
Jurisprudentie
AZ0323
Datum uitspraak2006-10-12
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200605489/2, 200605490/2, 200605491/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200605489/2, 200605490/2, 200605491/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 19 januari 2006 heeft de gemeenteraad van Menaldumadeel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 januari 2006, het bestemmingsplan "Noordwesttangent, Menaldumadeel" vastgesteld.
Uitspraak
200605489/2, 200605490/2, 200605491/2.
Datum uitspraak: 12 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in de gedingen tussen:
1. de vereniging "Vereniging Milieudefensie", gevestigd te Amsterdam,
2. de stichting "Stichting Ringsom Great Terherne", gevestigd te Beetgumermolen,
verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2006 heeft de gemeenteraad van Menaldumadeel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 januari 2006, het bestemmingsplan "Noordwesttangent, Menaldumadeel" vastgesteld.
Bij besluit van 23 mei 2006, kenmerk 642055, heeft verweerder over de goedkeuring van het bestemmingsplan beslist.
Bij besluit van 16 februari 2006 heeft de gemeenteraad van het Bildt, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 januari 2006, het bestemmingsplan "Noordwesttangent, het Bildt" vastgesteld.
Bij besluit van 23 mei 2006, kenmerk 642053, heeft verweerder over de goedkeuring van het bestemmingsplan beslist.
Bij besluit van 2 maart 2006 heeft de gemeenteraad van Leeuwarderadeel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
13 december 2005, het bestemmingsplan "Noordwesttangent, Leeuwarderadeel" vastgesteld.
Bij besluit van 23 mei 2006, kenmerk 642054, heeft verweerder over de goedkeuring van het bestemmingsplan beslist.
Tegen de drie goedkeuringsbesluiten heeft verzoekster sub 1 bij brief van 22 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2006, beroep ingesteld. Tegen het besluit van 23 mei 2006, kenmerk 642055, heeft verzoekster sub 2 bij brief van 7 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 22 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2006, heeft verzoekster sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 7 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2006, heeft verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 28 september 2006, waar verzoekster sub 1, vertegenwoordigd door J. van der Meer, verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door [voorzitter] van verzoekster sub 2, en verweerder, vertegenwoordigd door F. Jongma en Y. Visser, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraden van Menaldumadeel, het Bildt en Leeuwarderadeel, vertegenwoordigd door drs. M.T.M. Mosterman, adviseur.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De bestemmingsplannen "Noordwesttangent, Menaldumadeel", "Noordwesttangent, het Bildt" en "Noordwesttangent, Leeuwarderadeel" (hierna: de plannen) voorzien in een planologische regeling voor de aanleg van de Noordwesttangent (provinciale weg) tussen de N383 en de N357 in de gemeenten Menaldumadeel, het Bildt en Leeuwarderadeel.
2.3. Verzoekster sub 1 stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plannen en verzoekt schorsing van de bestreden besluiten. Verzoekster sub 2 stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan "Noordwesttangent, Menaldumadeel" en verzoekt schorsing van het bestreden besluit. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van de besluiten te voorkomen. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat er geen noodzaak bestaat tot de aanleg van de weg en dat verweerder in dit kader is uitgegaan van onjuiste verkeersintensiteiten. Voorts vrezen verzoekers voor aantasting van een in de nabijheid voorkomende weidevogelpopulatie en voor aantasting van het cultuurhistorische landschap.
2.4. Verweerder heeft de plannen niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft ze goedgekeurd. Verweerder stelt zich in navolging van de gemeenteraden op het standpunt dat Noord-Fryslân thans slecht bereikbaar is en dat hierdoor bestaande bedrijven uit de regio vertrekken.
2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bouwvergunningen zijn aangevraagd voor de bouw van de bij de voorziene weg behorende tunnels en dat mogelijkerwijs werkzaamheden plaatsvinden met onomkeerbare gevolgen. Gelet hierop acht de Voorzitter een spoedeisend belang aanwezig, zodat in het navolgende zal worden onderzocht of er aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.6. Volgens de plantoelichtingen is Noord-Fryslân niet aangesloten op de regionale dan wel landelijke hoofdwegenstructuur en moet het verkeer gebruikmaken van de routes door Leeuwarden, alwaar de doorstroming stagneert. De huidige verkeersstructuur in en rondom Leeuwarden maakt het onmogelijk om het verkeersaanbod vlot te kunnen afwikkelen waardoor sluipverkeer ontstaat, aldus de plantoelichtingen. Ter zitting is gebleken dat tellingen zijn verricht naar het sluipverkeer op het onderliggende wegennet rondom de N357.
Voorafgaand aan de vaststelling van de plannen is een mileueffectrapport opgesteld. In de deelrapportage "Effectbeschrijving MER-NWtangent Leeuwarden, provincie Fryslân", gedateerd 9 december 2002, is het verkeerskundig functioneren van de verschillende alternatieven beschreven. In de plantoelichtingen is een tabel opgenomen met de verwachte verkeersintensiteiten voor het jaar 2015 voor de diverse varianten en de autonome situatie. Bij de berekening van de verkeersintensiteiten is onder meer de prognose van de (beroeps)bevolkingsomvang betrokken, aldus de voornoemde deelrapportage. Volgens de bestreden besluiten is voor de bepaling van de (beroeps)bevolkingsomvang aangesloten bij het rapport "Structurele bevolkingsdaling; een urgente nieuwe invalshoek voor beleidsmakers". De prognose die uit dit rapport volgt is dat daling van de bevolking in Noord-Fryslân ten opzichte van 2006 intreedt in 2046 en daling van de beroepsbevolking in 2021.
