Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0404

Datum uitspraak2006-08-23
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers50370 HA ZA 05-594
Statusgepubliceerd


Indicatie

''Würthembergische heeft haar primaire vordering gebaseerd op een onrechtmatige daad van Van Zweeden, stellende dat Van Zweeden alleen dan geen schuld heeft indien zij bij haar verkrijging te goeder trouw is geweest. Beoordeeld moet worden of Van Zweeden ten tijde van de aflevering van de auto te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 BW.''


Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG Sector Civiel recht Vonnis van 23 augustus 2006 in de zaak van: Rolnummer: 05-594 de Duitse rechtspersoon Würthembergische Versicherung AG, gevestigd te Stuttgart (D), eiseres, procureur: mr. C.J. IJdema, advocaat: mr. HA.J. Stollenwerck te Maastricht; tegen 1. de vennootschap onder firma Autobedrijf Van Zweeden, gevestigd te Middelburg, 2. [gedaagde sub 1], 3. [gedaagde sub 2], beiden wonende te Middelburg, gedaagden, procureur: mr. W.T.J. Schieman. Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Würthembergische en Van Zweeden (tezamen en in enkelvoud). 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de conclusie van repliek met producties en een akte van depot; - de conclusie van dupliek met producties; - akte naar aanleiding van producties bij conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Op 28 juli 2002 is te Zandvoort een personenauto gestolen van het merk Porsche (type 911, model Speedster) bouwjaar 1989 met het Duitse kenteken [nummer] en het chassisnummer [nummer] (hierna ook kortweg “de auto” te noemen), welke auto in eigendom toebehoorde aan [d[dhr. S.], wonende te [adres], Duitsland. De auto was op genoemde datum tegen het risico van diefstal verzekerd bij de Würthembergische, die haar verzekeringnemer heeft schadeloos gesteld, waarna zij krachtens de toepasselijke polisvoorwaarden eigenares is geworden van de auto. 2.2. Van Zweeden heeft de auto op 30 oktober 2002 voor een bedrag van € 19.500,-- gekocht van een zekere [B.], bij welke verkoop het chassisnummer van de auto blijkens een door Würthembergische ter griffie gedeponeerd verkoopdocument [nummer] was. Van Zweeden heeft nog voor een bedrag van € 3.000,-- reparaties uitgevoerd aan de auto (nieuwe banden, nieuwe uitlaat, nieuwe remschijven en een kleine beurt) en de auto diezelfde dag doorverkocht aan het garagebedrijf BVBA Autohandel DC te Kuurne, België, voor een bedrag van € 28.500,--, welk bedrijf de auto op haar beurt op 6 december 2002 voor € 40.300,-- heeft verkocht [V.] te Beernem (B). 2.3. De politie stelde op 27 april 2004 vast dat het chassisnummer van de auto was vervalst en dat het door haar gecontroleerde voertuig op 25 juli 1989 was gebouwd met het chassisnummer [nummer]. Bij consultatie van de politionele bestanden bleek de auto onder dat laatste chassisnummer voor te komen in het Schengen systeem en op zondag 28 juli 2002 tussen 11.30 uur en 17.15 uur te zijn gestolen in Zandvoort. De auto is vervolgens in België onder rijdend beslag gesteld, wat betekent dat [V.] het voertuig voorlopig, in afwachting van een verdere beslissing van de procureur des Konings te Brugge, mag gebruiken maar niet mag verkopen of verhuren 2.4. Op 24 mei 2004 heeft de Federale Politie te Brugge deze [V.] verhoord over de aankoop van de auto, waarbij naar voren kwam dat Autohandel DC de auto op 28 januari 2003 heeft laten keuren en kort daarna heeft geleverd aan [V.], die de auto in de garage van zijn woning heeft gestald tot het voorjaar van 2004, waarna hij de auto na een herkeuring op 19 april 2004 ter inschrijving heeft aangeboden aan de bevoegde dienst FOD Mobiliteit en Vervoer Directie Inschrijving Voertuigen (DIV) te Oostende teneinde er tijdens de zomerperiode gebruik van te kunnen maken. Bij de dienst DIV bleek de inschrijving niet te kunnen worden uitgevoerd, omdat het document “certificat de mise hors circulation” van de vorige Luxemburgse inschrijving niet in orde was. 3. Het geschil 3.1. Würthembergische vordert om bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis primair Van Zweeden hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen € 54.005,16, zijnde - de aan de verzekerde [dhr. S.] uitgekeerde schadepenningen van € 45.900,00 - de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2002 (inkoopdatum) tot dagvaarding € 7.211,16 - de buitengerechtelijke kosten volgens het rapport Voorwerk 1 punt ad € 894,00 en subsidiair v.Zweeden hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen € 23.460,04, zijnde - de door Van Zweeden voor de auto ontvangen koopprijs van € 19.500,-- - de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2002 (inkoopdatum) tot dagvaarding € 3.066,04 - de buitengerechtelijke kosten volgens het rapport Voorwerk 1 punt ad € 894,00, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van Van Zweeden in de kosten van deze procedure. 