
Jurisprudentie
AZ0367
Datum uitspraak2006-08-15
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/380
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2006/380
Statusgepubliceerd
Indicatie
Nu vast staat dat [geïntimeerde] in zijn advertentie op marktplaats.nl de onderhavige auto te koop heeft aangeboden als zijnde een Alfa Romeo 156 uit het bouwjaar 2003, die maar 50 000 km zou hebben gereden, terwijl door [geïntimeerde] aan [appellant] is geleverd een Alfa Romeo 156, waarvan de voor een auto essentiële delen, te weten de motor en de versnellingsbak, afkomstig zijn uit een Alfa Romeo van het bouwjaar 1999 en die in juli 2004 reeds 130 000 km had gereden, heeft [geïntimeerde] niet aan [appellant] de Alfa Romeo geleverd die [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Deze aan [appellant] geleverde auto is daarmee non-conform in de zin van artikel 7:17 BW.
Gelet op de mededelingen van [geïntimeerde] als verkoper in zijn advertentie op marktplaats.nl, te weten dat de aangeboden auto van het bouwjaar 2003 was en maximaal 50 000 km had gereden, bestond voor [appellant] dienaangaande geen onderzoeksplicht, ook al heeft [appellant] die auto via marktplaats.nl gekocht, ontbrak bij die auto een onderhoudsboekje, heeft [appellant] die auto gekocht met het doel die door te verkopen en ook al zou [appellant], die overigens niet in de autobranche werkzaam is, meer kennis van auto’s hebben dan een gemiddelde autokoper.
Uitspraak
15 augustus 2006
eerste civiele kamer
rolnummers 2006/380 KG en 2006/492 KG
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
procureur: mr. T.J. van Veen,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
procureur: mr. P.A.C. de Vries.
1 Het geding in eerste aanleg
De voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo heeft op 8 maart 2006 een vonnis in kort geding uitgesproken in het geschil tussen appellant, hierna te noemen [appellant], als eiser en geïntimeerde, hierna te noemen [geïntimeerde], als gedaagde. Vervolgens heeft die voorzieningenrechter in de zaak op 12 april 2006 een aanvullend vonnis uitgesproken met betrekking tot de proceskostenveroordeling. Beide vonnissen zijn in kopie aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij exploot van 4 april 2006 heeft [appellant] [geïntimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van vermeld vonnis van 8 maart 2006, met gelijktijdige dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Bij dat exploot heeft [appellant] zeven grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht, en - met wijziging van eis – geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] zal veroordelen a) aan [appellant] te voldoen een bedrag ad € 12.652,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag van 16 januari 2006 tot en met de dag der algehele voldoening, b) tot het na voldoening van het onder a genoemde bedrag in ontvangst nemen van de aan [appellant] verkochte en geleverde personenauto en het verlenen van medewerking aan overschrijving/registratie van de personenauto in het register van de Rijksdienst Wegverkeer ten name van [geïntimeerde], zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat [geïntimeerde] in gebreke blijft gevolg te geven aan deze, hem op te leggen verplichtingen, met een maximum van € 13.000,--, en c) in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.2 Bij exploot van 28 april 2006 heeft [appellant] aanvullend geappelleerd van het vermelde vonnis van 12 april 2006, daartegen één grief aangevoerd en toegelicht, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.3 [geïntimeerde] heeft in beide appellen een memorie van antwoord genomen, waarin hij de grieven van [appellant] heeft bestreden, bewijs heeft aangeboden en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant], althans afwijzing van het door hem gevorderde, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (lees:) beide appellen.
2.4 Ter zitting van dit hof van 7 augustus 2006 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellant] bij monde van mr. R. van de Beek, advocaat te Ede, en [geïntimeerde] bij monde van mr. M.D. Ubbink, advocaat te Enschede. Beiden hebben zich daarbij van pleitnotities bediend.
2.5 Daarna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.
3 De vaststaande feiten
3.1 Tegen de door de voorzieningenrechter in het vonnis van 8 maart 2006 onder 1 vastgestelde feiten is, behoudens grief 1, geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
3.2 Uit grief 1 van [appellant] en het antwoord daarop zijdens [geïntimeerde], kan als tussen partijen in confesso worden beschouwd dat [geïntimeerde] voorafgaande aan de verkoop en levering aan [appellant] in de litigieuze auto niet, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen: ongeveer vijf maanden heeft gereden, maar, zoals bij gelegenheid van het pleidooi is komen vast te staan, ongeveer vijf weken.
