
Jurisprudentie
AZ0342
Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601826/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601826/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 26 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Drimmelen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 april 2005, het bestemmingsplan "Kern Hooge Zwaluwe" vastgesteld.
Uitspraak
200601826/1.
Datum uitspraak: 18 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Drimmelen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 april 2005, het bestemmingsplan "Kern Hooge Zwaluwe" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 januari 2006, kenmerk 1110639, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 7 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2006, beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het gemeentebestuur van Drimmelen en van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door drs. B.C. Coolen, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Drimmelen, vertegenwoordigd door drs. P. Bauer, ambtenaar van de gemeente. Appellant is, met bericht, niet verschenen.
2. Overwegingen
Overgangsrecht
2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.
Toetsingskader
2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
Procedureel aspect
2.3. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuurgebied", gelegen ten westen van zijn perceel [locatie] en zijn percelen, kadastraal bekend Gemeente Drimmelen, sectie […], nummers […]. Appellant voert aan dat het natuurgebied nog niet was opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan, waarover provinciale advisering heeft plaatsgevonden. Die advisering heeft niet plaatsgevonden over de bestemming "Natuurgebied".
2.4. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad, in navolging van het college van burgemeester en wethouders bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan afwijken van het voorontwerp en daarop aanvullingen kan aanbrengen. Slechts indien de afwijkingen van of aanvullingen op het voorontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de adviseringsprocedure opnieuw te worden doorlopen.
Vaststaat dat de gemeenteraad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aanvulling ten opzichte van het voorontwerp, namelijk het plandeel met de bestemming "Natuurgebied". Deze aanvulling op het voorontwerp is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.
Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat in dit geval terecht geen nieuwe adviseringsprocedure heeft plaatsgevonden.
Standpunt van appellant
2.5. Met betrekking tot het in overweging 2.3 genoemde plandeel met de bestemming "Natuurgebied" vreest appellant dat het natuurgebied in de toekomst verstedelijkt zal gaan worden. Hiertoe voert hij aan dat het gebied eigendom blijft van een bouwonderneming die winst zal willen genereren uit het gebied, en dat tussen het natuurgebied en een ten noorden hiervan gelegen, nog te ontwikkelen, woongebied een brede toegangsweg gepland is. Verder zal volgens appellant het in het natuurgebied te creëren wandelpark het leefgebied van de vogels aantasten. Bovendien bestaat het risico dat het natuurgebied een hangplek voor jongeren zal worden, hetgeen overlast met zich brengt. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet gekeken naar de door hem aangedragen alternatieve plekken voor het natuurgebied.
Appellant stelt voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met betrekking tot perceel nummer […] met de bestemming "Woondoeleinden", voor zover het betreft een gedeelte met de nadere aanduiding "gebied geen gebouwen toegestaan", alsmede een gedeelte van dat perceel waarop mede de bestemming "Leidingen (dubbelbestemming)" rust.
De percelen van appellant worden ten behoeve van de gemeentebelastingen gezien als één object. Mede in aanmerking genomen dat de ondergrond van de percelen visueel één geheel vormt, moet dit volgens appellant aanleiding zijn om de percelen dezelfde bestemmingen toe te kennen. De voorgevelrooilijn op de percelen van appellant moet zijns inziens dan ook doorgetrokken worden over de breedte van het perceel nummer […] ten westen van het perceel [locatie]. Bovendien is het toekennen van de huidige voorgevelrooilijn, gelet op de voorgevelrooilijnen van de percelen [locaties], in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Aan deze percelen heeft het gemeentebestuur immers ook een voorgevelrooilijn toegekend over het gehele perceel.
Ten onrechte is op een gedeelte van het perceel nummer […] een bebouwingsvrije zone opgenomen van 3,5 meter aan beide zijden van de gasleiding die onder het perceel ligt. Naar aanleiding van de zienswijzen van appellant, waarin hij heeft gesteld dat op grond van een private overeenkomst met de leidingbeheerder niet gebouwd mag worden binnen een zone van 2 meter aan beide zijden van de gasleiding, zou een zone van 2 meter worden aangehouden. Dit betekent volgens appellant dat het mogelijk wordt om op het perceel nummer […], op de hoek van de [locaties], een bijgebouw op te richten.
Standpunt van verweerder
2.6. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het plan goedgekeurd.
Verstedelijking van het gebied met de bestemming "Natuurgebied" is in dit plan niet aan de orde. De vrees van appellant voor overlast als gevolg van het verworden van het natuurgebied tot een hangplek voor jongeren is een kwestie van inrichting van het gebied, en richt zich niet tegen de in het plan toegekende bestemming.
Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze is de bebouwingsvrije zone rond de gasleiding al teruggebracht tot 2 meter aan beide zijden van de gasleiding. Het oprichten van een bijgebouw voor de voorgevelrooilijn doet volgens verweerder afbreuk aan het aanzicht van de straat, dat op dit moment het idee geeft van een rechthoekige ruimte.
Vaststelling van de feiten
2.7. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.
