
Jurisprudentie
AZ0400
Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers218746 / KG ZA 06-905
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers218746 / KG ZA 06-905
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Gedaagde heeft tientallen katten in huis. Eisers, de omwonenden van gedaagde, vorderen dat gedaagde wordt verboden om in haar huis of op haar erf katten te houden en/of te voeren, gelet op de stankoverlast die de katten veroorzaken. De voorzieningenrechter heeft gedaagde verboden om meer dan twee katten te houden, op straffe van een dwangsom.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 218746 / KG ZA 06-905
Vonnis in kort geding van 19 oktober 2006
in de zaak van
[eisers sub 1 tot en met 12]
allen wonende te UTRECHT,
eisers,
procureur mr. M.P.H. van Wezel,
tegen
[gedaagde]
wonende te Utrecht,
gedaagde,
bijgestaan door mr. D.S. Muller van ARAG Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Leusden.
Partijen zullen hierna eisers en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van eisers
- de pleitnota van [gedaagde].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [gedaagde] is woonachtig te Utrecht. Eisers sub 3 t/m 5 zijn directe buren van [gedaagde] en de overige eisers wonen in de directe nabijheid van [gedaagde].
2.2. [gedaagde] is praktiserend dierenarts. Zij houdt praktijk aan huis. [gedaagde] hield ten ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding ongeveer 55 katten. Dit aantal is thans teruggebracht naar 35 katten. [gedaagde] verzorgt haar katten goed en is ook bezig een goed tehuis voor haar dieren te zoeken, doch dit laatste proces verloopt erg langzaam.
2.3. Buren en omwonenden klagen al geruime tijd over de hinder die zij van de katten van [gedaagde] ondervinden. In de periode augustus tot en met november 2005 heeft een aantal buurtbijeenkomsten plaatsgevonden, waarbij tevens de wijkagent aanwezig is geweest. Vanaf 2004 zijn er bij de Politie totaal 24 mutaties vastgelegd omtrent kattenoverlast gerelateerde zaken in de betreffende buurt. De Politie heeft geconstateerd dat de kattenpopulatie sterk is toegenomen maar heeft te kennen gegeven geen mogelijkheden te hebben om actie te ondernemen op grond van de APV.
2.4. Op 28 januari 2006 heeft [naam betrokkene] van de Geneeskundige en
Gezondheidsdienst van de gemeente Utrecht de woningen te Utrecht bezocht. Daarvan heeft zij een schriftelijke verslag gemaakt dat zij op 21 februari 2006 aan [eiseres sub 1] heeft toegezonden. [De medewerker van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst] vermeldt in dit schrijven onder meer de volgende conclusie:
“Drie woningen met ernstige geurhinder, veroorzaakt door kattenpis. De bewoners
ervaren hierdoor gezondheids- en welzijnsklachten. De ernst van de geurhinder is
onacceptabel.”
2.5. Op 2 augustus 2006 heeft de gemeente Utrecht [gedaagde], in vervolg op een eerdere aanschrijving van 22 februari 2006, een beschikking bestuursdwang aan [gedaagde] gezonden waarin onder meer de volgende constateringen zijn vermeld:
“Op 27 oktober 2005 heeft [naam betrokkene], medewerker van bureau Vergunning-
verlening en Handhaving, uw inrichting gecontroleerd op de naleving van de Wet
milieubeheer en de overig van toepassing zijnde regelgeving. Tijdens deze controle is
geconstateerd dat u reeds gedurende lange tijd een grote hoeveelheid katten en kittens
houdt, in totaal meer den 40 katten (inclusief kittens). Het houden van dieren kan (in
casu) worden beschouwd als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.
Geconstateerd is dat bovengenoemde bepaling wordt overtreden. Door middel van de
brief van 22 februari 2006 (…) bent u daarvan met een bestuurlijke waarschuwing op
de hoogte gebracht en in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de
verzenddatum van de brief de nodige maatregelen te treffen om artikel 8.1. van de Wet
milieubeheer na te leven.
Op 12 april 2006 is opnieuw een controle uitgevoerd. Tijdens de controle heeft [de medewerker van bureau Vergunningverlening en Handhaving] in totaal 23 katten en 6 kittens geteld. U hebt daarnaast zelf aangeven
dat u op dat moment 33 katten en 6 kittens houdt. Er is nog steeds sprake van het niet
naleven van de genoemde bepaling. Reden waarom wij overgaan tot het toepassen van
bestuursdwang.”