3.2. Würthembergische legt aan deze vordering naast voormelde feiten primair ten grondslag dat Van Zweeden ten opzichte van Würthembergische onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij een eigendomsobject van de Würthembergische heeft verhandeld, te weten ingekocht en daarna weer verkocht. Van Zweeden was niet te goeder trouw bij de verwerving van de auto, omdat de auto aan haar werd aangeboden door een ande[B.]) dan de kentekenhouder ([G.]). Ook heeft Van Zweeden niet aan haar onderzoeksplicht voldaan, omdat zij aan de aanbieder van de auto ([B.]) niet heeft gevraagd zich te legitimeren. Van Zweeden is primair gehouden aan Würthembergische de uitgekeerde schadepenningen te voldoen, verhoogd met rente en kosten. Subsidiair is Van Zweeden ongerechtvaardigd verrijkt, welke vordering bestaat uit de door Van Zweeden aan [B.] betaalde koopprijs van € 19.500,--, verhoogd met rente en kosten, waarbij de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum dat Van Zweeden de auto heeft doorverkocht (30 oktober 2002). Würthembergische heeft de handelaar (Van Zweeden) in rechte betrokken omdat zij bij een revindicatie van de auto in België de consument ([V.]) zou hebben moeten schadeloos stellen. 3.3. Van Zweeden betwist onrechtmatig te hebben gehandeld jegens Würthembergische en weerspreekt ook dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt. Van Zweeden heeft daartoe aangevoerd dat een onderzoek van autopapieren niet mogelijk was omdat het hier ging om een van Luxemburg afkomstige auto. In een autoblad (“Autotrader”) had zij een advertentie gelezen, waarin een 13 jaar oude Porsche met een vervallen Luxemburgs kenteken werd aangeboden voor € 33.000,--. Van Zweeden is toen met de aanbieder van die aut[B.]) in contact getreden. Deze had de auto in zijn bezit met alle daarbij behorende sleutels, alsook het vervallen Luxemburgse kentekenbewijs. Uit dat laatste bleek Van Zweeden dat de daarop vermelde typegegevens correspondeerden met de gegevens die waren aangebracht op het aan Van Zweeden aangeboden voertuig. Op dat kenteken was aangetekend “véhicule hors circulation” (voertuig buiten verkeer) en “certificat de mise hors circulation” (certificaat van inzet buiten verkeer), waaruit volgens Van Zweeden volgt dat het voertuig niet langer voor het wegverkeer werd gebruikt, zodat de bezitter het voertuig vrijelijk mocht vervreemden aan een derde zonder dat te moeten melden aan de Luxemburgse evenknie van de Dienst Wegverkeer. Van Zweeden beroept zich daarbij op de informatie van een door haar (raadsman) geconsulteerde advocaat (CvA, prod. 2). De oorspronkelijk op het vervallen kentekenbewijs voorkomende eigenaar van de auto ([G.]) had de auto kennelijk laten uitschrijven en vervolgens verkocht en geleverd aan [B.] of enig ander persoon. De afwijkende tenaamstelling op het kentekenbewijs was voor Van Zweeden dan ook geen aanleiding geweest voor verder onderzoek, waarbij zij zich ook afvraagt welk nader onderzoek zij had moeten instellen. 3.4. Van Zweeden acht verder van belang dat het gaat om een voertuig dat hier te lande niet geregistreerd staat en in Luxemburg buiten het verkeer is gebracht. Zij acht de systemen in Nederland en Luxemburg in het registreren van voertuigen, waarop de rechtspraak van de Hoge Raad is gebaseerd, niet met elkaar vergelijkbaar. Van Zweeden stelt verder de identiteit van de heer [B.] te hebben vastgesteld aan de hand van een legitimatiebewijs. Omdat zij geen inzage heeft in de Gemeentelijke Basisadministratie heeft zij de identiteitsgegevens niet kunnen controleren. Zij stelt een normale handelarenprijs (€ 19.500,--) te hebben betaald voor dit occasion-voertuig, welke prijs volgens haar aanzienlijk afwijkt van die voor een consument. Van Zweeden stelt tot slot vaker personenauto’s uit Europa bij handelaren te kopen, waarbij de kentekens veelal niet op naam van de betreffende handelaar staan maar ten name van de voormalige kentekenhouder. Volgens Van Zweeden heeft zij ook nu het onderzoek verricht dat onder deze omstandigheden redelijkerwijs van haar mocht worden gevergd, zodat zij te goeder trouw was en heeft zij mitsdien niet onrechtmatig gehandeld ten opzichte van Würthembergische. 