Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0412

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3024 TW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Juistheid ingangsdatum toeslag ingevolge de TW.


Uitspraak

04/3024 TW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2004, 03/2005 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 september 2006. Partijen zijn daarbij niet verschenen. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 7 maart 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 november 2002 in aanmerking gebracht voor een toeslag krachtens de Toeslagenwet (TW) van € 11,89 bruto per dag, zijnde de voor appellant geldende maximale toeslag. Bij beslissing op bezwaar van 11 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaren tegen het besluit van 7 maart 2003 ongegrond verklaard. In beroep (en hoger beroep) heeft appellant wederom (alleen) bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de toeslag. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij als haar oordeel gegeven dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom appellant met ingang van 3 november 2002 - en niet eerder - recht heeft op een toeslag ingevolge de TW. Met ingang van die datum is appellants uitkering ingevolge de Werkloosheidswet beëindigd, waardoor appellants inkomen onder het voor hem relevante sociaal minimum is gedaald, zodat hij eerst per die datum recht had op toeslag. De Raad kan zich geheel verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. Voor een kostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006. (get.) M.M. van der Kade. (get.) M.F. van Moorst.