
Jurisprudentie
AZ0320
Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601930/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601930/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 10 januari 2006 heeft verweerder geweigerd appellant een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een varkensfokkerij en -houderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 februari 2006 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200601930/1.
Datum uitspraak: 18 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Halderberge,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2006 heeft verweerder geweigerd appellant een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een varkensfokkerij en -houderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 februari 2006 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 maart 2006, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 april 2006.
Bij brief van 26 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door ir. A.C.H.M. Commissaris, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.A. Keij, ambtenaar van de gemeente, en ing. H. Vierhuis, werkzaam bij de regionale milieudienst West-Brabant, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.
2.2. Bij besluit van 11 februari 2005 heeft verweerder ten behoeve van de onderhavige inrichting aan appellant een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd. Bij uitspraak van 2 november 2005, no. 200502807/1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd, waarna verweerder bij het in de onderhavige zaak bestreden besluit opnieuw op de aanvraag om vergunning heeft beslist.
2.3. Appellant betoogt - kort weergegeven - dat hij in zijn belangen is geschaad nu verweerder de termijn als bedoeld in artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht bewust heeft overschreden. In dit verband voert hij aan dat verweerder fouten heeft gemaakt bij het publiceren van het ontwerp-besluit en dat verweerder belang had bij het maken van deze fouten. Indien de procedure betreffende het nemen van een besluit op een juiste wijze was gevolgd, had appellant rechten kunnen ontlenen aan de onderliggende revisievergunning van 25 juni 2001 en had de aangevraagde vergunning wellicht verleend kunnen worden.
2.3.1. Ingevolge artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht neemt het bestuursorgaan het besluit op de aanvraag zo spoedig mogelijk, doch - tenzij toepassing is gegeven aan artikel 3:29 - uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
Een overschrijding van de wettelijke beslistermijn tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Deze beroepsgrond kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
2.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aangevraagde vergunning in zijn geheel geweigerd, omdat verlening van de aangevraagde vergunning niet kon worden gebaseerd op de voor de inrichting bestaande rechten. Verweerder heeft zich bij de vaststelling van de bestaande rechten gebaseerd op de uitbreidingsvergunning, die op 12 september 1990 krachtens de Hinderwet is verleend. Daartoe heeft verweerder overwogen dat voor de revisievergunning die op 25 juni 2001 krachtens de Wet milieubeheer is verleend, nooit een bouwvergunning is aangevraagd, zodat die vergunning op grond van artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking is getreden en niet de voor de inrichting geldende vergunning is. Ook de revisievergunning van 23 juli 1997 is volgens verweerder vanwege het ontbreken van een bouwvergunning niet in werking getreden.
2.4.1. Appellant betoogt dat verweerder de aangevraagde vergunning, gelet op de bestaande rechten die hij aan de revisievergunning van 25 juni 2001 kon ontlenen, ten onrechte heeft geweigerd. Hij voert aan dat verweerder in het verleden voor het bepalen van bestaande rechten altijd van de onderliggende vergunning is uitgegaan, ongeacht of een bijbehorende bouwvergunning was verleend. Ook uit de jurisprudentie van de Afdeling valt volgens appellant niet af te leiden dat aan een milieuvergunning alleen rechten kunnen worden ontleend indien de bijbehorende bouwvergunning is verleend. Hiertoe wijst appellant op de uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2003, no. 200202415/1 en van 5 januari 2005, no. 200306670/1. Daarnaast voert appellant aan dat hij ruim een jaar voor het verstrijken van de driejarentermijn als bedoeld in artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer een aanvraag om een nieuwe revisievergunning heeft ingediend, zodat hij, als verweerder hem had meegedeeld dat tevens een bouwvergunning nodig was, voldoende tijd had gehad om een bij de vergunning van 25 juni 2001 behorende bouwvergunning aan te vragen. Verweerder heeft echter nooit meegedeeld dat het aanvragen van een bouwvergunning noodzakelijk was, aldus appellant.
2.4.2. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer treedt, in afwijking van artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.
Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.
2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 juli 2002 in zaak no. 200106376/2, blijft de onderliggende vergunning voor een inrichting gelden indien de later verleende en onherroepelijk geworden vergunning, als gevolg van de omstandigheid dat geen bouwvergunning is verleend, ingevolge de coördinatieregeling van artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking is getreden. Nu in verband met de revisievergunning van 25 juni 2001 noch in verband met de revisievergunning van 23 juli 1997 een bouwvergunning is aangevraagd, zijn die vergunningen nimmer in werking getreden en is geen van die beide vergunningen de voor de inrichting geldende vergunning. In verband met de uitbreidingsvergunning van 12 september 1990 is wel een bouwvergunning aangevraagd. Deze bouwvergunning is op 10 december 1991 verleend, zodat de uitbreidingsvergunning van 12 september 1990 de voor de inrichting geldende vergunning is. Verweerder heeft de bestaande rechten dan ook terecht op deze uitbreidingsvergunning gebaseerd.
Dat verweerder in het verleden bestaande rechten wel aan een onderliggende milieuvergunning heeft ontleend, ook als geen bijbehorende bouwvergunning was verleend, tast de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit niet aan. Dat geldt eveneens voor de door appellant gestelde omstandigheid dat verweerder hem er niet op heeft gewezen dat een bouwvergunning noodzakelijk was. De uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2003 en 5 januari 2005 waarnaar appellant verwijst, leiden niet tot een andere conclusie.
2.5 Het beroep is ongegrond.
2.6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006
154-493.