Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0377

Datum uitspraak2006-05-22
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/371
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet-ontvankelijk in verzoek schuldsanering, omdat geen reëel aanbod is gedaan in minnelijk traject.


Uitspraak

22 mei 2006 eerste civiele kamer rekestnummer 2006/371 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, procureur: mr. C. Boonman. 1 Het geding in eerste aanleg Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 11 april 2006 is het verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 19 april 2006 per fax en op 21 april 2006 per gewone post ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, haar alsnog ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij alsnog wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief met bijlagen van 11 mei 2006 van haar advocaat. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 mei 2006, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. B.A.M. Oude Breuil, advocaat te Enschede. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld. 3.2 De rechtbank heeft [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] geen reëel aanbod aan haar crediteuren heeft gedaan in het minnelijk traject. [appellante] heeft haar schuldeisers aangeboden 0% van hun vordering te voldoen tegen finale kwijting, hoewel zij beschikt over een levensverzekering die een waarde vertegenwoordigt van ongeveer € 4.000,- en zij daarnaast een bedrag van bijna € 1.500,- heeft gespaard. Nu de totale schuldenlast van [appellante] ongeveer € 7.000,- bedraagt, is de rechtbank van oordeel dat zij een substantieel hoger aanbod had kunnen doen. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellante], alvorens te verzoeken te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, heeft getracht een deugdelijke minnelijke regeling te treffen en beschouwt zij de door de Stadsbank verstrekte verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldsaneringsregeling te komen als niet verstrekt. 3.3 [appellante] stelt in hoger beroep dat bij het treffen van een minnelijke regeling de bereidheid van de schuldeisers een grote rol speelt. Van het merendeel van de schuldeisers heeft zij geen reactie ontvangen op het door haar gedane voorstel. Indien de schuldeisers niet reageren is het, onafhankelijk van de inhoud van het voorstel, haast onmogelijk om tot een minnelijke regeling te komen. Verder stelt [appellante] dat zij de waarde van haar levensverzekering niet kan verzilveren, zodat deze niet ten behoeve van haar schuldeisers kan worden gebruikt. Het door haar gespaarde bedrag van bijna € 1.500,- dient inderdaad ten goede te komen aan de schuldeisers, maar is niet toereikend om enkel op basis daarvan een reëel voorstel te doen voor een minnelijke regeling. Het oordeel van de rechtbank dat zij haar schuldeisers een hoger aanbod had moeten doen teneinde tot een buitengerechtelijk akkoord te komen kan volgens [appellante] niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van haar verzoek. 3.4 Het hof stelt vast dat [appellante] ter terechtzitting polisvoorwaarden heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij haar levensverzekering niet kan afkopen, zodat de waarde die deze vertegenwoordigt niet kan worden aangewend ten behoeve van haar schuldeisers. Het hof is echter van oordeel dat [appellante] wèl het door haar gespaarde bedrag van bijna € 1.500,- (ongeveer 20% van haar totale schuldenlast) in het minnelijk traject had moeten aanbieden aan haar schuldeisers. Het aanbod aan de schuldeisers om 0% van hun vorderingen te voldoen tegen finale kwijting acht het hof reeds daarom niet een reëel aanbod. Voor zover [appellante] bedoelt te betogen dat nimmer de reële mogelijkheid bestaat om tot een buitengerechtelijke schuldsanering te komen, omdat niet alle schuldeisers op een aanbod reageren ondanks de inhoud daarvan, overweegt het hof dat, hoewel de bereidheid van de schuldeisers inderdaad een grote rol speelt bij het al dan niet tot stand komen van een minnelijke regeling, dat niet tot een ander oordeel kan leiden. De reële mogelijkheid om tot een minnelijke regeling te komen is immers in zeer grote mate afhankelijk van de inhoud van het aanbod. Het hof is derhalve van oordeel dat, gelet op de door de Stadsbank afgegeven verklaring en gezien financiële middelen waarover [appellante] beschikt, onvoldoende aannemelijk is geworden dat geen sprake was van een reële mogelijkheid om tot een buitengerechtelijke oplossing te komen, zodat de rechtbank die verklaring op goede gronden heeft geweigerd. 3.5 De conclusie is dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. 4 De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 11 april 2006. Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-van Hees, Rijken en Van der Kwaak en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2006.