Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0381

Datum uitspraak2006-07-10
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/500
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet te goeder trouw t.a.v. onbetaald laten schuld, ten onrechte toegelaten tot de WSNP.


Uitspraak

10 juli 2006 eerste civiele kamer rekestnummer 2006/500 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, procureur: mr. J.A.C. van Etten. 1 Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 17 augustus 2004 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. J. C. van der Hooft en tot bewindvoerder F.J. Velner. 1.2 Bij vonnis van 11 oktober 2004 is onder meer een saneringsplan vastgesteld, waarbij de termijn van de schuldsaneringsregeling is bepaald op drie jaar te rekenen vanaf 17 augustus 2004, dus tot 17 augustus 2007. 1.3 Bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 16 mei 2006 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] beëindigd. In het faillissement, waarin [appellant] van rechtswege zal komen te verkeren met ingang van de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, is tot rechter-commissaris benoemd mr. R.M.A.G. van Valderen en tot curator F.J. Velner. 1.4 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 23 mei 2006 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 16 mei 2006. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief met bijlagen van 30 juni 2006 van de advocaat van [appellant], mr. W. Vahl te Apeldoorn. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli 2006, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Vahl voornoemd. De bewindvoerder is ondanks behoorlijke oproeping niet verschenen. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd, omdat - kort samengevat - is komen vast te staan dat [appellant] de inventaris van zijn voormalige bedrijf ([...]), die als zekerheid voor een geldlening was verpand aan ABN AMRO, zonder medeweten van ABN AMRO heeft verkocht. De rechtbank heeft hieruit geconcludeerd dat [appellant] ten onrechte is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling omdat, indien een en ander ten tijde van de toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling bekend was geweest, gevoeglijk kan worden aangenomen dat het verzoek van [appellant] zou zijn afgewezen, mede gezien het feit dat de schuld aan Solveon (ABN AMRO) een substantieel deel van de totale schuldenlast van [appellant] betreft. 3.2 [appellant] kan zich niet verenigen met de door de rechtbank gehanteerde argumenten en is van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en met de door hem aangevoerde argumenten en informatie en stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van Solveon, belast met de incasso van de vordering van ABN AMRO, blindelings heeft gevolgd. [appellant] voert ter adstructie van zijn standpunten het volgende aan. - Hij heeft zijn bedrijf destijds verkocht voor een bedrag van € 210.000,- aan de eigenaar van het winkelcentrum waarin zijn bedrijf was gevestigd. De koopprijs zou in twee termijnen van elk € 105.000,- worden voldaan op 1 april 2003 en 30 september 2003. Met de eerste betaling zou een aantal schuldeisers worden voldaan en met de tweede betaling zou onder meer ABN AMRO worden voldaan. ABN AMRO heeft met deze regeling ingestemd. - Toen de tweede termijn voldaan moest worden, heeft de koper hiermee eerst zijn eigen openstaande vorderingen verrekend en werd er in eerste instantie zelfs niets voldaan. Na een procedure ontving [appellant] nog een bedrag van € 25.000,-, welk bedrag na betaling van de advocaatkosten van ruim € 3.500,- is geparkeerd bij de boekhouder van [appellant]. De boekhouder heeft hiermee vervolgens zijn openstaande facturen verrekend. [appellant], murw geslagen door de vele procedures, de vele schuldeisers en het einde van zijn onderneming, heeft hiertegen toen geen verdere acties ondernomen, zonder overigens stil te staan bij een eventueel pandrecht van ABN AMRO. Dat laatste is begrijpelijk omdat er nimmer enig contact met [appellant] zelf was geweest over de uitwinning van pandrechten of het maken van afspraken ten behoeve van het voldoen van schulden. Deze contacten liepen in verband met de slechte medische (vooral geestelijke) conditie van [appellant] voornamelijk via zijn boekhouder. - [appellant] heeft voor de resterende schuldenlast vervolgens een beroep gedaan op de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). ABN AMRO heeft destijds, in augustus 2004, de mogelijkheid gehad bezwaar te maken tegen de toepassing van de WSNP, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. ABN AMRO heeft daarentegen een gecorrigeerde vordering bij de bewindvoerder ingediend. [appellant] verbaast zich erover dat het incassobureau van ABN AMRO, Solveon, in april 2006 (bijna twee jaar na dato) alsnog om beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling heeft verzocht. - [appellant] wijst er tot slot op dat de stellingen in de brief van Solveon aan de rechter-commissaris van 12 april 2004, innerlijk tegenstrijdig zijn en dat deze brief bol staat van niet geverifieerde stellingen die door Solveon zelf zijn verdraaid of aangedikt. 3.3 Het hof is van oordeel dat [appellant] ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schuld aan ABN AMRO niet te goeder trouw is geweest en dat hij reeds op deze grond niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ook in hoger beroep is immers komen vast te staan - hetgeen door [appellant] ook is erkend - dat de inventaris en voorraad van de voormalige croissanterie van [appellant] als zekerheid voor een geldlening waren verpand aan ABN AMRO en dat de opbrengst van de verkoop van de inventaris en voorraad niet ten goede is gekomen aan ABN AMRO. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat hij de betalingen van de koopsom van zijn croissanterie heeft laten storten op zijn betaalrekening bij de ING Bank omdat de (betaal)rekeningen bij ABN AMRO door de bank waren geblokkeerd en hij daarom de rekeningen bij ABN AMRO niet meer kon gebruiken voor het voldoen van zijn andere schuldeisers. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat [appellant] de zekerheidsrechten van ABN AMRO bewust heeft gefrustreerd, waardoor de schuld aan ABN AMRO onbetaald is gebleven. [appellant] is dus ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld (€ 91.998,98) die een substantieel deel vormt van zijn totale schuld, niet te goeder trouw geweest. Dat zijn schulden in totaliteit als gevolg van deze handelwijze niet zijn toegenomen, is in het kader van de verzochte toelating tot de schuldsaneringsregeling niet relevant. Hieruit volgt dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. 4 De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 16 mei 2006. Dit arrest is gewezen door mrs. Mannoury, Rijken en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2006. Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door mr. Groen.