3.3 Verder is in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende komen vast te staan. De onderhavige door [geïntimeerde] aan [appellant] verkochte en geleverde auto, Alfa Romeo 156, met kenteken [...] behoorde van 11 februari 2005 tot 28 september 2005 in eigendom toe aan [A.], die een schadeautobedrijf exploiteert. [A.] is de vader van geïntimeerde [geïntimeerde]. Deze Alfa Romeo had schade aan de voorzijde. [A.] heeft deze auto gerepareerd met onderdelen uit een sloopauto, een Alfa Romeo 156 met kenteken [..] (bouwjaar 1999), welke sloopauto vanaf 12 februari 2005 tot de handelsvoorraad van [A.] behoorde en op 13 maart 2006 als ‘gesloopt’ is afgemeld bij de Rijksdienst Wegverkeer. [A.] heeft de voorzijde van de sloopauto, inclusief motorblok en versnellingsbak, gemonteerd aan resp. in de aan [appellant] verkochte auto. [geïntimeerde] (geïntimeerde) heeft deze auto op 16 oktober 2005 via marktplaats.nl te koop aangeboden, dus 19 dagen nadat de eigendom van die auto van vader [geïntimeerde] op zoon [geïntimeerde] was overgeschreven. De kilometerstand van de sloopauto bedroeg in juli 2004 reeds 130.000. De betwisting hiervan door [geïntimeerde] is geheel ongemotiveerd, terwijl van hem in dit stadium van het geding verwacht mocht worden dat hij op dit punt met concrete feiten zou komen ter ondersteuning van deze betwisting.
4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep
4.1 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen, kort gezegd, op grond dat [appellant] zijn onderzoeksplicht heeft geschonden.
4.2 In zijn grieven legt [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.
4.3 Nu vast staat dat [geïntimeerde] in zijn advertentie op marktplaats.nl de onderhavige auto te koop heeft aangeboden als zijnde een Alfa Romeo 156 uit het bouwjaar 2003, die maar 50 000 km zou hebben gereden, terwijl door [geïntimeerde] aan [appellant] is geleverd een Alfa Romeo 156, waarvan de voor een auto essentiële delen, te weten de motor en de versnellingsbak, afkomstig zijn uit een Alfa Romeo van het bouwjaar 1999 en die in juli 2004 reeds 130 000 km had gereden, heeft [geïntimeerde] niet aan [appellant] de Alfa Romeo geleverd die [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Deze aan [appellant] geleverde auto is daarmee non-conform in de zin van artikel 7:17 BW.
4.4 Gelet op de mededelingen van [geïntimeerde] als verkoper in zijn advertentie op marktplaats.nl, te weten dat de aangeboden auto van het bouwjaar 2003 was en maximaal 50 000 km had gereden, bestond voor [appellant] dienaangaande geen onderzoeksplicht, ook al heeft [appellant] die auto via marktplaats.nl gekocht, ontbrak bij die auto een onderhoudsboekje, heeft [appellant] die auto gekocht met het doel die door te verkopen en ook al zou [appellant], die overigens niet in de autobranche werkzaam is, meer kennis van auto’s hebben dan een gemiddelde autokoper.
4.5 Bovendien, maar ten overvloede, oordeelt het hof als volgt. Het hof hecht, gegeven de voormelde feiten en omstandigheden, en mede gelet op de inhoud van de producties bij de appèldagvaarding (bijlagen h en i), waaruit - als onweersproken - blijkt dat [geïntimeerde] via marktplaats.nl ook een andere uit het bedrijf van zijn vader afkomstige auto te koop heeft aangeboden en onder meer een alfa motor 2.0 16 v te koop vraagt, voorshands geen geloof aan de betwisting door [geïntimeerde] van de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] wist van de vermelde voorgeschiedenis van de onderhavige auto. Naar ’s hofs voorlopig oordeel heeft [geïntimeerde] op bedrieglijke wijze zijn mededelingsplicht jegens [appellant] geschonden door de vermelde voorgeschiedenis van de auto voor [appellant] te verzwijgen. Waar deze schending van de mededelingsplicht van [geïntimeerde] derogeert aan de door [geïntimeerde] gestelde schending van de onderzoeksplicht door [appellant], kan [geïntimeerde] ook om die reden niet met succes het verweer voeren dat [appellant] de auto had dienen te onderzoeken.
