Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0319

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200602790/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft de Raad van de gemeente Rheden (hierna: de Raad) besloten het gedeelte van de Veerweg in Rheden, gelegen ter hoogte van Veerweg 21, kadastraal bekend gemeente Rheden, Sectie D, nr. 6257, nader (met arcering) aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, aan de openbaarheid te onttrekken.


Uitspraak

200602790/1. Datum uitspraak: 18 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/115 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 22 februari 2006 in het geding tussen: appellanten en de Raad van de gemeente Rheden. 1.    Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2005 heeft de Raad van de gemeente Rheden (hierna: de Raad) besloten het gedeelte van de Veerweg in Rheden, gelegen ter hoogte van Veerweg 21, kadastraal bekend gemeente Rheden, Sectie D, nr. 6257, nader (met arcering) aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, aan de openbaarheid te onttrekken. Bij besluit van 29 november 2005 heeft de Raad het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 februari 2006, verzonden op 28 februari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 29 juni 2006 heeft de Raad van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2006, waar de Raad, vertegenwoordigd door mr. M.T.J. Fleuren, juridisch medewerker afdeling R.O. van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet, in samenhang met artikel 8 van die wet, kan een weg, welke niet door het Rijk, een provincie of waterschap wordt onderhouden en waarop evenmin een waterschap krachtens zijn inrichting of zijn reglement heeft toe te zien, aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad der gemeente waarin de weg is gelegen. 2.2.    Appellanten bestrijden het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Raad in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Volgens appellanten is ten onrechte geen rekening gehouden met hun belangen. 2.2.1.    De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Raad genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gewichtige redenen om tot onttrekking over te gaan. Terecht heeft hij als zodanig aangemerkt de door de Raad aangeduide veiligheid van [partij] en van het bedrijfsterrein en de omstandigheid dat de beoogde overdracht van het weggedeelte aan [partij] leidt tot een verwezenlijking van de bestemming "bedrijfsdoeleinden", die ingevolge het bestemmingsplan "Rheden-Oost 1986" rust op het gedeelte van de Veerweg dat wordt onttrokken aan de openbaarheid. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het algemeen belang zich tegen de onttrekking aan de openbaarheid verzet, waarbij van belang is geacht dat het onderhavige gedeelte van de Veerweg reeds lange tijd een doodlopende weg is. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Raad de belangen van appellanten zorgvuldig heeft meegewogen bij het nemen van het besluit op bezwaar en dat de uitkomst van deze belangenafweging niet onevenredig is te achten jegens appellanten. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gedeelte van de Veerweg dat wordt onttrokken feitelijk al niet meer als openbare weg wordt gebruikt, maar als deel van het bedrijfsterrein en dat aan appellanten tegemoet is gekomen door extra manoeuvreerruimte te creëren ten behoeve van het in- en uitrijden van hun perceel, zodat de parkeermogelijkheden op eigen terrein niet in gevaar komen. Evenmin als de rechtbank ziet de Afdeling in waarom appellanten na de onttrekking geen normaal gebruik meer zouden kunnen maken van het resterende openbare gedeelte van de Veerweg. Daar staat tegenover dat door de onttrekking van het betreffende weggedeelte het Internationaal Transportbedrijf haar terrein kan afsluiten met een hekwerk, hetgeen de veiligheid van het bedrijf en het bedrijfsterrein ten goede komt. Aangezien, naar ter zitting van de Afdeling van de zijde van het Transportbedrijf is aangegeven, dit hek in de regel slechts gesloten zal worden indien ook het bedrijf gesloten is, zal van ernstige overlast door optrekkende vrachtwagens geen sprake zijn. Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat er ten gevolge van het besluit op bezwaar een onacceptabele verslechtering van het woon- en leefklimaat zal ontstaan. Het betoog van appellanten faalt derhalve. 2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren    w.g. Egmond Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006 426.