
Jurisprudentie
AZ0309
Datum uitspraak2006-09-05
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers251951 FA RK 05-5822
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers251951 FA RK 05-5822
Statusgepubliceerd
Indicatie
wijziging partneralimentatie/ afgeweken van uitgangspunt dat de laatste jaren van het huwelijk als maatstaf worden genomen nu de man de laatste jaren van het huwelijk een veel lager inkomen had en thans weer een substantieel hoger inkomen geniet .
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector Familie- en Jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Alimentatie
rekestnummer A.: FA RK 05-5822
zaaknummer: 251951
datum beschikking: 5 september 2006
BESCHIKKING op het op 13 oktober 2005 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats], gemeente [A],
procureur: mr. G.A. Nandoe Tewarie.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
wonende te [woonplaats], Indonesië,
procureur: mr. S.L.A. Verburgt.
FEITEN
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 3 oktober 2003 is - onder meer - tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 427,-- per maand. Deze beschikking is op 14 november 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Door wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie thans € 446,47.
PROCEDURE
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- een brief met bijlagen d.d. 16 juni 2006 van de zijde van de man,
- een brief met bijlagen d.d. 14 juli 2006 van de zijde van de vrouw,
- het faxbericht met bijlage d.d. 7 augustus 2006 van de zijde van de vrouw.
Op 8 augustus 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun procureurs.
Na de zitting is nog ingekomen een faxbericht met bijlage d.d. 22 augustus 2006 van de zijde van de vrouw en een brief met bijlage van 29 augustus 2006 van de zijde van de man.
VERZOEK EN VERWEER
Het verzoek van de vrouw luidt - met wijziging van voornoemde beschikking - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw op € 4.000,-- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor voormelde beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven en voert hiertoe aan dat de man met ingang van december 2004 (derhalve na de beschikking van 3 oktober 2003) een functie heeft als directeur van het instituut CAPSA bij de Verenigde Naties waardoor het inkomen van de man substantieel is toegenomen.
Wat betreft de behoefte heeft de vrouw aangevoerd dat zij niet in staat is geweest een arbeidsverleden en een ouderdomspensioen op te bouwen in verband met het feit dat zij tijdens het huwelijk haar leven heeft gewijd aan het gezin en de carrière van de man. Tevens heeft de vrouw, vanwege haar langdurig verblijf in het buitenland in verband met het werk van de man, slechts recht op 66% AOW als zij 65 jaar wordt. De vrouw stelt dat haar (toekomstige) behoefte hierdoor toeneemt en dat daarmee in de vorige beschikking geen rekening is gehouden.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen voor zover het alimentatieverzoek een bedrag van € 1.153,01 bruto per maand te boven gaat en met ingang van de in deze te wijzen beschikking, indien en voor zover in rechte komt vast te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een uitkering in haar levensonderhoud van € 4.000,-- per maand.
Voorts verzoekt de man zelfstandig de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van
12 januari 2006 op nihil te stellen. De man voert hiertoe als grond aan dat de vrouw thans door middel van inkomsten uit arbeid een hoger inkomen genereert dan haar netto behoefte, zodat daar uit volgt dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud van de man.
BEOORDELING
De vrouw heeft een - rechtens relevante - wijziging van omstandigheden aan haar verzoek ten grondslag gelegd zodat zij op grond van artikel 1:401 BW ontvankelijk is in haar verzoek.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw aldus dat zij verzoekt om een aanvullende partneralimentatie van € 4.000,-- per maand, naast het inkomen dat de vrouw reeds genereert.
