
Jurisprudentie
AZ0407
Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC05/00184
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC05/00184
Statusgepubliceerd
Indicatie
Als ervan wordt uitgegaan dat [automobilist], zoals hij verklaart, bij groen licht is gaan rijden, kan niet geconcludeerd worden dat [automobilist] onvoldoende oplettend of onvoorzichtig heeft gereden. Er staan onvoldoende feiten en omstandigheden omtrent de toedracht van het ongeval vast om tot die conclusie te kunnen komen.
Het enkele feit dat [automobilist] de auto van [appellant] niet heeft zien naderen, betekent immers nog niet dat [automobilist] daarom onvoldoende heeft opgelet toen hij linksaf sloeg. Indien ervan wordt uitgegaan dat [automobilist] groen licht had en hij, zoals hij tegenover de politie verklaard heeft, verschillende voertuigen, komend vanuit de tegenovergestelde richting (waaruit ook [appellant] kwam), heeft zien stilstaan voor het verkeerslicht [..], kan niet worden gezegd dat [automobilist] onvoldoende heeft opgelet, doordat hij in die situatie een tegenligger ([appellant]) die hij niet behoefde te verwachten, niet heeft zien aankomen. Ook als die tegenligger ([appellant]) slechts 45 km per uur zou hebben gereden, zoals [appellant] ter comparitie heeft verklaard, kan onvoldoende oplettendheid bij [automobilist] in dit geding niet worden aangenomen omdat niet duidelijk is op welke rijstrook [appellant] de kruising naderde en in welke mate het zicht daarop werd belemmerd door de stilstaande auto's waarover [automobilist] spreekt.
Uitspraak
typ. JD
rolnr. C0500184/MA
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
vierde kamer, van 17 oktober 2006,
gewezen in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende te [plaats],
appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 29 december 2004,
geïntimeerde in incidenteel appel,
procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,
tegen:
de naamloze vennootschap ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Zwolle,
geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,
appellante in incidenteel appel,
procureur: mr. J.E. Lenglet,
op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 24 november 2004 tussen principaal appellant - [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en principaal geïntimeerde - de verzekeraar - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 82600/HA ZA 03-311)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 28 mei 2003 en 24 maart 2004.
2. Het geding in hoger beroep
Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot toewijzing van zijn vordering in conventie.
Bij memorie van antwoord heeft de verzekeraar de grieven bestreden.
Voorts heeft de verzekeraar incidenteel appel ingesteld, daarin een grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het in reconventie gewezen vonnis en tot toewijzing van haar vordering in reconventie.
[appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord.
Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
3. De gronden van het hoger beroep
De grieven van [appellant] in principaal appel strekken ten betoge dat de rechtbank zijn vordering in conventie ten onrechte heeft afgewezen.
De grief van de verzekeraar in incidenteel appel strekt ten betoge dat de rechtbank haar vordering in reconventie ten onrechte heeft afgewezen.
4. De beoordeling
in principaal en incidenteel appel
4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
a. Op 31 juli 2002 omstreeks 9.50 uur heeft een aanrijding plaatsgevonden op het kruispunt [kruispunt] te [plaats] tussen de personenauto (Renault), bestuurd door [automobilist], wonende te [plaats], en de personenauto (Opel), bestuurd door [appellant]. De kruising is voorzien van verkeerslichten die ten tijde van de aanrijding in werking waren. De verkeerslichteninstallatie functioneerde goed (zie prod. 7 inl. dagvaarding en de verklaring van de getuige [getuige]).
b. [appellant] reed op de [straat 1] richting [plaats] met het doel op de kruising rechtdoor te rijden. [automobilist] reed op de [straat 1] in de tegenovergestelde richting met het doel op de kruising linksaf te slaan. De [straat 1] kent een middenberm, zoals aangegeven op prod. A memorie van grieven en de situatieschets bij het proces-verbaal (prod. 1 inl. dagvaarding). Beide auto's kwamen met elkaar in botsing, toen [automobilist] bezig was op de kruising linksaf te slaan en zich op de rijbaan van [appellant] bevond (zie situatieschets bij het proces-verbaal). De Renault van [automobilist] is aan de rechterzijkant beschadigd en de Opel van [appellant] aan de rechtervoorzijde.
c. [appellant] stelt als gevolg van deze aanrijding schade te hebben geleden tot een bedrag van E. 5.614,93, te weten schade aan de Opel E. 5.200,-, bergings- en stallingskosten E. 365,93 en taxikosten E. 49,-.
d. [automobilist] was allrisk-verzekerd bij de verzekeraar. De schade van [automobilist] heeft de verzekeraar tot een bedrag van E. 20.995,25 aan [automobilist] vergoed.
