Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0336

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601374/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 30 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het bijgebouw […] op het perceel [locatie] te [plaats] te beëindigen.


Uitspraak

200601374/1. Datum uitspraak: 18 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/868 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 januari 2006 in het geding tussen: appellante en het college van burgemeester en wethouders van Grave. 1.    Procesverloop Bij besluit van 30 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het bijgebouw […] op het perceel [locatie] te [plaats] te beëindigen. Bij besluit van 17 februari 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 januari 2006, verzonden op 18 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 24 april 2006 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.D. Wessels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Bij besluit van 29 september 1987 is aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor de bouw van een vrijstaand bijgebouw voor gebruik als garage/berging bij het pand [locatie] te [plaats]. Na de bouw heeft [vergunninghouder] de garage/berging zonder bouwvergunning geschikt gemaakt voor bewoning. In het bijgebouw heeft [vergunninghouder] een douche, keuken en woonkamer aangebracht. Daarnaast heeft [vergunninghouder] een aanbouw aan het bijgebouw gerealiseerd, die wordt gebruikt voor de stalling van fietsen. Het bijgebouw heeft huisnummer […] en wordt bewoond door appellante en haar gezin.    Het college heeft [vergunninghouder] onder oplegging van een dwangsom gelast om het bijgebouw terug te brengen naar de situatie zoals vergund volgens de bouwvergunning van 29 september 1987 met bijbehorende tekening.    De door [vergunninghouder] aangevraagde bouwvergunning heeft het college geweigerd.    Bij uitspraak van17 januari 2006 heeft de rechtbank het beroep van [vergunninghouder] tegen het besluit van het college tot weigering bouwvergunning en het beroep tegen het besluit van het college om handhavend op treden ongegrond verklaard.    Het tegen deze uitspraak door [vergunninghouder] ingestelde hoger beroep heeft de Afdeling bij uitspraak van heden, in zaak no. 200601371/1, ongegrond verklaard. 2.2.    Ingevolge artikel 5, lid A, van het bestemmingsplan 'Buitengebied 1998' is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan gegeven bestemming.    Ingevolge artikel 20, lid A, van het plan is het onderhavige perceel bestemd tot woondoeleinden.    Ingevolge artikel 20, lid B, van het plan mag binnen elk op de plankaart afzonderlijk aangeduid bestemmingsvlak slechts één woning aanwezig zijn.    Ingevolge artikel 20, lid C, van het plan wordt onder verboden gebruik van de bouwwerken als bedoeld in artikel 5 van de planvoorschriften in ieder geval begrepen het gebruik voor bewoning, voor zover het een vrijstaand bijgebouw betreft.    In artikel 40, lid B, en onder 1, van het plan is bepaald dat indien op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan gronden en bouwwerken worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik mag worden voortgezet, met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan en niet krachtens de overgangsbepalingen van dat plan was toegestaan.    In artikel 40, lid B, en onder 2, van het plan is bepaald dat indien het onder 1 bedoelde gebruik gedurende een ononderbroken tijdvak van 3 jaar gestaakt is geweest, het verboden is dit gebruik te hervatten.    Ingevolge artikel 28, derde lid, onder a en onder 1, van het bestemmingsplan 'eerste herziening Buitengebied Beers 1988' mag het gebruik van bouwwerken, dat afwijkt van het plan en dat bestaat ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan worden voortgezet. Dit plan is op 29 juni 1988 onherroepelijk geworden. 2.3.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat het bijgebouw op de peildatum van 29 juni 1988 voor bewoning in gebruik was en daarna nagenoeg onafgebroken is bewoond.    Nadat het bijgebouw in januari 1988 was voltooid is [vergunninghouder] daarin direct met zijn gezin gaan wonen, in verband met een ingrijpende renovatie van zijn woning die tot begin 1990 heeft geduurd. Zulks is mondeling verklaard door […], ter hoorzitting van de commissie bezwaarschriften op 7 mei 2003, en schriftelijk verklaard door […], die het bijgebouw heeft gerealiseerd en mevrouw […], van wie twee kinderen destijds regelmatig met kinderen van [vergunninghouder] in het bijgebouw hebben gespeeld. Voorts blijkt uit de stukken dat het bijgebouw vervolgens is bewoond door de familie […] tot medio 1992, de heer […] en mevrouw […] tot oktober 1995, mevrouw […] tot juli 1996, de heer […] en mevrouw […] tot juni 2000, waarna appellante met haar gezin het bijgebouw heeft betrokken. Hetgeen het college hiertegenover heeft gesteld biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.    De rechtbank is dan ook tot het onjuiste oordeel gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet met succes een beroep op het gebruiksovergangsrecht kan doen. Het college had derhalve niet tot handhavend optreden mogen besluiten. Beantwoording van de vraag of het college daartoe ook niet kan overgaan nadat aan de onder 2.1. vermelde, tot [vergunninghouder] gerichte, last zal zijn voldaan is in dit geding niet aan de orde. 2.4.    Gelet op het vorenstaande berust de beslissing op bezwaar, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dat miskend. 2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 17 februari 2005 vernietigen.    Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. 2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 januari 2006, AWB 05/868; III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grave van 17 februari 2005, RO/MV-05/05; V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Grave tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Grave aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI.    gelast dat de gemeente Grave aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink    w.g. Boot Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006 202.