Behoefte
De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud. De man verwijst naar jurisprudentie, waaronder de uitspraak van het Hof Leeuwarden d.d. 3 maart 2004, kenbaar uit de beschikking van de Hoge Raad van 15 april 2005 (LJN-nummer: AS4188). De man stelt dat de behoefte van de vrouw afgeleid dient te worden van de mate van welstand gedurende de laatste jaren van het huwelijk en het uitgaven- en bestedingspatroon tijdens die jaren.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voorop gesteld wordt dat voor het vaststellen van de behoefte als uitgangspunt geldt dat slechts de mate van welstand gedurende de laatste jaren van het huwelijk in aanmerking wordt genomen. Evenwel is de rechtbank in de onderhavige zaak van oordeel dat hiervan dient te worden afgeweken en dat de behoefte van de vrouw gerelateerd moet worden aan de gehele huwelijkse periode. De rechtbank baseert dit op de navolgende bijzondere omstandigheden. De man heeft een universitaire studie 'agrarische sociologie voor niet-westerse gebieden' gevolgd en afgerond en is, op een korte onderbreking van werkloosheid in 2003 na, altijd op dit gebied werkzaam geweest. De werkzaamheden van de man hebben grotendeels in het buitenland plaatsgevonden en partijen hebben dan ook het merendeel van de huwelijkse periode van 23 jaar in het buitenland gewoond. Ter terechtzitting heeft de man bevestigd - verwijzend naar zijn opleiding - dat het immer zijn intentie is geweest om in het buitenland te wonen en werken.
In het buitenland kende partijen een grote mate van welstand. In 1998 is de man naar Nederland gekomen en heeft hij tot medio 2002 bij het Tropeninstituut gewerkt alwaar hij een lager inkomen genereerde. Vervolgens heeft de man tot december 2004 een WW-uitkering genoten. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet redelijk om de periode waarin partijen in Nederland hebben gewoond, daarin begrepen de periode van werkloosheid van 16 mei 2002 tot december 2004, als maatstaf voor de welstand ten tijde van het huwelijk te nemen.
Niet in geschil is dat de vrouw ten tijde van het huwelijk de zorg voor de kinderen en het huishouden op zich heeft genomen terwijl zij dezelfde academische opleiding heeft genoten als de man. Dit was, naar mag worden aangenomen, gebaseerd op een gezamenlijke keuze, die de man in staat heeft gesteld een carrière op te bouwen. Partijen hebben met enkel het inkomen van de man altijd in een redelijk hoge mate van welstand geleefd. Nu de rechtbank niet voldoende gegevens tot haar beschikking heeft om het inkomen van de man tijdens het huwelijk exact vast te stellen, zal de rechtbank de behoefte van de vrouw - mede gelet op haar behoefteoverzicht - in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-- bruto per maand, daarbij de gehele huwelijkse periode, inclusief de periode dat de man lagere inkomsten genoot, in aanmerking genomen. Daarbij houdt de rechtbank tevens rekening met het feit dat, wanneer het huwelijk had voortgeduurd, de vrouw thans had meegeprofiteerd van het huidige inkomen van de man.
Behoeftigheid
De man heeft de behoeftigheid van de vrouw aan de verzochte bijdrage betwist, onderbouwd door de stelling dat de vrouw zelf in haar levensonderhoud kan voorzien door fulltime te gaan werken.
Nu de vrouw een parttime (80%) baan heeft, is de rechtbank van oordeel dat thans van haar niet gevergd kan worden dat zij - mede gelet op haar leeftijd en het feit dat zij gedurende het huwelijk nooit heeft gewerkt - deze werkzaamheden zodanig uitbreidt dat zij (volledig) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, nog daargelaten dat een uitbreiding van 80% naar 100% niet dekkend zal zijn voor haar behoefte.
Voorts stelt de man dat de vrouw haar verdiencapaciteit had kunnen vergroten indien zij gedurende de periode in het buitenland zelf een carrière had opgebouwd. De vrouw zou in 1995 zelfs een functie binnen de Verenigde Naties, te weten een 'programme managementfunctie' op niveau P4 met bijbehorend salaris van US $ 85.000,-- per jaar hebben afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat - nog daargelaten of deze baan daadwerkelijk aan de vrouw is aangeboden - dit haar thans niet kan worden tegengeworpen. Het is kennelijk, zoals reeds eerder overwogen, destijds haar keuze dan wel de keuze van partijen gezamenlijk om het huwelijk volgens een traditioneel rollenpatroon in te richten in die zin dat de vrouw voor de kinderen en het huishouden zorgde en de man carrière maakte, hetgeen in die tijd niet ongebruikelijk was.