4.2. In conventie heeft [appellant] gevorderd de verzekeraar van [automobilist] te veroordelen tot betaling van voormeld bedrag van E. 5.614,93, vermeerderd met een bedrag van E. 520,- aan buitengerechtelijke kosten, een en ander vermeerderd met wettelijke rente.
4.2.1. In reconventie heeft de verzekeraar gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van voormeld bedrag van E. 20.995,25, vermeerderd met een bedrag van E. 998,- aan buitengerechtelijke kosten (2 punten van het toepasselijke liquidatietarief conform het Rapport Voorwerk, aanbeveling II), een en ander vermeerderd met wettelijke rente.
4.3. Bij tussenvonnis van 24 maart 2004 heeft de rechtbank in conventie aan [appellant] en in reconventie aan de verzekeraar een bewijsopdracht verstrekt.
4.3.1. [appellant] heeft in conventie vijf getuigen doen horen. De verzekeraar heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquete.
4.4. Bij eindvonnis heeft de rechtbank zowel de vordering van [appellant] als die van de verzekeraar afgewezen.
4.4.1. De grieven van [appellant] zijn alleen gericht tegen het in conventie gewezen vonnis. Nu tegen het in reconventie gewezen vonnis geen grieven zijn gericht, is [appellant] niet ontvankelijk in zijn beroep tegen dat vonnis.
4.5. In conventie heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
a. Zowel [appellant] als zijn echtgenote ([echtegnote]) hebben als getuigen verklaard dat het verkeerslicht aan hun zijde op groen stond toen zij de kruising opreden. Dit kan, in aanmerking genomen dat de verkeersinstallatie goed werkte, de conclusie wettigen dat dus het verkeerslicht aan de zijde van [automobilist] op rood moet hebben gestaan toen deze de kruising opreed, en dat deze dus door rood licht moet hebben gereden.
b. De rechtbank trekt echter die conclusie niet, omdat de verklaring van de echtgenote van [appellant] met de nodige voorzichtigheid moet worden beoordeeld, mede gelet op de discrepanties tussen haar verklaring en die van [appellant].
c. [appellant] heeft daarom niet bewezen dat [automobilist] door rood licht is gereden.
4.6. In de grieven 1 en 2 betoogt [appellant] dat, indien ervan wordt uitgegaan dat [automobilist] niet door rood licht is gereden, [automobilist] ook dan een verkeersfout heeft gemaakt en aansprakelijk is jegens [appellant], omdat [automobilist] dan onoplettend of met onvoldoende voorzichtigheid de kruising is opgereden. Hij heeft immers de personenauto van [appellant] niet zien naderen, terwijl hij tegenover de politie heeft verklaard dat hij het verkeer vanuit de tegengestelde richting heeft zien stilstaan. De onderhavige kruising is een overzichtelijke kruising en op de [straat 1] geldt een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur (zie prod. A mvg). [automobilist] had moeten anticiperen op de mogelijkheid dat tegenliggers, zoals [appellant], een fout maakten en hij had niet onverhoeds, zoals blijkt uit de getuigenverklaringen van [appellant] en zijn echtgenote, linksaf moeten slaan.
Volgens [appellant] heeft de rechtbank een en ander ten onrechte niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van het geschil.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
4.7. Het hof sluit niet uit dat de rechtbank voormelde omstandigheden bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing heeft gelaten, nu de rechtbank zich daarover niet met zoveel woorden heeft uitgelaten.
Hoe dan ook, het hof is van oordeel dat voormeld betoog [appellant] niet kan baten.
4.7.1. Als ervan wordt uitgegaan dat [automobilist], zoals hij verklaart, bij groen licht is gaan rijden, kan niet geconcludeerd worden dat [automobilist] onvoldoende oplettend of onvoorzichtig heeft gereden. Er staan onvoldoende feiten en omstandigheden omtrent de toedracht van het ongeval vast om tot die conclusie te kunnen komen.