2.7.1. Het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan de Vogelstraat is, in verband met de ten aanzien van dit gebied bestaande voornemens, toegevoegd aan het plan. Het gebied had voorheen een agrarische bestemming. Het gemeentebestuur beoogt dit gebied onbebouwd te laten en zodoende te laten fungeren als een groene buffer voor de zuidelijke rand van de kern Hooge Zwaluwe.
2.7.2. Ingevolge artikel 11.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "Natuurgebied" bestemd voor:
- behoud en/of herstel en ontwikkeling van de ecologische, landschappelijke en natuurwaarden van de gronden;
- het behoud van voorkomende abiotische, natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden;
- waterberging;
- extensief dagrecreatief medegebruik.
2.7.3. Appellant is eigenaar van het perceel [locatie] en de percelen, kadastraal bekend Gemeente Drimmelen, sectie […], nummers […]. Aan het perceel, kadastraal bekend Gemeente Drimmelen, sectie […], nummer […], dat grenst aan de westzijde van het perceel [locatie], is voor het grootste deel de bestemming "Woondoeleinden" met de nadere aanduiding "gebied geen gebouwen toegestaan" toegekend.
2.7.4. Over het perceel nummer […], ligt een strook met de bestemming "Leidingen (dubbelbestemming)" met de nadere aanduiding "gasleiding". Op de plankaart is aangegeven dat de breedte van deze strook aan weerszijden van de leiding deels 2 meter bedraagt en deels 3,5 meter. Ingevolge artikel 16.1.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn gronden met de aanduiding "gasleiding" mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een gasleiding. Ingevolge artikel 16.2.1, voor zover hier van belang, is het verboden op de gronden met de bestemming "Leidingen (dubbelbestemming)" enig bouwwerk te bouwen.
2.7.5. Op de plankaart is over het perceel [locatie] tot aan de strook met de bestemming "Leidingen (dubbelbestemming)" met de nadere aanduiding "gasleiding", op het perceel nummer […], een voorgevelrooilijn aangegeven. Aan de gronden voor de voorgevelrooilijn is de nadere aanduiding "gebied geen gebouwen toegestaan" toegekend.
Het oordeel van de Afdeling
2.8. De bestemming "Natuurgebied" laat geen bebouwing toe. De Afdeling is van oordeel dat het bezwaar van appellant dat het perceel met de bestemming "Natuurgebied" verstedelijkt zal gaan worden, in deze procedure derhalve niet aan de orde is. Overigens heeft de aanwijzing van het perceel als natuurgebied juist tot doel om ten zuiden van de kern Hooge Zwaluwe een groene buffer te creëren. Ter zitting is voorts gebleken dat inmiddels een intentie-overeenkomst is gesloten tot verkoop van het perceel aan de gemeente.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toekennen van de bestemming "Natuurgebied" aan het perceel een risico vormt voor aantasting van het leefgebied van de vogels. Weliswaar voorziet deze bestemming mede in extensief dagrecreatief medegebruik en in de mogelijkheid van de aanleg van wegen en paden, maar niet aannemelijk is dat hierdoor het leefgebied van vogels daadwerkelijk in gevaar zal worden gebracht. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze bestemming, gelet op de doeleindenomschrijving van artikel 11.1 van de planvoorschriften, in hoofdzaak gericht is op het behoud van waarden die mede van belang zijn voor het leefgebied van vogels.
Niet aannemelijk is dat deze bestemming gevaar voor overlast als gevolg van het ontstaan van een hangplek voor jongeren met zich zal brengen.
Voorts kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich, gelet op hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.
2.8.1. De Afdeling overweegt voorts dat het toekennen van bepaalde bestemmingen aan percelen geschiedt op basis van planologische afwegingen. Het feit dat de percelen van appellant ten behoeve van de berekening van de gemeentebelastingen worden gezien als één object, staat los van de bestemmingen die aan deze percelen in het bestemmingsplan worden toegekend.
Het standpunt van verweerder dat het, mede gezien de door de voorgevelrooilijnen ter plaatse van de [locatie] gevormde rechthoekige ruimte, vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk is om voor de voorgevelrooilijn bijgebouwen toe te staan, is niet onredelijk. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het niet doortrekken van de voorgevelrooilijn over het perceel nummer […] slaagt niet, reeds omdat aan dit beroep de onjuiste vooronderstelling ten grondslag ligt dat de percelen van appellant in het plan als één perceel moeten worden behandeld.
Ter zitting is voorts gebleken dat de strook met de bestemming "Leidingen (dubbelbestemming)" op het perceel is opgenomen na overleg met de leidingbeheerder en dat, voor zover aan weerszijden van de gasleiding een bebouwingsvrije strook van 3,5 meter is opgenomen, op deze strook de overeenkomst tussen appellant en de leidingbeheerder niet van toepassing is. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.
Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat het plaatsen van een bijgebouw op het perceel nummer […], ook voor zover dat buiten de strook geschiedt waarop de bestemming "Leidingen (dubbelbestemming)" met de nadere aanduiding "gasleiding" rust, gelet op de situatie ter plaatse, vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet bezwaarlijk is.
2.8.2. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.
Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. Broekman
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006
12-528.