4.6 Het beroep van [appellant] op non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW is gegrond. [appellant] heeft in zijn brief aan [geïntimeerde] van 20 december 2005 de koopovereenkomst tussen partijen met succes buitengerechtelijk ontbonden en terecht aanspraak gemaakt op restitutie van de door hem aan [geïntimeerde] betaalde koopsom van € 10.500,--. In de brief van 11 januari 2006 heeft de advocaat van [appellant] aanspraak gemaakt op de wettelijke rente over dit bedrag ex artikel 6:119 BW. Gelet op de inhoud van de brief van 20 december 2005 zou die rente verschuldigd zijn vanaf die datum. Het hof begrijpt uit de specificatie van de vordering van [appellant] in de vermelde brief van zijn advocaat alsmede uit de gelijkluidende specificatie in deze procedure, dat wettelijke rente vanaf die datum wordt gevorderd. Ook die vordering is toewijsbaar.
4.7 [appellant] vordert tevens vergoeding van de door hem gemaakte kosten ad € 605,86 als gevolg van het door [geïntimeerde] aan hem leveren van een non-conforme auto. [appellant] specificeert deze kosten in productie 6 (met bijlagen) bij de inleidende dagvaarding. Gelet op de betwisting door [geïntimeerde] is slechts toewijsbaar vergoeding van die kosten die [appellant] met bewijsstukken heeft aangetoond en van de gestelde kosten die zonder meer aannemelijk zijn. Niet aangetoond en niet zonder meer aannemelijk is het door [appellant] gevorderde bedrag van € 250,-- ter zake van twee snipperdagen. Toewijsbaar is dus € 605,86 minus € 250,-- is € 355,86. Over dit bedrag is [geïntimeerde] wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag der aanzegging daarvan in de brief van de advocaat van [appellant] van 11 januari 2006, dus met ingang van 20 januari 2006.
4.8 De vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten is niet voor toewijzing vatbaar, waar toch niet is gebleken dat die vordering ziet op andere werkzaamheden dan die ter voorbereiding en instructie van deze procedure; verg. artikel 241 Rv juncto artikel 6:96 lid 2 onder c BW.
4.9 [appellant] heeft recht en belang bij de vordering als vermeld op pagina 18 van de appèldagvaarding onder b. Ook die zal worden toegewezen, met dien verstande dat het hof de dwangsom zal stellen op € 250,-- per dag met een maximum van € 5.000,--.
4.10 Voor bewijsopdrachten is in dit kort geding geen plaats, zodat de bewijsaanbiedingen van partijen worden gepasseerd.
4.11 Naar ’s hofs voorlopig oordeel is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot dezelfde uitkomst zal komen als thans het hof in dit kort geding. [appellant] heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vorderingen. Enig restitutierisico aan de zijde van [appellant] is gesteld noch gebleken.
4.12 De slotsom luidt dat het hoger beroep slaagt. De vonnissen waarvan beroep dienen te worden vernietigd. De vorderingen van [appellant] dienen alsnog te worden toegewezen als na te melden. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. De beide appellen van [appellant] zullen, gelet op hun samenhang, voor de vaststelling van het procureursalaris als één zaak worden beschouwd.
5 Beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding in de zaken met de rolnummers 2006/380 en 2006/492:
vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 8 maart 2006 en 12 april 2006,
en, opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tegen bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 10.855,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 10.500,-- vanaf 20 december 2005 tot de dag der algehele voldoening en met de wettelijke rente over het bedrag van € 355,86 vanaf 20 januari 2006 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde] tot het binnen 5 dagen na voldoening van de voormelde veroordeling in ontvangst nemen van de litigieuze door [geïntimeerde] aan [appellant] verkochte en geleverde auto en het verlenen van medewerking aan overschrijving/registratie van de auto in het register van de Rijksdienst Wegverkeer ten name van [geïntimeerde], zulks op straffe van verbeurte door [geïntimeerde] aan [appellant] van een dwangsom van € 250,-- per dag dat [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,--;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 370,32 voor verschotten en op € 894,-- voor salaris van de procureur en in de kosten van de beide appellen gezamenlijk op € 864,74 voor verschotten en op € 2.682,-- voor salaris voor de procureur;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Hammerstein, Rijken en Houtman, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 15 augustus 2006.