Gelet op de voornoemde rapporten en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de voorziene weg noodzakelijk is, en evenmin voor het oordeel dat de in de voornoemde tabel opgenomen verkeersintensiteiten onjuist zijn.
2.7. In de eerder genoemde deelrapportage "Effectbeschrijving MER-NWtangent Leeuwarden, provincie Fryslân" zijn de resultaten neergelegd van de betekenis van de plannen op de ecologische waarden in het plangebied. De voorziene weg ligt volgens het rapport in de nabijheid van het vogelrijk gebied Cleyn Alserd. Beïnvloeding van broedende weidevogels ten gevolge van geluid dan wel wegverlichting vindt volgens de rapportage plaats binnen een zone variërend van 83 tot 150 meter aan weerszijden van de voorziene weg. In de rapportage wordt geconcludeerd dat het effect op de weidevogels als zwak negatief wordt beoordeeld. De kleinste afstand tussen de voorziene weg en het gebied Cleyn Alserd bedraagt blijkens de stukken ongeveer 85 meter. In de bestreden besluiten staat vermeld dat bij de planuitvoering rekening wordt gehouden met de aspecten geluid en licht door te kiezen voor een geluidsreducerende asfaltsoort en een verlichtingstype dat het licht zoveel mogelijk zal bundelen.
Gelet op het vorenstaande is naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat de weidevogels door de voorziene weg ernstig zullen worden verstoord. Overigens is gebleken dat het gebied niet is aangewezen als Vogelrichtlijngebied in de zin van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand.
2.8. In de plantoelichtingen staat vermeld dat het tracé een gebied doorsnijdt met cultuurhistorisch waardevolle landschapskenmerken, gerelateerd aan de ontstaansgeschiedenis, te weten de vorming van de Middelzee en de bedijking en ontginning daarvan. Voorts staat in de toelichtingen op het plan vermeld dat bij de uitwerking van het tracé rekening is gehouden met de voornoemde waarden. Zo worden landschappelijke structuren haaks doorsneden en ligt het tracé op maaiveld, zodat de weg het open landschap zo min mogelijk verstoort, aldus de plantoelichtingen. In het groenplan worden volgens de plantoelichtingen de bestaande historische elementen geaccentueerd met beplanting, terwijl het tracé door de Middelzee open blijft.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Voorzitter ervan uit dat het plangebied cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten bezit. Blijkens de stukken worden deze waarden onder meer gevormd door de ter plaatse aanwezige dijken en de openheid van het gebied. Uit de stukken blijkt naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter dat de voornoemde waarden bij het opstellen van de plannen zijn betrokken. Daarbij is van belang dat de plannen, gelet op het bepaalde in artikel 3 van de planvoorschriften (nadere eisenregeling), waarin onder meer het voorkomen van een onevenredige aantasting van het landschapsbeeld wordt genoemd, mede behoud van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden tot doelstelling hebben. Gelet op het vorenstaande is de Voorzitter er door hetgeen verzoekers hebben aangevoerd niet van overtuigd geraakt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden zodanig worden aangetast dat verweerder daarin reden had moeten zien om goedkeuring aan de plannen te onthouden. Voor zover verzoekers betogen dat sprake is van strijd met het Verdrag van Malta overweegt de Voorzitter dat hiervan niet is gebleken.
2.9. Op basis van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit betreft het onderzoek "Akoestisch onderzoek aanleg Noordwesttangent, 2004". Uit het onderzoek volgt dat ter plaatse van de bestaande woningen die langs het tracé zijn gesitueerd nergens de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden.
Gelet op de resultaten uit het voornoemde onderzoek ziet de Voorzitter geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat wordt voldaan aan de geluidsnormen zoals deze zijn opgenomen in de Wet geluidhinder. Ten aanzien van de vrees van verzoekster sub 1 voor geluidsoverlast ten gevolge van cumulatie van geluid in verband met de aanleg van de voorziene weg en de aanwezigheid van vliegveld Leeuwarden, gaat de Voorzitter ervan uit dat, gelet op het verhandelde ter zitting, er geen geluidsgevoelig object is gelegen binnen zowel de zone van de voorziene weg als de zone van het nabijgelegen vliegveld. Gelet hierop acht de Voorzitter de vrees voor gecumuleerd geluid ongegrond.
2.10. Ten aanzien van de vraag of wordt voldaan aan de normen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005, overweegt de Voorzitter als volgt. Volgens de plantoelichtingen is voor de jaren 2005, 2010 en 2015 berekend wat de luchtkwaliteitwaarden in het plangebied zijn. Hierbij is volgens de plantoelichtingen uitgegaan van de verkeersintensiteiten in het jaar 2015. In de toelichtingen op de plannen staat voorts vermeld dat de in het Blk 2005 opgenomen grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) niet worden overschreden.
Gelet op de resultaten van het onderzoek naar de luchtkwaliteit, ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan de normen uit het Blk 2005.
2.11. Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken dienen te worden afgewezen.
2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Oosting w.g. Langeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2006
317-500.