Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0340

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200606274/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) binnen haar inrichting gelegen op het perceel [locatie] te Oudewater.


Uitspraak

200606274/2. Datum uitspraak: 13 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te Oudewater, en het college van burgemeester en wethouders van Oudewater, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) binnen haar inrichting gelegen op het perceel [locatie] te Oudewater. Bij besluit van 27 juli 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het door verzoekster hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 23 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 23 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 september 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. W. Lever, advocaat te Alphen aan den Rijn, [directeur], en L.H. Janmaat, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.P.W. van den Berg, ambtenaar van de gemeente, en mr. drs. W.M. Logtenberg en ing. A. de Vast, medewerkers van de Milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [partij], bijgestaan door mr. M.C. Brans, advocaat te Arnhem. De Voorzitter heeft met het oog op het verkrijgen van nadere informatie en met instemming van partijen de voortzetting van de zitting verdaagd tot 10 oktober 2006. Er zijn nog stukken ontvangen van verzoekster en van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Voorzitter heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 10 oktober 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. W. Lever, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [directeur], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.P.W. van den Berg, ambtenaar van de gemeente, en mr. drs. W.M. Logtenberg, medewerker van de Milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [partij], bijgestaan door mr. M.C. Brans, advocaat te Arnhem. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Ingevolge voorschrift 1.1.1 van de Bijlage behorende bij het Besluit, voor zover hier van belang, geldt voor het piekgeluidniveau (LAmax) - veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten - dat de niveaus op de in de tabel genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer mogen bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.    Verweerder heeft in de last, voor zover hier van belang, bepaald dat verzoekster dient te voldoen aan het gestelde in voorschrift 1.1.1 van het Besluit door geen transportbewegingen meer uit te voeren op haar bedrijfsterrein tussen 19.00 en 07.00 uur. Dit in afwachting van een geluidwerende voorziening naar de woning gelegen aan de [locatie] te Oudewater (de woning van [partij]). 2.3.    Niet in geschil is dat de geluidgrenswaarden, die in voorschrift 1.1.1 van de Bijlage van het Besluit zijn gesteld, ter hoogte van de woning van [partij] aanzienlijk zijn overschreden. Verweerder was derhalve bevoegd ter zake handhavend op te treden.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.4.    Verzoekster heeft betoogd dat verweerder had moeten afzien van handhavend optreden, omdat een beëindiging van de overtreding in het verschiet ligt. Zij voert in dit verband aan dat op korte termijn een geluidscherm kan worden gerealiseerd waarmee de overschrijdingen van de geluidgrenswaarden kunnen worden weggenomen en dat zij in dit kader op 5 oktober 2006 een aanvraag om een bouwvergunning voor dit scherm bij verweerder heeft ingediend. 2.5.    De Voorzitter acht het op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk dat het beslissen op de aanvraag om de bouwvergunning - die overigens thans nog niet door verweerder in behandeling is genomen en het bouwen van het geluidscherm na het verlenen van de bouwvergunning nog geruime tijd in beslag kan nemen. In zoverre kan dan ook niet worden gesproken van een voldoende concreet uitzicht op legalisatie. De Voorzitter ziet in zoverre en mede gelet op de forse geluidbelasting die in die periode optreedt ter hoogte van de woning van [partij] geen aanknopingspunten om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit en het besluit van 31 maart 2006 te schorsen. De Voorzitter overweegt evenwel dat op basis van de derde volzin van de last geen enkele vrachtwagen het terrein van de inrichting mag verlaten in de periode tussen 19.00 en 07.00 uur. Ter zitting is echter gebleken dat indien de vrachtwagens die de inrichting verlaten uitsluitend gebruik maken van de meest oostelijke in- en uitrit van de inrichting (die uitkomt op een doodlopende weg waaraan geen woningen zijn gelegen) de geluidhinder bij de woning van [partij] voor een groot deel kan worden voorkomen. Nu verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven en geen aanleiding heeft gezien de last in zoverre te nuanceren, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te treffen voorlopige voorziening te treffen. 2.6.    Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    treft de voorlopige voorziening dat de derde volzin van de last onder punt 1 als volgt komt te luiden: "U dient te voldoen aan het gestelde in voorschrift 1.1.1 van het Besluit door geen transportbewegingen meer uit te voeren op uw bedrijfsterrein tussen 19.00 uur en 07.00 uur; hiervan zijn uitgezonderd de transportbewegingen die via de meest oostelijke in- en uitrit plaatsvinden."; II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oudewater tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oudewater aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III.    gelast dat de gemeente Oudewater aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt; Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Van Helvoort Voorzitter     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006 361