2.6. Ingevolge voormelde aanschrijving van de gemeente dient [gedaagde] op 2 december 2006 het aantal katten te hebben teruggebracht tot een maximum van tien, waarbij kittens jonger dan de leeftijd van zeven weken niet worden meegerekend.
2.7. Eisers hebben [gedaagde] in de loop van 2006 meerdere malen schriftelijk verzocht de katten uit huis te doen plaatsen. [naam betrokkene] van de Geneeskundige en
Gezondheidsdienst van de gemeente Utrecht heeft op 2 oktober 2006 de woning van [gedaagde] alsmede de woning van [eiseres sub 1] bezocht en heeft daar geconstateerd dat de geurhinder niet was afgenomen en in beide woningen gelijk was.
3. Het geschil
3.1. Eisers vorderen - samengevat – [gedaagde] te verbieden om in haar huis of op haar erf katten te houden en of te doen voeren, op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,--zulks tot een maximum van EUR 100.000,--, alsmede [gedaagde] te gelasten het ertoe te leiden dat eisers binnen een periode van 4 weken na betekening van het vonnis geen stankoverlast meer ondervinden door toedoen van (de katten van ) [gedaagde].
3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat zij thans 27 volwassen katten, één kat van drie maanden oud en één pasgeboren katje in huis heeft. Ook heeft zij nog vijf katten van circa zes maanden oud die op zaterdag 7 oktober 2006 naar een ander adres zullen gaan. [gedaagde] heeft aangegeven dat zij zich in een eerder stadium al bereid had verklaard om het aantal katten te reduceren maar dat dit voornemen werd bemoeilijkt door de zomerperiode waarin veel mensen hun katten wegdoen en de herplaatsing van een kat bijzonder moeilijk is. [gedaagde] stelt dat zij onlangs 20 katten heeft kunnen herplaatsen via een adres in Vries.
[gedaagde] heeft uitdrukkelijk aangegeven niet te kunnen leven met een algeheel verbod om katten te houden en heeft aangegeven dat zij het aantal katten wil terugbrengen naar twee.
4.2. Uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van de directe buren en de bevindingen van [de medewerker van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst], kan als vaststaand worden aangenomen dat de bewoners van de aangrenzende percelen directe stankoverlast van de katten van [gedaagde] ondervinden. [gedaagde] heeft niet betwist dat haar katten gewoon buiten mogen loslopen en in aangrenzende tuinen hun behoeften doen. Ook is niet betwist dat ongecastreerde katers daar geurafscheidingen achterlaten. [gedaagde] heeft ten slotte ook niet betwist dat haar katten door openstaande ramen en deuren andere woningen bezoeken. Derhalve is voldoende aannemelijk dat niet alleen de direct aangrenzende woningen maar ook andere omwonenden sterke hinder van de katten van [gedaagde] ondervinden.
4.3. Nu [gedaagde] zelf heeft aangegeven dat zij bereid is het aantal katten terug te brengen naar twee en dit aantal, naar de normale ervaringsregels geacht moet worden geen bijzondere overlast aan omwonenden te veroorzaken, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de vordering strekkende tot een algeheel verbod van het houden van katten, toe te wijzen. Derhalve zal worden bepaald dat [gedaagde] nog twee katten mag houden. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat [gedaagde] voornemens is andere dieren dan katten te houden, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen. Ook zal aan [gedaagde] een langere termijn worden gegund om een en ander te bewerkstelligen. Daarbij zullen de gevorderde dwangsommen worden gematigd en aan een maximum worden gebonden.
4.4. De vordering strekkende tot het wegnemen van de thans bestaande geurhinder wordt afgewezen. [gedaagde] heeft aannemelijk gemaakt dat zij thans met behulp van de Stichting Thuiszorg bezig is om haar huis geheel te reinigen. Voorts kan worden verwacht dat de geur van kattenuitwerpselen en kattenurine in de omliggende tuinen, in de loop van de tijd vanzelf zal verdwijnen, te meer nu het aantal katten sterk gereduceerd zal worden.
4.5. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van eisers begroot op:
dagvaarding EUR 84,87
vast recht 248,00
salaris procureur 816,00
totaal EUR 1.148,87
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. verbiedt [gedaagde] om met ingang van vier weken na de betekening van dit vonnis, meer dan twee katten (kittens daaronder begrepen) als huisdieren te houden op straffe van een dwangsom van EUR 500,-- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, zulks tot een maximum van EUR 25.000,--;
5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van eisers begroot op
EUR 1.148,87;
5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4. wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2006.?
w.g. griffier w.g. rechter