
Jurisprudentie
AZ0382
Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460346-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460346-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte voor zijn aandeel in het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en diefstal door twee of meer verenigde personen tot de gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/460346-06
Uitspraak d.d.: 17 oktober 2006
tegenspraak/ dip
VERKORT VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [geboortedatum],
wonende te [plaats],
thans verblijvende in het huis van bewaring Ooyerhoekseweg te Zutphen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
3 oktober 2006.
Ter terechtzitting gegeven beslissingen
Ter terechtzitting is de volgende beslissing gegeven:
De rechtbank heeft het verzoek van de raadsvrouwe van verdachte om de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op te heffen afgewezen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter
uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die
[slachtoffer A],terwijl die op de grond lag, met geschoeide voet, meermalen, althans
eenmaal (met kracht) tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 11 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, met
een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat], in elk
geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd
tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal
slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die
[slachtoffer A] en/of het geven van een elleboogstoot in de nek, althans op het
lichaam,van die [slachtoffer A];
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
3.
hij op of omstreeks 11 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het
oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee
(o.a. inhoudende geld en/of een pools rijbewijs en/of een bankpas) en/of een
mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of
gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met
het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of
om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere
deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het
bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met
geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachte's mededader(s) die
[slachtoffer A] op/tegen het hoofd en/of het lichaam en/of heeft/hebben gestompt en/of
geslagen en/of een stoot met de elleboog in/tegen de nek en/of tegen het hoofd
en/of het lichaam heeft/hebben gegeven en/of die Wdwowike tegen de grond
heeft/hebben gegooid en/of geduwd en/of geslagen;
art 310 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 11 juni 2006 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,, in
elk geval in Nederland, een geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het
voorhanden krijgen van geldbedrag wist dat het (een) door misdrijf verkregen
goed(eren) betrof;
art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
4.
hij op of omstreeks 13 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer B] heeft
bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware
mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, duidelijk zichtbaar
voor die [slachtoffer B], een steel van een bats, althans een houten voorwerp heeft
vastgehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd; "Nu heb je
niet meer zo'n grote bek, he", althans woorden van gelijke dreigende aard of
strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.
Voor wat betreft het onder feit 1 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat aan de hand van de verklaringen van verdachte en de medeverdachten, in het bijzonder die van medeverdachte [medeverdachte ], dient te worden geconcludeerd dat de door medeverdachte [medeverdachte ] vlak voor de beroving gegeven (voetbal)trap tegen het hoofd van het slachtoffer alleen aan [medeverdachte ] kan worden toegerekend. Deze trap werd weliswaar gegeven toen de verdachten naar het slachtoffer liepen om hem te beroven, doch werd geheel uit eigen initiatief door medeverdachte [medeverdachte ] gegeven en was ook volstrekt onnodig nu het slachtoffer al op de grond lag. In die zin is het aannemelijk dat de trap voor de andere verdachten volkomen onverwacht kwam.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op 11 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, met anderen, op of aan de openbare weg, [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit het meermalen stompen en schoppen en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer A] en het geven van een elleboogstoot in de nek van die [slachtoffer A];
3.
hij op 11 juni 2006, te ‘s Heerenberg, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (o.a. inhoudende geld en een Pools rijbewijs en een bankpas) en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer A].
Bewijsoverweging feit 3:
De rechtbank is van oordeel, dat niet is komen vast te staan, dat de onder feit 3 tenlastegelegde geweldshandelingen zijn gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden of om een andere in de tenlastelegging genoemde reden. Kennelijk is, nadat het nodige geweld was uitgeoefend, het idee ontstaan om het slachtoffer te beroven. Met het feit, dat het slachtoffer in een zodanige toestand is komen te verkeren, dat het gemakkelijker was geworden om hem te beroven, is echter niet tegelijkertijd gegeven dat bij het uitgeoefende geweld het oogmerk daarop gericht is geweest. Voor de door medeverdachte [medeverdachte ] nog vlak voor de daadwerkelijke beroving uitgedeelde (voetbal)trap tegen het hoofd van het slachtoffer geldt hetzelfde.
Door de raadsvrouw is betoogd, dat verdachte in het geheel geen diefstal heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank laten de bewijsmiddelen echter geen andere conclusie toe, dan dat verdachte de diefstal, zoals tenlastegelegd, heeft medegepleegd. Immers, nadat mede door verdachte groepsgeweld tegen het slachtoffer was gepleegd, is in de groep, in het bijzijn van verdachte, geopperd om te kijken of het slachtoffer een portemonnee bij zich had. Verdachte is in de buurt gebleven en heeft de beroving van dichtbij gevolgd. Verdachte heeft zich van de beroving niet gedistantieerd, de anderen daarvan niet weerhouden en in de buit meegedeeld. Hiermee is sprake van een zodanige betrokkenheid dat dit verdachte in de zin van medeplegen kan worden toegerekend.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op de misdrijven:
Feit 2:
Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Feit 3 primair:
Diefstal door twee of meer verenigde personen
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).
De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - het zinloze en grove karakter van het op het slachtoffer toegepaste geweld en dat verdachte, door te handelen als bewezen verklaard, het slachtoffer een traumatische ervaring heeft bezorgd en bovendien heeft bijgedragen tot de in de samenleving levende onveiligheidsgevoelens. Voorts heeft de rechtbank gelet op het (blanco) strafblad van verdachte, het feit dat hij geen initiatiefnemer van het toegepaste geweld en de diefstal is geweest, alsmede dat hij in het geheel van de openlijke geweldpleging en de diefstal een relatief gering aandeel heeft gehad.
De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenis-straf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal voorts de bijzondere voorwaarde stellen, dat verdachte zich tijdens de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 141, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering , zolang de reclassering dit noodzakelijk oordeelt.
Geeft de reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.
Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, De Bie en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2006.