Het enkele feit dat [automobilist] de auto van [appellant] niet heeft zien naderen, betekent immers nog niet dat [automobilist] daarom onvoldoende heeft opgelet toen hij linksaf sloeg. Indien ervan wordt uitgegaan dat [automobilist] groen licht had en hij, zoals hij tegenover de politie verklaard heeft, verschillende voertuigen, komend vanuit de tegenovergestelde richting (waaruit ook [appellant] kwam), heeft zien stilstaan voor het verkeerslicht (zie proces-verbaal [nummer], blad 1), kan niet worden gezegd dat [automobilist] onvoldoende heeft opgelet, doordat hij in die situatie een tegenligger ([appellant]) die hij niet behoefde te verwachten, niet heeft zien aankomen. Ook als die tegenligger ([appellant]) slechts 45 km per uur zou hebben gereden, zoals [appellant] ter comparitie heeft verklaard, kan onvoldoende oplettendheid bij [automobilist] in dit geding niet worden aangenomen omdat niet duidelijk is op welke rijstrook [appellant] de kruising naderde en in welke mate het zicht daarop werd belemmerd door de stilstaande auto's waarover [automobilist] spreekt.
Feiten of omstandigheden waaruit kan volgen dat [automobilist] de kruising onvoorzichtig is opgereden, zijn evenmin gebleken.
De grieven 1 en 2 falen daarom.
4.8. In grief 3 betoogt [appellant] dat de geloofwaardigheid van [automobilist] in twijfel dient te worden getrokken en dat de rechtbank heeft nagelaten een overweging te wijden aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [automobilist]. In dit verband wijst [appellant] erop dat de verkeerslichten ter plaatse voertuigafhankelijk zijn geregeld, dat de verkeerslichten ter plekke aldus werken dat eerst de rijrichting van [automobilist] groen licht krijgt en daaropvolgend de rijrichting van [appellant], dat algemeen bekend is dat het negeren van rood licht veelal gebeurt op een moment direkt nadat het groen licht op rood is gesprongen en dat de ontruimingstijd voor [automobilist] 7 seconden bedraagt alvorens de rijrichting van [appellant] groen licht krijgt.
4.8.1. Voor het hof is niet begrijpelijk waarom voormelde opmerkingen die [appellant] in de toelichting op deze grief naar voren brengt, de getuigenverklaring van [automobilist] ongeloofwaardig maken. Voor het overige acht het hof de opmerkingen van [appellant] te speculatief om daarop de conclusie te baseren dat de verklaring van [automobilist] als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Met name heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd zijn conclusie dat wanneer [automobilist] door groen licht zou zijn gereden, "[appellant] rechtdoor zijn weg vervolgt door rood licht dat reeds een lange tijd op rood stond" en dat [automobilist] daarom ongeloofwaardig is.
Grief 3 faalt.
4.9. In grief 4 stelt [appellant] dat de rechtbank aan de verklaring van de echtgenote van [appellant] ten onrechte geen, althans onvoldoende, bewijswaarde heeft toegekend. Bovendien heeft de rechtbank volgens [appellant] onvoldoende duidelijk gemotiveerd waarom aan de verklaring van zijn echtgenote onvoldoende bewijswaarde toekomt.
4.10. Het hof oordeelt als volgt. Zowel [appellant] als diens echtgenote bevestigden op [datum] juli 2004 als getuigen dat het verkeerslicht, gezien vanuit hun rijrichting, op groen stond. [appellant] heeft dat na de aanrijding op 31 juli 2002 ook verklaard tegenover de politie (prod. 1 inl. dagvaarding) en, evenals zijn echtgenote, bevestigd in een "Eidesstattliche Erklärung" d.d. [datum] november 2002 (prod. 2 inl. dagvaarding). Deze informatie van [appellant] volgend, kan het niet anders dan dat het verkeerslicht voor [automobilist] op rood stond toen [appellant] de kruising opreed, nu ervan moet worden uitgegaan dat de verkeerslichteninstallatie goed werkte.
