Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0337

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200606699/1 en 200606699/2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Slochteren (hierna: het college) aan Stichting Woningbouw Slochteren vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 18 woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie G nummer 2160, plaatselijk bekend verlengde van het Hoofdlingenpad, naast huisnummer 24 te Froombosch.


Uitspraak

200606699/1 en 200606699/2. Datum uitspraak: 13 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellanten] , wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/954 en AWB 06/1159 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 29 augustus 2006 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Slochteren, 1.    Procesverloop Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Slochteren (hierna: het college) aan Stichting Woningbouw Slochteren vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 18 woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie G nummer 2160, plaatselijk bekend verlengde van het Hoofdlingenpad, naast huisnummer 24 te Froombosch. Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 augustus 2006, verzonden op 30 augustus 2006, voor zover thans van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2006, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 11 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2006, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brieven zijn aangehecht. Op 27 september 2006 zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H. Martens, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.J. Jullens, J.F. Smit-Göttgens en mr. R.M. Mienstra, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Stichting Woningbouw Slochteren, vertegenwoordigd door haar [directeur]. 2.    Overwegingen 2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.2.    Het bouwplan voorziet in 8 seniorenwoningen en 10 eengezinswoningen. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Froombosch kern". Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend. 2.3.    Appellanten hebben met betrekking tot een aantal van hun gronden in hoger beroep volstaan met te verwijzen naar hetgeen zij in bezwaar en beroep hebben aangevoerd. Het college en de voorzieningenrechter hebben de daar aangevoerde gronden evenwel in hun overwegingen betrokken en daarover hun oordeel gegeven. In hoger beroep, dat gericht is tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter, dienen argumenten te worden aangevoerd waarom in de aangevallen uitspraak niet afdoende op de in primo aangevoerde gronden is ingegaan. Door die gronden slechts in te lassen in het hoger beroepschrift wordt aan de overwegingen daarover in de aangevallen uitspraak voorbij gegaan. Derhalve wordt in het navolgende slechts ingegaan op hetgeen appellanten concreet tegen de aangevallen uitspraak hebben aangevoerd. 2.4.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de verklaring van het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: gedeputeerde staten) van 1 juni 2006 dat tegen het bouwplan geen bezwaar bestaat. Volgens appellanten is het bouwplan in strijd is met het als streekplan aan te merken Provinciaal Omgevingsplan, vastgesteld door provinciale staten van Groningen op 14 december 2000 (hierna: POP). 2.5.    In het POP is als essentieel beleidsuitgangspunt opgenomen dat in dorpen waar de meest wezenlijke voorzieningen nog aanwezig zijn, kan worden gebouwd voor de lokale behoefte. Deze wordt bepaald door de te verwachten groei van het aantal huishoudens. Voorts is als zodanig uitgangspunt vermeld dat in de kleinste dorpen alleen incidenteel mag worden gebouwd, bijvoorbeeld om het beeld van het dorp of landschap te versterken of voor specifieke doelgroepen als ouderen en gehandicapten. Daartoe is uiteengezet dat gestreefd wordt naar concentratie van woningbouw in centrumdorpen, zijnde dorpen met een redelijk volwaardig en compleet pakket aan voorzieningen, dat men in kleinere dorpen zeer terughoudend is met het toestaan van nieuwbouw, terwijl in de kleinste dorpen woningbouw alleen wenselijk is waar dit de beeldkwaliteit van deze dorpen versterkt. Een aantal dorpen, niet zijnde centrumdorpen beschikt nog over behoorlijke voorzieningen en kunnen in dat opzicht worden beschouwd als complete dorpen. In deze dorpen kan in ieder geval worden gebouwd voor de eigen behoefte die voortvloeit uit gezinsverdunning. Om de leefbaarheid en de lokale voorzieningen in stand te houden zou deze categorie dorpen gebaat kunnen zijn bij beperkte nieuwbouwimpulsen, aldus het POP. 2.6.    Anders dan appellanten menen sluit de hiervoor weergegeven tekst van het POP nieuwbouw van senioren- en eengezinswoningen in Froombosch niet uit. Ook in andere dan complete dorpen wordt woningbouw onder omstandigheden aanvaardbaar geacht. Nu het rapport "Voorzieningen in dorpen in de Provincie Groningen" van november 2000 nimmer is vastgesteld en daaraan geen formele status toekomt, kan de omstandigheid dat Froombosch daarin niet zonder meer is aangemerkt als compleet dorp niet reeds leiden tot de conclusie dat het bouwplan met het POP in strijd is. Naar niet in geschil is beschikt de kern Froombosch over een aantal van de in het rapport genoemde voorzieningen en is ter zitting van de zijde van gedeputeerde staten aangegeven dat de opsomming van voorzieningen in het rapport niet limitatief is en dat de bedrijvigheid en het verenigingsleven ook een rol kunnen spelen, op welke aspecten Froombosch een positief beeld laat zien. Bovendien is ook in het rapport aangegeven dat wanneer wordt gekeken of een van de daarin opgesomde voorzieningen binnen een redelijke afstand in een naburig dorp aanwezig is, Froombosch als een compleet dorp kan worden beschouwd. Het college heeft gemotiveerd en onweersproken gesteld dat in Froombosch een grote behoefte bestaat aan seniorenwoningen. Voorts heeft het college toegelicht dat het dorp is gebaat bij de vestiging van gezinnen met kinderen, met het oog op de instandhouding van de nog aanwezige voorzieningen.    Het vorenoverwogene in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het POP en dat het college mitsdien ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de door gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar. 2.7.    Grond voor dat oordeel biedt evenmin het betoog dat uitvoering van het bouwplan zou leiden tot een overschrijding van het voor de gemeente beschikbare woningbouwcontingent. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat vanwege de sloop van diverse woningen in de gemeente het bouwplan kan worden gerealiseerd binnen het beschikbare woningbouwcontingent. 2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9.    Gelet hierop bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. 2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    bevestigt de aangevallen uitspraak; II.    wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom   w.g. Willems Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006 412