak bestond acht de voorzieningenrechter overigens ook niet te rijmen met het intrekken van zijn verzoek bij de kantonrechter, nadat bleek dat deze de door verzoeker gevorderde schadevergoeding niet kreeg toegekend. Verzoeker heeft door zijn handelwijze, waarbij ook opvalt dat hij bij de kantonrechter geen beroep heeft gedaan op zijn ontslagbescherming, een groot werkloosheidsrisico over zich afgeroepen en nu dat werkloosheidsrisico zich heeft gerealiseerd is verweerder op juiste gronden tot de conclusie gekomen dat verzoeker verwijtbaar werkloos is en dat de werkloosheid in overwegende mate aan verzoeker te wijten is.
2.12 Het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot een voorlopige voorziening af. Voorts bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
2. Beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1 verklaart het beroep ongegrond;
3.2 wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, voorzieningenrechter, en op 2 oktober 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Weltevreede, griffier.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.