Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0315

Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200606289/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een garagebedrijf met tankstation aan de [locatie 1] en nabij [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 13 juli 2006 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200606289/2. Datum uitspraak: 10 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Grootegast, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 4 juli 2006 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een garagebedrijf met tankstation aan de [locatie 1] en nabij [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 13 juli 2006 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 23 augustus 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 23 augustus 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 september 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. S. Kroonsberg, werkzaam bij R&B Milieu Advies B.V., en verweerder, vertegenwoordigd door T.E.J. Postma, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Verzoekster betoogt dat in het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 9.1.2 te krappe normen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gesteld. Ingevolge dit voorschrift mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, op de beoordelingspunten 9, 13 en 14 in de dagperiode (07.00-19.00 uur) niet meer bedragen dan 47, 40 en 45 dB(A). De normen zijn volgens verzoekster ten onrechte gebaseerd op de aanname dat de overheaddeuren in dagperiode slechts een half uur zijn geopend (variant 2 in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport van Stroop raadgevende ingenieurs bv van 16 februari 2006, no. 001196-01, hierna te noemen: het akoestisch rapport). Deze situatie is volgens verzoekster niet representatief voor de bedrijfsvoering. Bovendien zouden de overheaddeuren in dat geval ten minste 60 keer per dag moeten worden geopend, met de bijbehorende geluidbelasting van dien. De normen dienen volgens verzoekster uit te gaan van de rekenresultaten waarbij de overheaddeuren in de gehele dagperiode zijn geopend (variant 1 in het akoestisch rapport). Verzoekster betoogt dat hiervoor, nu haars inziens de richtwaarden voor een woonwijk in de stad tot uitgangspunt kunnen worden genomen, ook ruimte bestaat. Nu te krappe normen zijn gesteld, is volgens verzoekster te verwachten dat hieraan niet zal kunnen worden voldaan. In verband met het voorgaande kan verzoekster zich evenmin verenigen met voorschrift 9.2.1, waarin is bepaald dat de overheaddeuren in de noordwestgevel van de werkplaats tijdens het in werking zijn van de inrichting gesloten moeten zijn en slechts mogen worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van voertuigen of goederen. 2.2.1.    Verweerder betwijfelt of in de representatieve bedrijfssituatie de overheaddeuren 60 keer per dag worden geopend, waarbij hij overigens aantekent dat in voorschrift 9.2.1 geen maximum aantal wordt genoemd. Voorts betoogt verweerder dat de in voorschrift 9.1.2 gestelde waarden voor de dagperiode, die niet zonder meer zijn gebaseerd op de rekenresultaten voor variant 2 in tabel 6.1 van het akoestisch rapport, op zichzelf een bepaalde ruimte laten voor een langere openingsduur van de overheaddeuren in de dagperiode dan ten grondslag ligt aan variant 2 in het akoestisch rapport. 2.2.2.    De Voorzitter overweegt dat, gezien de rekenresultaten voor de varianten 1 en 2 in tabel 6.1 van het akoestisch rapport, eerst een belangrijk langere openingstijd van de overheaddeuren dan een half uur in de dagperiode zal leiden tot een overschrijding van de waarden die in voorschrift 9.1.2 voor de punten 9 en 13 in de dagperiode zijn gesteld. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van voorschrift 9.1.2 af te wijzen. De Voorzitter acht het in verband hiermee echter onvoldoende duidelijk of het nodig is dat de overheaddeuren in de noordwestgevel van de werkplaats tijdens het in werking zijn van de inrichting gesloten moeten zijn en slechts mogen worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van voertuigen of goederen, en tot welke geluidbelasting vanwege het geluid van het openen en sluiten van de overheaddeuren dit leidt. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding ten aanzien van voorschrift 9.2.1 de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.3.    Verzoekster betoogt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.25, waarin is bepaald dat aan de zuidzijde van de inrichting op de kadastrale grens tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Grootegast, sectie […], nummers […] een fysieke afscheiding dient te worden geplaatst met een minimale hoogte van 80 cm en een maximale hoogte van 100 cm, niet noodzakelijk en praktisch is aangezien reeds een duidelijke scheiding is waar te nemen tussen het deel dat tot het bedrijfsterrein behoort (verhard) en het deel dat daartoe niet behoort (grasmat). Voorts mag de milieuvergunning volgens verzoekster niet worden gebruikt om een illegaal stallen of parkeren van auto’s te voorkomen. 2.3.1.    Verweerder betoogt dat, sinds een voorheen op bedoelde grens gelegen sloot is gedempt, het terrein achter de inrichting gemakkelijk kan worden gebruikt voor de stalling van voertuigen, dus voor uitbreiding van de inrichting, hetgeen dient te worden voorkomen. 2.3.2.    De Voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in de milieuvergunning geen maatregelen zouden kunnen worden voorgeschreven die een ongeoorloofde feitelijke uitbreiding van de inrichting tegengaan. Bij afweging van dit belang enerzijds en het belang van verzoekster bij het voorkomen van onnodige belemmeringen voor zich te voet over het terrein begevende personen anderzijds, en gelet op de uitlatingen van partijen ter zitting, ziet de Voorzitter echter aanleiding ten aanzien van voorschrift 1.1.25 de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorzieningen te treffen. In hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. 2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grootegast van 4 juli 2006, kenmerk Ruimte/VRO-OW no. 2570, voor zover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.25 en 9.2.1 betreft; II.    treft de voorlopige voorziening dat voorschrift 1.1.25 als volgt komt te luiden: "Aan de zuidzijde van de inrichting dient op de kadastrale grens tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Grootegast, sectie […], nummers […] een fysieke afscheiding dient te worden geplaatst met een minimale hoogte van 20 cm en een maximale hoogte van 100 cm."; III.    wijst het verzoek voor het overige af; IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Grootegast tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Grootegast aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V.    gelast dat de gemeente Grootegast aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat. w.g. Konijnenbelt    w.g. Kuipers Voorzitter       ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006 271