3.5. Met betrekking tot de (subsidiaire) vordering wijst Van Zweeden er allereerst op dat Würthembergische de mogelijkheid heeft gehad de auto naar Belgisch recht (art. 2279 en 2280 Belgisch BW) binnen drie jaar na de diefstal tegen schadeloosstelling van de consument-koper te revindiceren, zodat zij nu niet meer Van Zweeden kan aanspreken op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Ook acht Van Zweeden het niet redelijk dat het risico van de diefstal van de auto volledig op haar wordt afgewenteld. Slaagt dit verweer niet, dan stelt Van Zweeden zich op het standpunt dat haar verrijking moet worden gesteld op het verschil tussen de verkoop- en inkoopprijs minus de reparatiekosten van de auto (€ 3.000,--), zodat de verrijking van Van Zweeden per saldo € 6.000,-- bedraagt. Voormelde reparatiekosten dienen volgens Van Zweeden ook zonder meer te worden afgetrokken van het door Würthembergische gevorderde bedrag van € 19.500,--, zodat uiterst subsidiair € 16.500,-- voor toewijzing in aanmerking zou komen. Van Zweeden voert tot slot verweer tegen de gevorderde rente- en incassokosten. 4. De beoordeling van het geschil 4.1. Met betrekking tot de primaire vordering is op de relatie tussen Würthembergische en Van Zweeden Nederlands recht van toepassing. Een vordering uit onrechtmatige daad wordt immers – behoudens een daarvan afwijkende rechtskeuze, die partijen niet heb-ben gemaakt – in beginsel beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden (HR 19 november 1993, NJ 1994, 622 – COVA-arrest). De subsidiaire vordering wordt beheerst door het recht van het land waar het merendeel van de feiten zich heeft voorgedaan, die de vermogensvermeerdering hebben veroorzaakt. Nu de doorverkoop van de auto in Nederland heeft plaatsgevonden en Würthembergische daarop de subsidiaire vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft gegrond, is ook op deze vordering het Nederlandse recht van toepassing. 4.2. Würthembergische heeft haar primaire vordering gebaseerd op een onrechtmatige daad van Van Zweeden, stellende dat Van Zweeden alleen dan geen schuld heeft indien zij bij haar verkrijging te goeder trouw is geweest. Beoordeeld moet worden of Van Zweeden ten tijde van de aflevering van de auto te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 BW. Daarbij is de door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 1986, NJ 1986, 810 geformuleerde norm van toepassing, welke norm strekt tot bescherming van de eigenaar die het bezit van zijn/haar auto door diefstal heeft verloren. Van Zweeden heeft weliswaar betoogd dat de leer van de Hoge Raad over de goede trouw bij aankoop van tweedehands voertuigen niet van toepassing is vanwege de onvergelijkbaarheid van de registratiesystemen in Nederland en Luxemburg, maar dit verweer gaat eraan voorbij dat juist aan bedoelde rechtspraak de gedragsnormen van handelaren in tweedehands auto’s kunnen worden getoetst. 4.3. In het arrest van 4 april 1986 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat – uitzonderingen daargelaten – de verkrijger van een tweedehands auto, wil hij ten tijde van zijn verkrijging te goeder trouw zijn, ten minste de autopapieren moet hebben onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman. De Hoge Raad heeft deze regel herhaald in HR 17 oktober 2005, NJ 2006, 351. Daarmee wordt in feite voortgeborduurd op het bijna 40 jaar oude standaardarrest Van der Peijl/Van der Gun (HR 24 september 1967, NJ 1968, 74), waarin is beslist dat de door art. 2014 BW (oud) verleende bescherming niet toekomt aan iemand die bij de aankoop van een tweedehands auto had behoren te begrijpen dat de zaak niet “eerlijk” was en die desondanks nalaat inlichtingen in te winnen bij de persoon op wiens naam de bij de auto behorende papieren staan. Om deze op de verkrijger van een tweedehands auto rustende onderzoeksplicht gaat het in deze zaak, waarbij enerzijds een verkeersbelang (de autohandel) wordt gediend, terwijl anderzijds de misdaadbestrijding in het oog wordt gehouden. 4.4. Vooropgesteld moet worden dat van Van Zweeden als een professionele in- en verkoper van gebruikte auto’s kan worden gevergd dat hij extra oplettend is en een nader onderzoek instelt als zich feiten en omstandigheden voordoen die twijfel oproepen over de herkomst van een tweedehands auto, die te koop wordt aangeboden, of over de beschikkingsbevoegdheid van de persoon, die een dergelijke auto te koop aanbiedt. 