4.10.1. Daartegenover staat de verklaring van [automobilist] als getuige. Hij heeft verklaard dat het verkeerslicht, gezien van zijn rijrichting, op rood stond, dat hij toen links voorgesorteerd stilstond op de daarvoor bestemde rijbaan en dat, toen het verkeerslicht groen werd, hij linksaf de kruising is opgereden.
De informatie van [automobilist] volgend, kan het niet anders dan dat, voordat het verkeerslicht voor [automobilist] groen werd, het verkeerslicht voor [appellant] op rood stond, nu ervan moet worden uitgegaan dat de verkeerslichteninstallatie goed werkte.
4.10.2. In conventie rust de bewijslast op [appellant]. [appellant] dient daarom overtuigend bewijs van zijn stelling bij te brengen. Daarbij geldt dat de verklaring van [appellant] (partijgetuige) alleen bewijs in zijn voordeel oplevert indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiele punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt. De verklaring van de echtgenote van [appellant] is echter niet zodanig sterk dat het de verklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maakt. De verklaring van de echtgenote wordt immers ontkracht doordat [automobilist] als getuige anders heeft verklaard en het hof in het betoog van [appellant] geen argumenten heeft aangetroffen die tot de overtuiging leiden dat aan de verklaring van [automobilist] minder geloof moet worden gehecht dan aan de verklaring van de echtgenote van [appellant]. Ter toelichting van dit laatste diene nog het volgende.
4.10.3. Tegenover de politie heeft [automobilist] verklaard: "De [straat 2] ter hoogte van bovengenoemde kruising is onderverdeeld in drie rijstroken." Met de [straat 2] moet de [straat 1] bedoeld zijn ter plaatse waar [automobilist] de kruising naderde. [automobilist] reed immers op de [straat 1], niet op de [straat 2], zodat in dit verband de rijstroken op de [straat 1] van belang zijn en niet die van de [straat 2]. De [straat 1] kent, blijkens de situatietekening, vier rijstroken, waarvan de twee middelste voor rechtdoorgaand verkeer. [automobilist] vermeldt dus een onjuist aantal rijstroken. Om daaruit nu af te leiden dat [automobilist] mogelijk onjuist voorgesorteerd stond en zich, toen hij optrok om linksaf te slaan, mogelijk heeft laten leiden door de verkeerslichten voor het rechtdoorgaand verkeer, acht het hof te speculatief, om de geloofwaardigheid van [automobilist] op die grond in twijfel te trekken. [automobilist] heeft namelijk als getuige zeer nadrukkelijk verklaard dat hij links voorgesorteerd stond "hetgeen ook verplicht was gelet op de pijlen die op de weg stonden" en tegenover de politie verklaarde [automobilist] dat hij zag dat het verkeerslicht voor linksaf verkeer groen licht uitstraalde. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten om te concluderen dat het waarschijnlijk is dat [automobilist] zich heeft vergist bij zijn verklaring betreffende het voor hem bestemde verkeerslicht.
Op grond van de werking van de verkeerslichten, zoals vermeld in de informatie die [ambtenaar], ambtenaar van de gemeente [gemeente], heeft verschaft en die [appellant] heeft overgelegd (prod. B mvg), betoogt [appellant] voorts dat hij "niet door rood kan zijn gereden kort nadat het voor rechtdoorgaand verkeer bestemde verkeerslicht op rood is gesprongen, nu immers onder die omstandigheden [automobilist] nog lang geen groen licht kan hebben gehad". Dit betoog rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de verklaring van [automobilist] ongeloofwaardig is. Dat [appellant] door rood licht is gereden op het moment dat dit licht direct daarvoor op rood was gesprongen, staat niet vast. [appellant] kan ook door rood licht hebben gereden, toen dit al enige tijd op rood stond en [automobilist] groen licht kreeg.
Grief 4 faalt dus.
4.11. Nu de grieven van [appellant] in principaal appel falen dient het in conventie gewezen eindvonnis te worden bekrachtigd.
4.11.1. Het hof zal de uitspraak op dit punt in het dictum aanhouden, totdat ook in incidenteel appel einduitspraak kan worden gedaan.
4.12. In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeraar niet heeft bewezen dat [appellant] door rood licht is gereden.
De enkele verklaring van de getuige [automobilist] dat het verkeerslicht voor hem op groen stond, is daartoe, aldus de rechtbank, onvoldoende, terwijl diens verklaring met de nodige voorzichtigheid moet worden beoordeeld.