De vrouw stelt onbetwist dat van een bruto inkomen van € 3.291,-- uitgegaan moet worden (schriftelijke toelichting bij faxbericht van 7 augustus 2006 onder punt 5). Dit inkomen strekt derhalve in mindering op haar behoefte. Dit betekent dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud van afgerond € 1.710,-- per maand.
Draagkracht
De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van het inkomen plus emolumenten zoals dat blijkt uit het door de man overgelegde arbeidscontract van 1 augustus 2006. Uit dat contract blijkt dat de man vanaf voornoemde datum werkzaam is als Senior Economic Affairs Officer en dat hij daarmee een netto basissalaris verdient van US $ 93.328,-- per jaar. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een toeslag ('post adjustment') die de man ontvangt van US $ 33.785,-- netto per jaar. Aan de stelling van de man dat dit bedrag indicatief is en dat de uiteindelijke betaling afhangt van de koers die in het betreffende land geldt, gaat de rechtbank voorbij nu uit het contract blijkt dat de lopende koers voor Indonesië 36,2% is van het netto salaris en dat de rechtbank het niet aannemelijk acht, voor zover de man dat met zijn stelling heeft bedoelen te betogen, dat de definitieve betaling substantieel zal verschillen van voornoemd bedrag, gelet op de toelichting dat de koers (enkel) onderhevig is aan fluctuaties van kosten van levensonderhoud. Bovendien heeft de man nagelaten te stellen van welk bedrag dan wel in redelijkheid uitgegaan moet worden. Tenslotte telt de rechtbank bij dit inkomen op de 'no removal allowance' van US $ 3.520,-- per jaar. Dit alles bij elkaar opgeteld levert een bedrag aan maandelijks inkomen op van US $ 10.886,08 netto, zijnde € 8.411,44 (omgerekend met het gemiddelde van de in- en verkoopkoers op 8 augustus conform GWK Travelex). Naast dit inkomen uit arbeid houdt de rechtbank rekening met de netto inkomsten uit verhuur, zoals door de man is opgegeven, van € 78,82 per maand.
De rechtbank neemt de volgende niet - dan wel onvoldoende - betwiste lasten in aanmerking:
- huur € 550,--
- inkomensreservering na einde dienstverband en
pensioenreservering € 3.096,--
De rechtbank houdt geen rekening met het door de man opgevoerde bedrag van € 750,-- per maand ten behoeve van elektriciteit, telefoon, water, gas, personeel en beveiliging, aangezien een deel hiervan is verdisconteerd in de bijstandsnorm en de rechtbank voor het overige aannemelijk acht dat deze kosten, nu de man stelt dat het hebben van personeel en beveiliging hoort bij zijn functie, worden gedekt door de toeslagen die de man in het kader van zijn functie ontvangt. De rechtbank acht het voorts niet redelijk deze kosten ten laste van zijn draagkracht te brengen nu de rechtbank van oordeel is dat partneralimentatie prevaleert boven de levensstandaard van de man.
In dat kader houdt de rechtbank eveneens geen rekening met het bedrag van € 412,79 dat door de man maandelijks als vakantiepremie wordt gereserveerd.
Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70, uitgaande van een netto draagkrachtberekening.
Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 1.710 per maand redelijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie vaststellen op 13 oktober 2005, nu dit de datum van indiening van het verzoek is en de man sinds deze datum in ieder geval rekening had kunnen houden met een wijziging van de bijdrage.
Nu blijkt dat de man in staat is de door de rechtbank vastgestelde aanvullende behoefte van de vrouw te betalen behoeft hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht geen bespreking.
De rechtbank beslist als na te melden.
BESLISSING, met wijziging in zoverre van voormelde beschikking:
De rechtbank:
bepaalt de door de man met ingang van 13 oktober 2005 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.710,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th.G. Lautenbach, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2006.