4.5. In deze zaak wordt daarbij van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan. Van Zweeden is op grond van een advertentie in “Autotrader” in contact getreden met een zekere [B.], die een 13 jaar oude Porsche te koop aanbood. Bij de auto zat wel een kentekenbewijs, maar dat was in Luxemburg afgegeven en inmiddels vervallen verklaard. Ook stond het kentekenbewijs op een andere naam, dan die van de aanbieder van de auto. Van Zweeden heeft aan de aanbieder van de auto wel gevraagd om zich te legitimeren, maar van dat legitimatiebewijs heeft zij geen fotokopie gemaakt. Ook heeft zij niet gevraagd naar de herkomst van de auto. De vraagprijs was € 33.000,--, maar uiteindelijk heeft Van Zweeden de auto kunnen kopen voor € 19.500,--. Van Zweeden heeft een verkoopdocument uitgeschreven, maar Würthembergische heeft er nog op gewezen dat de daarop geschreven telefoonnummers niet corresponderen met de nummers die staan vermeld op de op dat document gekopieerde advertentie uit “Autotrader”. Van Zweeden heeft tot slot geen kwitantie gevraagd voor de door haar aan de onbekende persoon betaalde koopsom. 4.6. Van Zweeden heeft hiermee niet voldaan aan de minimumeisen (“ten minste de autopapieren onderzoeken”) die de Hoge Raad stelt aan de verkrijger van een tweedehands auto. Van Zweeden heeft wel nog bij conclusie van dupliek gesteld dat zij het onderzoek heeft ingesteld dat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht, maar uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden valt veeleer af te leiden dat Van Zweeden geen enkel noemenswaardig onderzoek heeft ingesteld naar de herkomst van de auto of de aanbieder daarvan. Daarmee voldoet het gedrag van Van Zweeden niet aan de norm van de Hoge Raad en is geen sprake van goede trouw in de zin van voormelde rechtspraak. Voor die goede trouw is een gezonde dosis wan-trouwen vereist, terwijl Van Zweeden juist te lichtvaardig erop heeft vertrouwd dat het met de bevoegdheid van de aanbieder van de auto en de herkomst van de auto wel goed zat. De misdaadbestrijding – een van de door de Hoge Raad beoogde motieven bij de rechtspraak over de handel in tweedehands auto’s – wordt daarmee niet gediend. 4.7. De primaire vordering komt evenwel niet voor toewijzing in aanmerking, omdat Würthembergische in dat geval niet alleen de dagwaarde van de auto zou ontvangen, maar ook de eigendomsrechten van de auto zou behouden, terwijl aan de andere kant niet is gesteld of gebleken dat Van Zweeden zich aan de diefstal van de auto of aan heling heeft schuldig gemaakt, zodat haar verweer slaagt dat het onredelijk is het risico van de diefstal volledig op haar af te wentelen. 4.8. Met betrekking tot de subsidiaire vordering heeft Van Zweeden nog ten verwere aangevoerd dat Würthembergische naar Belgisch recht de mogelijkheid heeft gehad om de auto te revindiceren van de consument-koper [V.]. Van Zweeden verliest daarbij echter uit het oog dat Würthembergische in dat geval naast de eigen verzekerde ook de consument-koper schadeloos zal moeten stellen en de door [V.] aan de garagehouder betaalde koopsom (€ 40.300,--) aan hem zal moeten terugbetalen. 4.9. De subsidiaire vordering is toewijsbaar. De gestelde verrijking is gelegen in de omstandigheid dat Van Zweeden door doorverkoop van de auto aan Autohandel DC een winst van € 9.000,-- heeft gemaakt en vanwege deze doorverkoop de op artikel 3:86 lid 3 BW gegronde vordering van de gestolen auto door Würthembergische illusoir heeft gemaakt. De verkoopopbrengst (€ 9.000,--) is in de verhouding van Van Zweeden tot Würthembergische aldus ongerechtvaardigd aan haar toegekomen. Van Zweeden kan op de behaalde winst wel de reparatiekosten van € 3.000,-- in mindering brengen, zodat als ongerechtvaardigde verrijking resteert € 6.000,--, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag dat zij ongerechtvaardigde is verrijkt en wel op 30 okto-ber 2002, op welke dag de overeenkomst tussen Van Zweeden en Autohandel DC is tot stand gekomen (CvA pag.8). 4.10. De door Würthembergische gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar, omdat zij wel heeft gesteld maar niet heeft aangetoond dat haar advocaat in de briefwisseling met Van Zweeden werkzaamheden heeft verricht die niet vallen onder de proceskosten als bedoeld in art. 237 Rv. 4.11. Van Zweeden zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. 5. De beslissing De rechtbank: veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt de anderen zijn bevrijd, aan eiseres te betalen een bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2002 tot de dag van volledige voldoening; veroordeelt gedaagden in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van eiseres begroot op € 85,60 aan explootkosten, € 1.190,00 aan griffierecht en € 768,00 aan salaris procureur; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M.J. Hoppers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 augustus 2006 in aanwezigheid van de griffier.