4.13. De verzekeraar stelt in haar grief dat, wanneer, gezien vanuit de rijrichting van [appellant] op de [straat 1], de verkeerslichten voor linksafslaand en rechtsafslaand verkeer rood licht uitstralen, ook de verkeerslichten voor rechtdoorgaand verkeer, waartoe [appellant] behoorde, rood licht uitstralen. Dit baseert de verzekeraar op de werking van de verkeerslichten, zoals vermeld in de informatie van [ambtenaar], genoemd onder 4.10.3. [appellant] heeft voorts als getuige verklaard dat rechts van hem een personenauto voor rood licht stilstond en dat de bestuurder van deze auto naar de politie heeft gebeld. De echtgenote van [appellant] heeft als getuige verklaard dat zij na het ongeluk heeft gezien dat rechts van hen twee auto's stonden en dat in een van die auto's een jonge man zat die ook de politie heeft gebeld.
Gezien het voorgaande, en mede gelet op de verklaring van [automobilist] dat hij verschillende voertuigen in tegenovergestelde richting heeft zien stilstaan, kan het, aldus de verzekeraar, niet anders dan dat ook de verkeerslichten voor rechtdoorgaand verkeer op de [straat 1], waar [appellant] reed, op rood stonden en dat [appellant] dus door rood licht is gereden. De verzekeraar biedt deskundigenbewijs aan omtrent de werking van de verkeerslichten door de [ambtenaar].
4.14. In de memorie van antwoord stelt [appellant] dat, waar in de getuigenverklaring van hem en zijn echtgenote sprake is van een rechts van hem voor rood licht stilstaande auto respectievelijk van auto's rechts van hen, niet wordt gedoeld op een of meer auto's die stilstonden op de [straat 1] in het voorsorteervak voor rechtsafslaand verkeer, maar op auto's die zich rechts van de [straat 1] op de [straat 2] bevonden. [appellant] heeft bovendien ter comparitie verklaard: "Ongeveer 30 tot 40 meter voor mij reed nog een auto.(....) Naast mij reed niemand. (....) Er was niet veel verkeer." De verzekeraar trekt dus, aldus [appellant], de verkeerde conclusie.
4.15. Indien de stellingen van de verzekeraar juist zijn, zou de conclusie moeten zijn dat [appellant] door rood licht is gereden. Nu [appellant] die stellingen betwist, dient de verzekeraar bewijs te leveren
a. dat de door [appellant], respectievelijk zijn echtgenote, bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaring inhoudt dat er in het voorsorteervak voor rechtsafslaand verkeer op de [straat 1] ter plaatse waar en op het moment dat [appellant] de kruising naderde een of meer auto's hebben stilgestaan, en
b. dat de verkeerslichtsignalering ter plaatse aldus is geregeld dat, indien het verkeerslicht bedoeld voor voormeld rechtsafslaand verkeer op rood staat, ook steeds het verkeerslicht bedoeld voor rechtdoorgaand verkeer op de [straat 1] (richting [plaats]) op rood staat.
Indien beide feiten worden bewezen, kan het niet anders dan dat [appellant] door rood is gereden.
5. De uitspraak
Het hof:
op het principaal appel:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het in reconventie gewezen vonnis;
houdt iedere verdere beslissing aan;
in incidenteel appel:
laat de verzekeraar toe te bewijzen
a. dat de door [appellant], respectievelijk zijn echtgenote, bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaring inhoudt dat er in het voorsorteervak voor rechtsafslaand verkeer op de [straat 1] ter plaatse waar en op het moment dat [appellant] de kruising naderde een of meer auto's hebben stilgestaan, en
b. dat de verkeerslichtsignalering ter plaatse aldus is geregeld dat, indien het verkeerslicht bedoeld voor voormeld rechtsafslaand verkeer op rood staat, ook steeds het verkeerslicht bedoeld voor rechtdoorgaand verkeer op de [straat 1] (richting [plaats]) op rood staat;
bepaalt, voor het geval de verzekeraar bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Bod als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 31 oktober 2006 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op maandagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de procureur van de verzekeraar bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de procureur van de verzekeraar tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-van Dijken en Huijbers-Koopman en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 oktober 2006.