Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0332

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200600528/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 24 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast binnen acht weken na de datum van verzending van deze brief de varkensstal/machineloods aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), waarin zonder bouwvergunning een woonruimte is gerealiseerd, in overeenstemming te brengen met de op 24 oktober 1979 verleende bouwvergunning, de ruimte voor bewoning ongeschikt te maken en bewoning van deze ruimte dan wel verhuur ervan ten behoeve van bewoning, gestaakt te houden.


Uitspraak

200600528/1. Datum uitspraak: 18 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1414 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 december 2005 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Deurne. 1.    Procesverloop Bij besluit van 24 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast binnen acht weken na de datum van verzending van deze brief de varkensstal/machineloods aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), waarin zonder bouwvergunning een woonruimte is gerealiseerd, in overeenstemming te brengen met de op 24 oktober 1979 verleende bouwvergunning, de ruimte voor bewoning ongeschikt te maken en bewoning van deze ruimte dan wel verhuur ervan ten behoeve van bewoning, gestaakt te houden. Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, dat besluit onder aanvulling van de motivering gehandhaafd en de daarin opgenomen last onder dwangsom gewijzigd in een aanschrijving bestuursdwang de illegaal gerealiseerde woning binnen twaalf weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar uit de varkensstal/machineloods te verwijderen. Bij uitspraak van 7 december 2005, verzonden op 8 december 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 23 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.M.L. Josten, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Pronk en M.G. Krook, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, met juistheid geoordeeld dat voor het aanbrengen van tussenwanden, een zolder en woonvoorzieningen een bouwvergunning is vereist. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat deze werkzaamheden vergunningvrij zijn als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, reeds omdat geen sprake is van handhaving van het bestaande gebruik als varkensstal/machineloods. 2.2.    Omdat de verbouwing tot woonruimte zonder de vereiste bouwvergunning heeft plaatsgevonden, was het college bevoegd daartegen handhavend op te treden. Dat, naar appellant betoogt, het gebruik van de varkensstal/machineloods als woning wordt beschermd door het in het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) neergelegde gebruiksovergangsrecht, hetgeen door het college wordt bestreden, doet daar niet aan af. Die omstandigheid brengt immers niet met zich dat ten behoeve van dat gebruik ook mag worden gebouwd.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.3.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok A".    Ingevolge artikel 11, lid A, onder 1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag op gronden met die bestemming binnen ieder op de plankaart als zodanig aangegeven bouwblok slechts één bedrijfswoning worden gebouwd.    Ingevolge artikel 11, lid A, onder 3, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde onder 1 ten behoeve van de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning, mits de woning in het kader van de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse nodig is. 2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: de AAB) zich in haar advies van 23 februari 2005 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de noodzaak om uit oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering over een tweede bedrijfswoning te beschikken niet aanwezig is.    Niet in geschil is dat de AAB een onafhankelijke en onpartijdige deskundige is. Het college mag in beginsel op haar advies afgaan, tenzij een tegenadvies wordt overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen.     De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de met een rapport van de Boerenbond Deurne onderbouwde stelling van appellant, dat gezien zijn leeftijd en fysieke beperkingen de aanwezigheid van een tweede persoon bij het bedrijf gedurende vierentwintig uur per dag nodig is, niet betekent dat de conclusie van de AAB, dat de aanwezigheid van twee personen op het perceel om gedurende vierentwintig uren per dag toezicht te houden niet noodzakelijk is, onjuist is. De rechtbank heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de AAB uitgaat van volwaardige arbeidskrachten en dat het appellant vrij staat om zijn in het bedrijf werkzame zoon, die als een volwaardige arbeidskracht kan worden beschouwd, in de bedrijfswoning te huisvesten en zelf elders huisvesting te zoeken. Dat appellant geen gebruik maakt van deze mogelijkheid kan er niet toe leiden dat een tweede woning ook nodig is voor het agrarische bedrijf. Het betoog faalt dan ook. 2.5.    Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet is ingegaan op de mogelijkheid die de "Planologische vrijstellingsregeling afhankelijke woonruimte 2004" biedt voor het verlenen van vrijstelling. Die regeling kan in deze procedure geen rol spelen, nu die regeling pas na het besluit op bezwaar is vastgesteld en bovendien niet ziet op bedrijfsgebouwen als de onderhavige.    In de enkele omstandigheid dat appellant aan de gemeenteraad van Deurne heeft verzocht de woonruimte positief te bestemmen bij de herziening van het bestemmingsplan heeft de rechtbank, anders dan appellant betoogt, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat concreet uitzicht op legalisatie bestaat. 2.6.    In de door appellant aangevoerde familieomstandigheden, inhoudende dat zijn inwonende broer bijzondere zorg vraagt en appellant de woonruimte nodig heeft om die zorg te kunnen verlenen, heeft de rechtbank verder terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. Daarbij is van belang dat de zorg voor de broer van appellant tot nu toe altijd in de eerste bedrijfswoning heeft plaatsgevonden. 2.7.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op rechtsverwerking faalt. Het college was volgens appellant reeds vanaf de oplevering, derhalve meer dan drieëntwintig jaar, op de hoogte van het bestaan van de woonruimte. 2.7.1.    Appellant voert ter onderbouwing van zijn betoog aan dat medewerkers van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht meerdere keren een controle hebben uitgevoerd op het perceel en derhalve moeten hebben geweten dat een verbouwing tot woonruimte had plaatsgevonden. Appellant heeft evenwel niet betwist dat op de inspectiekaarten die naar aanleiding van de uitgevoerde controles zijn opgesteld geen onregelmatigheden met betrekking tot de bebouwing zijn aangetekend en heeft zijn stelling niet met feiten nader onderbouwd. De controles bieden dan ook onvoldoende grond voor het oordeel dat het college gedurende meer dan drieëntwintig jaar wetenschap had van het bestaan van de woonruimte. Dat de geplaatste ramen blijkens de aantekening op de bouwvergunning enigszins groter zijn dan de ramen die waren vergund, vormt evenmin grond voor dat oordeel, reeds omdat het tegen deze achtergrond te meer opvalt dat een aantekening van de aanwezigheid van binnenwanden en woonvoorzieningen ontbreekt.     Ten aanzien van de controles die zijn uitgevoerd door medewerkers van andere afdelingen van de gemeente Deurne heeft de rechtbank terecht overwogen dat die medewerkers niet bedacht hoefden te zijn op illegale situaties in bouwkundige en planologische zin. Voorts heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de wetenschap van de in het bedrijfsgebouw gerealiseerde woonruimte niet kan worden toegerekend aan de enkele inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van verschillende personen op het adres [locatie] sinds 1987, nu daaruit niet kon worden afgeleid dat sprake was van een illegale tweede woning.     Gelet op het vorenstaande heeft appellant niet aannemelijk weten te maken dat het college meer dan drieëntwintig jaar op de hoogte was van de woonruimte. Dat de woonruimte op een gedooglijst zou staan is evenmin aannemelijk gemaakt. De conclusie is dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het beroep van appellant op rechtsverwerking niet slaagt. Het betoog faalt. 2.8.    Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel terecht verworpen. Voor een geslaagd beroep op dat beginsel is nodig, dat het bevoegde bestuursorgaan mededelingen doet dan wel handelingen verricht waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Niet aannemelijk is geworden dat daarvan sprake is geweest. 2.9.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de voorzieningen ook gebruikt zouden kunnen worden voor het agrarisch bedrijf, doet er niet aan af dat is afgeweken van de bouwvergunning en dat het met de illegale bouw beoogde gebruik voor bewoning in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet op de samenhang tussen de zonder bouwvergunning gerealiseerde woonruimte en de daarbij behorende voorzieningen, is de rechtbank dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de aanschrijving bestuursdwang zich tot die voorzieningen mocht uitstrekken. 2.10.    Voor het oordeel dat de begunstigingstermijn van twaalf weken, in aanmerking genomen de betrokken belangen, te weten handhaving van het bestemmingsplan enerzijds en het kunnen beschikken over voldoende tijd voor verhuizing naar een andere woonruimte en voor verwijdering van de woonruimte anderzijds, onredelijk kort is, heeft de rechtbank ten slotte, anders dan appellant betoogt, terecht geen grond gezien, te minder nu het college al bij brief van 23 januari 2004 heeft aangegeven dat tegen de woonruimte zou worden opgetreden. In dat verband is nog van belang dat de woonruimte zowel op die datum als op het moment van het nemen van het primaire besluit niet werd bewoond. De stelling van appellant dat de woonruimte niet binnen twaalf weken kan worden verwijderd, is niet onderbouwd en leidt derhalve niet tot een ander oordeel. 2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat. w.g. Slump    w.g. Boermans Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006 429-457.